Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Belasting
Locatie Arnhem
nummer 18/00214
uitspraakdatum: 22 januari 2019
nummer 05/003680
Proces-verbaal mondelinge uitspraak
gronden:
Gelet op het debat ter zitting in hoger beroep zijn partijen bij wijze van compromis overeengekomen dat de onderhavige navorderingsaanslag IB/PVV 2010 en de beschikking heffingsrente nader dienen te worden vastgesteld op een totaalbedrag van € 99.584 (overeenkomstig het door de gemachtigde in zijn aan de Inspecteur gerichte brief van 29 mei 2017 gedane voorstel). Voorts heeft de Inspecteur toegezegd de aan mevrouw [A] opgelegde navorderingsaanslag IB/PVV 2010 te zullen vernietigen. Partijen hebben verder afgesproken dat zij de verkrijgingsprijs van de onderhavige aanmerkelijkbelangaandelen nader, in onderling overleg, zullen bepalen.
Het Hof zal dienovereenkomstig beslissen. Het hoger beroep is derhalve gegrond.
proceskosten:
Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende. Het Hof stelt de vergoeding, overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht, vast op een bedrag van:
2 x 2 x € 254 = € 1.016 ter zake van in het bezwaar beroepsmatig verleende rechtsbijstand
2 x 2 x € 512 = € 2.048 ter zake van in het beroep beroepsmatig verleende rechtsbijstand
2 x 2 x € 512 = € 2.048 ter zake van in hoger beroep beroepsmatig verleende rechtsbijstand
(telkens twee punten voor proceshandelingen en een wegingsfactor 2), zijnde in totaal € 5.112.
beslissing:
Het Hof:
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,
- vernietigt de uitspraken op bezwaar inzake de navorderingsaanslag IB/PVV 2010 en de beschikking inzake de heffingsrente,
- stelt de navorderingsaanslag IB/PVV 2010 alsmede de beschikking inzake de heffingsrente gezamenlijk vast op een totaalbedrag van € 99.584;
- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 5.112, en
- gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht in beroep en hoger beroep vergoedt van in totaal € 172.
Aldus gedaan door mr. R. den Ouden, voorzitter, mr. B.F.A. van Huijgevoort en mr. A.J. Kromhout, in tegenwoordigheid van mr. C.E. te Brake als griffier.
De beslissing is op 22 januari 2019 in het openbaar uitgesproken.
Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen,
De voorzitter,
(R. den Ouden)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 22 januari 2019.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),
Postbus 20303,
2500 EH Den Haag.
Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt u de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.