GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
De beslissing van de kantonrechter
zittingsplaats Leeuwarden
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 20 december 2018, betreffende
wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 230,- voor: “op een kruispunt niet de richting volgen die de voorsorteerstrook aangeeft”. Deze gedraging zou zijn verricht op 13 augustus 2017 om 15.16 uur op de Piet Heinkade in Amsterdam met het voertuig met het kenteken [YY-YY-00] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert onder meer aan dat de gedraging niet is begaan. Op basis van artikel 7:18 van de Algemene wet bestuursrecht hadden de op de zaak betrekking hebbende stukken moeten worden verstrekt. Uit de verklaring van de ambtenaar blijkt dat er een filmopname van de gedraging is gemaakt, maar die is niet verstrekt. Daarnaast is het proces-verbaal zeer algemeen. Er wordt in verwezen naar de film, maar zowel officier van justitie als de gemachtigde hebben deze film niet gezien. Door de officier van justitie is aan de ambtenaar verzocht om aan te geven of de ambtenaar direct zicht had op het voertuig van de betrokkene en om een schermafdruk van de foto waaruit blijkt dat de gedraging is begaan. Hier is niet op gereageerd. Zonder dit bewijs is het niet aannemelijk dat de ambtenaar te midden van 1000 motorrijders heeft kunnen vaststellen dat de gedraging is begaan.
3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik zag dat betrokkene als bestuurder gebruik maakte van de voorsorteerstrook met een pijl die wees in de richting links en dat betrokkene geen gevolg gaf aan deze op de voorsorteerstrook aangegeven richting. Betrokkene reed in de richting: rechtdoor. Ik zag dat de overtreding plaatsvond ter hoogte van de kruising/splitsing Piet Heinkade/blauwhoedenveem.Wij, verbalisanten, waren belast met het toezicht op de verkeersveiligheid in verband met ‘the ride out of the century’, waaraan ongeveer 1000 motoren deelnamen, welke veelvuldig verkeersovertredingen pleegden. Wij, verbalisanten, reden over de Piet Heinkade, komende uit de richting van het Centraal Station en gaande in de richting van de Piet Heintunnel. Wij zagen dat wij aldaar links in werden gehaald door motorrijders welke het voorsorteervak voor linksaf gebruikten en hierdoor een rij wachtende auto’s voor rechtdoor inhaalden. Wij zagen dat de motoren op de kruising alsnog rechtdoor reden en zich midden op de kruising tussen het rechtdoor rijdende verkeer propten. Wij zagen dat automobilisten hierdoor moesten remmen en het verkeer daardoor op de kruising werd opgehouden. Wij zagen dat de rijrichtingen duidelijk zichtbaar waren op het wegdek. Tevens gaven de verkeerslichten ook de te volgen rijrichting aan. Wij, verbalisanten, hebben de overtredingen en de overtreders gefilmd en aan de hand daarvan de motorrijders op kenteken beboet.”
5. Het is vaste rechtspraak dat op verzoek van de indiener van het beroepschrift de op de zaak betrekking hebbende stukken dienen te worden verstrekt. In zaken als deze gaat het om het zaakoverzicht en – indien van toepassing – de foto’s van de gedraging. Andere stukken behoeven geen deel uit te maken van het dossier. Dit is alleen anders indien redelijkerwijs twijfel bestaat over de aspecten waarop die informatie betrekking heeft (vgl. het arrest van het hof van 17 oktober 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:8247).
6. Naar oordeel van het hof is de filmopname in onderhavig geval een op de zaak betrekking hebbend stuk in de zin van artikel 7:18 van de Algemene wet bestuursrecht. Uit de verklaring van de ambtenaren blijkt dat de filmopname is gebruikt om de sanctie op te kunnen leggen. De ambtenaar heeft bij de oplegging van de sanctie gebruik gemaakt van de filmbeelden om het kenteken vast te stellen. Gelet hierrop had de officier van justitie de filmopname of een schermafbeelding met daarop het voertuig en het kenteken aan het dossier moeten toevoegen en in reactie op het verzoek om toezending van de op de zaak betrekking hebbende stukken verstrekken aan de gemachtigde.
7. De advocaat-generaal heeft in het verweerschrift aangegeven dat de videobeelden niet meer beschikbaar zijn. Gelet op wat de gemachtigde heeft aangevoerd ten aanzien van de vaststelling van de gedraging en nu filmopname niet meer voor handen is, kan de inleidende beschikking niet in stand blijven. De overige bezwaren van de gemachtigde behoeven daarom geen bespreking meer.
8. Gelet op het voorgaande zal hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen en doen wat de kantonrechter had behoren te doen, te weten het beroep gegrond verklaren, de beslissing van de officier van justitie en de inleidende beschikking vernietigen en bepalen dat het bedrag van de zekerheidstelling aan de betrokkene wordt gerestitueerd.
9. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van een administratief beroepschrift, een beroepschrift bij de kantonrechter, een hoger beroepschrift en een aanvullende toelichting daarop dienen in totaal 3,5 procespunten te worden toegekend. Ook aan het telefonisch horen dient één punt te worden toegekend. Gelet op de door de gemachtigde geleverde inspanning zal het hof met gebruikmaking van de matigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, het voor het horen door de officier van justitie toegekende punt halveren. De waarde per punt bedraagt € 534,- en gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1068,-.
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 1068,-.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.