GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.301.590/01
Arrrest van 9 november 2021 in het incident in de zaak van:
1. [eiser1] ,
die woont in [woonplaats1] ,
2. [eiseres2],
die woont in [woonplaats2] ,
3. [eiseres3],
die woont in [woonplaats3] ,
4. [eiseres4],
die woont in [woonplaats3] ,
eisers in de hoofdzaak,
verzoekers in het incident,
hierna gezamenlijk te noemen: [eisers] c.s.,
advocaat: mr. L.H. Haarsma, die kantoor houdt in Paterswolde,
tegen
[gedaagde] ,
die woont in [woonplaats1] ,
hierna: [gedaagde],
gedaagde in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
advocaat: mr. R.G.A. Luinstra, die kantoor houdt in Groningen.
1. Het procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit de dagvaarding van 12 oktober 2021 met conclusie tot vernietiging van de tussen partijen op 12 december 2019 en 12 juli 2021 gewezen arbitrale vonnissen, met veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 1.021.681,88 met nevenvorderingen.
In deze dagvaarding is tevens opgenomen het verzoek om de tenuitvoerlegging van het arbitrale eindvonnis van 12 juli 2021 bij wijze van incident te schorsen.
Op grond van het griffiedossier wordt vandaag beslist over het incident.
2. Het geschil en de arbitrale procedure
Partijen zijn erfgenamen van wijlen [de moeder] (hierna: moeder). Uit het huwelijk van moeder en wijlen [de vader] (hierna: vader) zijn vier kinderen geboren: [eiser1] , [eiseres2] , [gedaagde] en [naam1] . [naam1] is overleden [in] 2021. [eiseres3] en [eiseres4] zijn de kinderen van [naam1] en zij zijn door plaatsvervulling erfgenamen van moeder.
Vader en [gedaagde] hebben vanaf 1 juni 1974 een landbouwbedrijf in [woonplaats1] geëxploiteerd in maatschapsverband. Vader is in 2002 overleden. Moeder en [gedaagde] hebben de maatschap voortgezet tot 2017. In februari 2017 zijn de boerderij, het bedrijf en enkele percelen grond verkocht. De opbrengst van € 1.151.963,13 is aanvankelijk bij de notaris in een depot geplaatst.
Tussen moeder en [gedaagde] is een geschil ontstaan over de verdeling van de verkoopopbrengst. [gedaagde] heeft conservatoir beslag gelegd op de gelden in het depot. Op 1 december 2017 is een arbitrageprocedure gestart tussen moeder en [gedaagde] bij het Nederlands Arbitrage Instituut (NAI).
Moeder is op 28 december 2020 overleden. Omdat de zaak in staat van wijzen was, heeft het scheidsgerecht [eisers] c.s. niet als partij toegelaten en op 12 juli 2021 het arbitrale eindvonnis gewezen. In dat eindvonnis is moeder veroordeeld om aan [gedaagde] € 867.095,98 te betalen uit het depot bij de notaris, met bijkomende veroordelingen. In totaal is moeder veroordeeld tot betaling aan [gedaagde] van € 1.138.564,48.
[gedaagde] heeft het arbitraal eindvonnis op 12 en 13 juli 2021 aan [eisers] c.s. laten betekenen. Op 15 juli 2021 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland verlof verleend aan [gedaagde] tot tenuitvoerlegging van het arbitraal eindvonnis van 12 juli 2021. [gedaagde] heeft dit verlof op 16 juli 2021 aan [eisers] c.s. laten betekenen.
In een executiegeschil hebben [eisers] c.s. in kort geding gevorderd dat [gedaagde] wordt veroordeeld de tenuitvoerlegging van het arbitraal eindvonnis van 12 juli 2021 te staken en tot opheffing van het beslag op de gelden bij de notaris, met bijkomende vorderingen. Bij vonnis van 9 september 2021 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland deze vorderingen afgewezen. Tegen dit kortgedingvonnis hebben [eisers] c.s. hoger beroep aangetekend (reg.nr. 200.301.793/01).
Op 15 september 2021 heeft de notaris € 1.021.681,88 aan [gedaagde] uitbetaald. [eisers] c.s. hebben onder [gedaagde] conservatoir beslag gelegd op deze gelden.
3. De beoordeling in het incident
De hoofdzaak (de vordering tot vernietiging van het arbitraal vonnis) wordt gevoerd met toepassing van de regels van de dagvaardingsprocedure. Dit volgt uit art. 1064a Rv. De vordering tot vernietiging schorst de tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis niet (art. 1066 lid 1 Rv). Het incident tot schorsing wordt ingeleid met een verzoekschrift (art. 1066 lid 2 Rv) en de procedure die daarop volgt, wordt gevoerd met toepassing van de regels van de verzoekschriftprocedure (art. 1072a Rv).
In de dagvaarding van 12 oktober 2021 is het verschil in deze procedureregels niet onderkend en is het schorsingsverzoek gepresenteerd als ware het een schorsingsincident van gelijke aard als dat van artikel 351 Rv. In beginsel zou het hof [eisers] c.s. met toepassing van artikel 69 Rv in de gelegenheid moeten stellen om het schorsingsverzoek alsnog op de juiste wijze in te leiden.
Uit proceseconomische overwegingen zal het hof hiertoe niet overgaan. De reden hiervoor is dat het verzoek voor afwijzing gereed ligt omdat [eisers] c.s. bij toewijzing daarvan geen voldoende belang hebben zoals bedoeld in art. 3:303 BW. Immers, [eisers] c.s. hebben zelf aangevoerd dat de notaris op 15 september 2021 € 1.021.681,88 aan [gedaagde] heeft uitbetaald ter uitvoering van het arbitraal eindvonnis van 12 juli 2021. De tenuitvoerlegging is daarmee voltooid, zodat er niets (meer) valt te schorsen. De omstandigheid dat [eisers] c.s. conservatoir beslag hebben gelegd op de gelden die door de notaris aan [gedaagde] zijn uitbetaald, maakt dit niet anders.
De hoofdzaak zal naar de rol worden verwezen om voort te procederen. De kosten van dit incident komen voor rekening van [eisers] c.s.
De beslissing
Het hof:
in het incident
wijst het verzoek af;
veroordeelt [eisers] c.s. in de kosten van dit incident, aan de zijde van [gedaagde] vastgesteld op nihil;
in de hoofdzaak
verwijst de zaak naar de rol van 21 december 2021 voor conclusie van antwoord.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Kuiper, M.W. Zandbergen en J. Smit, en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 9 november 2021.