RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 14 februari 2018
Erven [X] , te [Z] , eisers
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, verweerder.
Zittingsplaats Arnhem
Belastingrecht
zaaknummer: AWB 17/3983
in de zaak tussen
(gemachtigden: drs. [gemachtigde] en mr. [A] ),
en
Procesverloop
Verweerder heeft aan eisers voor het jaar 2010 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 43.562 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 675.726. Tevens is bij beschikking € 33.882 aan heffingsrente in rekening gebracht.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 4 juli 2017 de navorderingsaanslag verminderd tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 43.562 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 587.173. Daarbij is de beschikking heffingsrente verminderd tot € 26.196.
Eisers hebben daartegen bij brief van 31 juli 2017, ontvangen door de rechtbank op 1 augustus 2017, beroep ingesteld.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2018.
Namens eisers is verschenen [Y] , bijgestaan door de gemachtigden. Namens verweerder zijn verschenen drs. [gemachtigde] en mr. [C] .
Eisers hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij. Verweerder heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij deze pleitnota behorende bijlagen.
Overwegingen
Feiten
Geschil
16. In geschil is of voldaan is aan de voorwaarden voor navordering. Daarnaast is in geschil of verweerder terecht het inkomen uit aanmerkelijk belang volledig heeft toegerekend aan erflater.
17. Eisers zijn primair van mening dat niet kan worden nagevorderd omdat er geen sprake is van een nieuw feit, dan wel dat er sprake is van een ambtelijk verzuim en dat er geen sprake is van kwade trouw. Subsidiair zijn eisers van mening dat verweerder het inkomen uit aanmerkelijk belang ten onrechte volledig aan eisers heeft toegerekend.
18. Verweerder is van mening dat voldaan is aan de voorwaarden om een navorderingsaanslag op te leggen, omdat sprake is van een nieuw feit en omdat er geen sprake is van een ambtelijk verzuim dat aan navordering in de weg staat. Subsidiair is verweerder van mening dat sprake is van kwade trouw. Met betrekking tot de toerekening van het inkomen uit aanmerkelijk belang is verweerder primair van mening dat er geen sprake is van een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel zodat het inkomen uit aanmerkelijk belang terecht bij eisers in aanmerking is genomen. Subsidiair is verweerder van mening dat eisers impliciet akkoord zijn gegaan met de door verweerder toegepaste inkomenstoerekening.
Beoordeling van het geschil Navordering – nieuw feit en ambtelijk verzuim
19. Op grond van artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. Op de inspecteur rust de bewijslast aannemelijk te maken dat er sprake is van een nieuw feit.
20. Voor het antwoord op de vraag of sprake is van een nieuw feit dient beoordeeld te worden of de navorderingsaanslag voortvloeit uit een feit dat bij het opleggen van de primitieve aanslag reeds bij de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn. Volgens vaste jurisprudentie mag de inspecteur bij het vaststellen van de aanslag uitgaan van de juistheid van de gegevens die belanghebbende in zijn aangifte heeft vermeld. Tot een nader onderzoek is de inspecteur in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot een nader onderzoek gehouden indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven of het ontbreken daarvan, in redelijkheid behoort te twijfelen (HR 6 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2890). Voor twijfel is geen aanleiding als de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn (HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184). Verder geldt dat de inspecteur bij het regelen van een aanslag in de IB/PVV van een belastingplichtige in het algemeen kan volstaan met het raadplegen van het dossier, bevattende de aangiften en andere gegevens voor de IB/PVV van die belastingplichtige, dat met name voor de inspecteur niet de verplichting bestaat tot het raadplegen van al dan niet op zijn eenheid aanwezige dossiers, die zijn aangelegd voor andere belastingplichtigen of andere belastingen, ook al zouden daarin mogelijkerwijs gegevens kunnen worden aangetroffen, die voor het regelen van de bedoelde aanslag in de IB/PVV van belang zijn, en dat de inspecteur slechts dan tot een onderzoek buiten het bedoelde dossier is gehouden, indien de daarin aanwezige gegevens daartoe redelijkerwijs aanleiding geven (vgl. HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:249).
21. Verweerder stelt dat het nieuwe feit eruit bestaat dat uit het onder punt 10 genoemde in 2015 ingestelde onderzoek bleek dat de aard van de activiteiten van de vennootschappen waarin erflater een aanmerkelijk belang bezat, toepassing van de doorschuifregeling van artikel 4.17a van de Wet IB 2001 belemmerde. Verder stelt verweerder dat geen sprake is van een ambtelijk verzuim, omdat de in het dossier aanwezige informatie geen aanleiding gaf tot onderzoek buiten het dossier, en omdat niet bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn dat de feitelijke werkzaamheden van de vennootschappen betrekking hadden op het beleggen van vermogen.
Eisers stellen dat verweerder niet over een nieuw feit beschikte omdat het overlijden van erflater bekend was bij de Belastingdienst op het moment dat de aanslag werd vastgesteld. Verder stellen eisers dat sprake is van een ambtelijk verzuim, omdat verweerder bij voldoende nauwkeurige bestudering van de ingediende aangifte en de overige in het dossier dan wel ter inspectie aanwezige informatie, had kunnen weten dat de aanmerkelijkbelangwinst ten onrechte niet in de aangifte was opgenomen.
22. Door verweerder is onweersproken gesteld dat het voor navordering vereiste nieuwe feit niet bestaat uit het bekend worden van het overlijden van erflater, maar uit de informatie uit het in 2015 ingestelde onderzoek. De rechtbank overweegt dat de informatie die destijds namens eisers is verstrekt in reactie op verweerders vragenbrief van 15 november 2015 nieuw licht werpt op de in de aangifte verstrekte gegevens, en in zoverre nieuw is. Voor de beantwoording van de vraag of deze informatie geldt als het voor het opleggen van de navorderingsaanslag vereiste nieuwe feit, moet worden beoordeeld of verweerder een ambtelijk verzuim heeft begaan door naar aanleiding van de ingediende aangifte geen nader onderzoek in te stellen. Verweerder was destijds weliswaar bekend was met het feit dat erflater aanmerkelijkbelanghouder was, dat hij in 2010 was overleden en dat in de aangifte geen verzoek om doorschuiving van de aanmerkelijkbelangwinst was opgenomen, maar er bestond geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de aangifte. De niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestond dat er geen sprake was van inkomen uit aanmerkelijk belang, of dat een eventueel inkomen uit aanmerkelijk belang in de aangifte van de echtgenote zou zijn opgenomen (vgl. Hof ’s-Hertogenbosch 6 oktober 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:4291). Verder was verweerder niet verplicht om de aangiften vennootschapsbelasting van de vennootschappen te raadplegen (HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:249). Op basis van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder geen ambtelijk verzuim heeft begaan en dat verweerder grond had tot het opleggen van de navorderingsaanslag. Verweerders subsidiaire stelling dat sprake is van kwade trouw behoeft geen behandeling meer.
Toerekening aanmerkelijkbelangwinst
23. Tussen partijen is niet in geschil dat de aanmerkelijkbelangwinst als gevolg van de in artikel 4.16, eerste lid, onderdeel e, van de Wet IB 2001 bedoelde fictieve vervreemding € 587.173 bedraagt. Wel verschillen partijen van mening over het antwoord op de vraag of verweerder de genoemde winst terecht volledig aan erflater heeft toegerekend.
24. Op grond van artikel 2.17, eerste lid, van de Wet IB 2001 worden inkomensbestanddelen van de belastingplichtige en zijn partner in aanmerking genomen bij degene door wie de inkomensbestanddelen zijn genoten. In het tweede lid van dat artikel is bepaald dat gemeenschappelijke inkomensbestanddelen van de belastingplichtige en zijn partner geacht worden bij hen op te komen in de onderlinge verhouding die zij daarvoor bij het doen van aangifte kiezen. Een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel wordt geacht bij de belastingplichtige en zijn partner voor de helft op te komen voorzover zij daarvoor geen onderlinge verhouding hebben gekozen (artikel 2.17, derde lid, van de Wet IB 2001).
Het inkomen uit aanmerkelijk belang is een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel indien de belastingplichtige gedurende het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft (artikel 2.17, vijfde lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet IB 2001). Indien de belastingplichtige gedurende een deel van het kalenderjaar een partner heeft wordt hij voor de toepassing van artikel 2.17 van de Wet IB 2001 geacht het gehele kalenderjaar die partner te hebben gehad indien hij daarvoor samen met die partner kiest bij verzoeken in verband met voorlopige teruggaaf of bij aangifte (artikel 2.17, zevende lid, van de Wet IB 2001). Op eisers rust de bewijslast aannemelijk te maken dat sprake is van een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel.
25. Met betrekking tot belastingen die, zoals de inkomstenbelasting, bij wege van aanslag worden geheven, kan de inspecteur de vermoedelijk belastingplichtige uitnodigen tot het doen van aangifte (artikel 6, eerste lid, van de AWR). Dat uitnodigen gebeurt door het uitreiken of toezenden van een aangiftebrief waaruit onder andere blijkt op welke wijze aangifte moet worden gedaan (artikel 4a van de Uitvoeringsregeling AWR). Op grond van artikel 8, eerste lid, van de AWR is ieder die tot het doen van aangifte is uitgenodigd, verplicht aangifte te doen door de in de uitnodiging gevraagde gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud op bij ministeriële regeling te bepalen wijze in te vullen, te ondertekenen en in te leveren of toe te zenden.
26. Met betrekking tot de in artikel 2.17, zevende lid, van de Wet IB 2001 genoemde keuze voor zogenoemd voljaarspartnerschap, stellen eisers dat in de aangifte van zowel erflater als diens echtgenote is vermeld dat gedurende het gehele jaar sprake was van partnerschap. Daaruit, en uit het feit dat beide aangiften zodanig zijn ingevuld dat alle gemeenschappelijke inkomensbestanddelen zijn toegerekend aan erflater, blijkt aldus eisers dat gekozen is voor partnerschap gedurende het gehele jaar.
Verweerder stelt dat de keuze voor voljaarspartnerschap uitsluitend door middel van het uitgereikte F-biljet kon worden gemaakt. Omdat de aangifte niet met gebruikmaking van dat biljet is gedaan hebben eisers niet kunnen kiezen voor voljaarspartnerschap.
27. In de aangifte van erflater zijn op verschillende plaatsen en op consequente wijze aanwijzingen te vinden dat de opsteller beoogde uit te gaan van voljaarspartnerschap. Naar het oordeel van de rechtbank is dat echter ontoereikend voor het tot uitdrukking brengen van de in artikel 2.17, zevende lid, van de Wet IB 2001 bedoelde keuze voor voljaarspartnerschap. Uit die bepaling, gelezen in samenhang met het bepaalde in artikel 8, eerste lid, en artikel 6, eerste lid, van de AWR en artikel 4a van de Uitvoeringsregeling AWR, volgt dat de keuze moet worden gemaakt door middel van het uitgereikte aangifteformulier. De rechtbank overweegt daarbij dat het belang van dat voorschrift in dit kader blijkt uit het door verweerder overgelegde voorbeeld van een F-biljet, waarin de keuzemogelijkheid voor het voljaarspartnerschap nadrukkelijk aan de orde komt en uitgebreid is toegelicht. De rechtbank is daarom van oordeel dat niet op de voorgeschreven wijze is gekozen voor voljaarspartnerschap, zodat geen sprake kan zijn van gemeenschappelijke inkomensbestanddelen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur daarom terecht, met toepassing van het in artikel 2.17, eerste lid, van de Wet IB 2001 neergelegde uitgangspunt, de aanmerkelijkbelangwinst volledig aan erflater toegerekend.
28. Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
29. Nu eisers geen afzonderlijke beroepsgronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente hebben aangevoerd, dient ook het beroep inzake de beschikking heffingsrente ongegrond te worden verklaard.
30. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.