ECLI:NL:GHAMS:2026:736

ECLI:NL:GHAMS:2026:736

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 18-03-2026
Datum publicatie 18-03-2026
Zaaknummer 23-001707-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBAMS:2025:9440

Samenvatting

Veroordeling ter zake van handel in en medeplegen van voorhanden hebben van vuurwapens en munitie. Openbaar ministerie partieel niet-ontvankelijk i.v.m. andere veroordeling (ne bis in idem). Bewijsoverweging medeplegen.

Uitspraak

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

4 maart 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van wat de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de beslissing met betrekking tot de inbeslaggenomen goederen – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof:

 op de ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweren zal responderen;

 de strafmotivering zal aanvullen met een nadere overweging;

 artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) toevoegt aan de toepasselijke wettelijke voorschriften;

 na het eventueel instellen van beroep in cassatie de bewijsmiddelen in het vonnis van de rechtbank zal vervangen door de bewijsmiddelen in een aanvulling op dit arrest.

Bespreking van verweren

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie partieel niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van het onder 1 tenlastegelegde, omdat sprake is van schending van het ne bis in idem-beginsel als bedoeld in artikel 68 Sr.

Het hof overweegt als volgt.

De verdachte is op 15 december 2023 door de rechtbank Amsterdam onherroepelijk veroordeeld voor het voorhanden hebben van een vuurwapen van categorie III van de Wet wapens en munitie (WWM) op

28 april 2023. De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep medegedeeld dat het wapen waarvoor de verdachte toen is veroordeeld een alarmpistool betreft. Het dossier bevat gesprekken die door de verdachte zijn gevoerd kort voor 28 april 2023. Uit de inhoud van deze gesprekken blijkt dat de verdachte op zoek is naar een ‘alarm’.

Het hof stelt vast dat de in het dossier weergegeven gesprekken van vóór 28 april 2023 onder meer gaan over de aanschaf van het alarmpistool waarvoor de verdachte op 15 december 2023 is veroordeeld en is om die reden van oordeel dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van het onder 1 tenlastegelegde, voor zover dat betreft de handelingen die zien op de aanschaf van dit specifieke alarmpistool in de periode tussen 3 januari 2023 en 28 april 2023.

Het hof komt niet toe aan de beoordeling van het voorwaardelijke verzoek van de raadsvrouw om het dossier behorende bij de veroordeling van 15 december 2023 toe te voegen aan dit dossier, als het hof niet slechts op basis van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie zou willen aannemen dat de gesprekken over een alarmpistool betrekking hebben op die veroordeling. Gelet op het voorgaande is immers niet aan de voorwaarde voldaan.

Het onder 1 tenlastegelegde

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de onder 1 tenlastegelegde periode van 3 januari 2023 tot en met eind 2023, omdat er geen wettig en overtuigend bewijs is dat hij zich in die periode bezig heeft gehouden met, kort gezegd, de handel in vuurwapens

Het hof stelt, anders dan de raadsvrouw, vast dat het dossier ook meerdere gesprekken bevat die zijn gevoerd vanaf 3 januari 2023 én gaan over de handel in andere vuurwapens dan het hierboven genoemde alarmpistool. Zo zegt de verdachte op 3 januari 2023 desgevraagd tegen ‘ [persoon 1] ’ dat hij een ‘Bruni gap 9mm’ heeft. Op 9 januari 2023 vraagt de verdachte aan ‘ [persoon 2] ‘hoeveel voor die fgc onderdelen compleet’ en geeft aan ‘ [persoon 2] ’ op 6 maart 2023 aan dat hij niet meer wil omdat hij al heeft.

Het hof is aldus van oordeel dat de door de rechtbank bewezenverklaarde pleegperiode van het onder 1 tenlastegelegde in stand kan blijven.

Medeplegen

De raadsvrouw van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte en de medeverdachte niet van elkaar wisten dat zij bewapend waren en dat daarom van medeplegen geen sprake is. Om die reden moet volgens haar een (partiële) vrijspraak volgen.

Het hof is van oordeel dat het door de raadsvrouw gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak wordt weerlegd door de gebruikte bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof overweegt hier in het bijzonder als volgt.

Voor een veroordeling van het – als medepleger – voorhanden hebben van een wapen of munitie is vereist dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking door de verdachte met een of meer anderen die was gericht op het voorhanden hebben van een wapen of munitie. Bij de beoordeling van de feitelijke gedragingen kunnen als elementen voor het bewijs van de nauwe samenwerking worden aangemerkt: de intensiteit van de samenwerking, de eventuele taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de gezamenlijke uitvoering en de afhandeling en het belang van die rol, het zich niet terugtrekken op daarvoor geëigende tijdstippen en de aanwezigheid op de beslissende momenten.

Vereist is verder dat de verdachte zich in meer of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van dat vuurwapen en/of die munitie. Die bewustheid hoeft zich niet uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van het wapen of de munitie of tot de exacte locatie van dat wapen of die munitie. Van een dergelijke bewustheid kan ook sprake zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad. Daarnaast is voor een bewezenverklaring vereist dat de verdachte tezamen met de mededader(s) feitelijke macht over het vuurwapen en de munitie heeft kunnen uitoefenen in de zin dat hij daarover heeft kunnen beschikken. Daarvoor hoeft het wapen of de munitie zich niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden.

Het hof stelt vast dat de verdachte, onder meer, in de periode van 2 tot en met 5 februari 2025 bezig was met de verkoop van een vuurwapen. Op laatstgenoemde datum zou de overdracht aan de pseudokoper plaatsvinden. De verdachte verscheen, samen met de medeverdachte [medeverdachte] , op die afspraak. De verdachte droeg de plastic tas met daarin het over te dragen vuurwapen. Bij de aanhouding bleek dat zowel de verdachte als de medeverdachte ieder een kogelwerend vest droeg. Ook hadden zij, naast het over te dragen wapen, allebei een (door)geladen vuurwapen en daarbij behorende munitie binnen handbereik; de verdachte had een vuurwapen tussen zijn broeksband en de medeverdachte had een doorgeladen wapen in zijn jaszak.

In de na de aanhouding onder de medeverdachte inbeslaggenomen telefoon is onder meer een chatgesprek van 5 februari 2025 tussen de verdachte en de medeverdachte aangetroffen. Uit dit gesprek blijkt dat zij overlegden over het samen bouwen aan een wapen en zouden delen in de opbrengst bij verkoop ervan. Ook stuurt de medeverdachte een afbeelding van een voorwerp dat oogt als een vuurwapen, en zegt dan: “Deze is vies kom we doen deze weg bro”. Rond het tijdstip van de afspraak met de (pseudo)koper stuurt de medeverdachte aan de verdachte het bericht: “zie je zo”. Waarop de verdachte bericht: “die man is er met 20 minuten”.

Het hof is van oordeel dat uit de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden kan worden afgeleid dat de verdachten zich er bewust van waren dat zij beiden beschikten over een vuurwapen en munitie. Het hof kent hierbij meer in het bijzonder gewicht toe aan de gezamenlijkheid van het optreden van de verdachten op dat moment. Beide verdachten hadden onderling contact over handelingen (bouwen, wegdoen) met betrekking tot wapens. Zij wisten dat de afspraak zag op de verkoop en overdracht van een vuurwapen, zij hadden daarover eerder die dag telefonisch contact met elkaar, zij zijn gezamenlijk naar die afspraak gelopen, en zij hebben beiden met het oog daarop, om voor de hand liggende redenen, de nodige veiligheidsmaatregelen getroffen zoals het dragen van een kogelwerend vest en het vooraf bij zich steken van een vuurwapen.

Bij dit oordeel speelt tevens een rol dat de verdachte geen redelijke, de redengevendheid van het bewijs ontzenuwende, verklaring heeft afgelegd over de wapens en de kogelwerende vesten die hij en zijn medeverdachte bij zich hadden en droegen.

Op grond van het voorgaande oordeelt het hof dat sprake is geweest van zodanig nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte dat sprake is van het medeplegen van het opzettelijk voorhanden hebben van meerdere vuurwapens en munitie. Daarmee acht het hof het onder 2 ten laste gelegde bewezen.

Aanvullende strafoverweging

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep zijn betrokkenheid bij de bewezenverklaarde feiten grotendeels bekend en zich bereid verklaard mee te werken aan de door reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Het hof kan zich, gelet op de gewijzigde proceshouding van de verdachte, vinden in de door de rechtbank opgelegde bijzondere voorwaarden.

Beslag

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep afstand gedaan van de onder 2 tot en met 6, 8 tot en met 15, 18 tot en met 25, 27, 32 en 33 op de beslaglijst genoemde voorwerpen, zodat het hof ten aanzien van die voorwerpen geen beslissing hoeft te nemen.

De hierna te noemen voorwerpen, nog niet teruggegeven voorwerpen, zijn onder de verdachte in beslag genomen:

(1) 1.000,00 EUR (6616570);

(7) 1 STK Gereedschap, draaibank (6617613);

(16) 1 STK Telefoontoestel, iPhone 7 (6617910);

(17) 1 STK Telefoontoestel, iPhone 6 (6617912);

(26) 1 STK Telefoontoestel, iPhone 11 (6615973).

Het hof stelt vast dat voornoemde voorwerpen aan de verdachte toebehoren.

Het hof stelt voorts vast dat onder 1 bewezen is verklaard dat de verdachte zich gedurende een langere periode schuldig heeft gemaakt aan de handel in vuurwapens. Op meerdere telefoons zijn een groot aantal afbeeldingen, video’s en gesprekken van en over vuurwapens aangetroffen, onder meer ook over het bouwen en ombouwen van vuurwapens.

Het hof is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat het onder 1 bewezenverklaarde is begaan met behulp van de onder 7, 16, 17 en 26 inbeslaggenomen voorwerpen, zodat deze voorwerpen verbeurd zullen worden verklaard.

Het onder 1 inbeslaggenomen geldbedrag is niet vatbaar voor onttrekking aan het verkeer en/of verbeurdverklaring, zodat het hof ten aanzien van dat voorwerp, overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal, de teruggave aan de verdachte zal gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 47, 57, 62 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 9, 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissing met betrekking tot de inbeslaggenomen goederen en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

(7) 1 STK Gereedschap (6617613);

(16) 1 STK Telefoontoestel (6617910);

(17) 1 STK Telefoontoestel (6617912);

(26) 1 STK Telefoontoestel (6615973).

Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

(1) 1.000,00 EUR (6616570).

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. E.J. Hofstee, mr. N. van der Wijngaart en mr. J.F. van Halderen, in tegenwoordigheid van

mr. L. van Dijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

18 maart 2026.

=========================================================================

[…]

[…]

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. L. van Dijk

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?