GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.276.664/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland NL19.14329)
arrest van 12 oktober 2021
in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [woonplaats1] ,
appellant,bij de rechtbank: eiser,
hierna: [appellant],
advocaat: mr. F.M. Postma, die kantoor houdt te Joure,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats1] ,
geïntimeerde,
bij de rechtbank: gedaagde,
hierna: [geïntimeerde],
advocaat: mr. S.H Eman, die kantoor houdt te 's-Gravenhage.
1. De verdere procedure bij het hof
Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 3 november 2020 hier over.
Op grond van dit tussenarrest heeft op 27 september 2021 een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Het hiervan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich in afschrift bij de stukken. De overige processtukken zijn ter voorbereiding op de mondelinge behandeling overgelegd.
Aan het slot van de mondelinge behandeling is een datum voor arrest vastgesteld.
2. Waar gaat het in deze zaak om?2.1 [appellant] verwijt [geïntimeerde] dat hij in 2010 fouten heeft gemaakt bij het maken van zogenaamde statische berekeningen voor de bouw van een opslagloods op het erf van het agrarische bedrijf van [geïntimeerde] . [appellant] wil dat [geïntimeerde] de door hem daardoor geleden schade - de loods is verzakt en daardoor nagenoeg onbruikbaar - vergoedt. [geïntimeerde] bestrijdt dat hij fouten heeft gemaakt, maar beroept zich allereerst op verjaring van de vordering van [appellant] . 2.2 De rechtbank heeft het beroep op verjaring gehonoreerd en de vordering van [geïntimeerde] om die reden afgewezen. Het hof komt tot diezelfde conclusie. Deze beslissing zal hierna worden gemotiveerd. Het hof zal eerst de relevante feiten vermelden en daarna de argumenten van partijen bespreken aan de hand van de bezwaren (‘grieven’) van [appellant] tegen het vonnis van de rechtbank. 3. De relevante feiten3.1 [appellant] , die een agrarisch bedrijf te [woonplaats1] heeft, heeft in het voorjaar van 2009 aan Bouwkundig Ontwerpbureau [naam1] (hierna: [naam1] ) opdracht gegeven voor de bouw van een opslagloods op zijn bedrijfsterrein.3.2 In december 2009 heeft [appellant] opdracht gegeven aan [geïntimeerde] om de statistische berekeningen te maken ten behoeve van dit ontwerp. Deze berekeningen zijn onder meer nodig om een bouwvergunning te kunnen krijgen. [geïntimeerde] heeft de berekeningen in februari 2010 aangeleverd. Hij heeft € 1.350,- voor zijn werkzaamheden bij [appellant] in rekening gebracht. [appellant] heeft dit bedrag in maart 2010 betaald. 3.3 [appellant] heeft Bouwbedrijf [naam2] (hierna: [naam2] ) in juni 2010 opdracht gegeven de loods te bouwen. [naam2] is in juli 2010, nadat de bouwvergunning was verleend, met de bouw begonnen. De loods is in september 2010 opgeleverd. 3.4 Op enig moment - volgens [appellant] vanaf 2011 - zijn er problemen met de constructie van de loods ontstaan. Er ontstonden scheuren en verzakkingen. 3.5 [appellant] heeft onderzoeksbureau Lok Dienstverlening (hierna: Lok) opdracht gegeven onderzoek te doen naar de problemen aan de loods. Lok heeft op 19 december 2014 schriftelijk gerapporteerd. Ten behoeve van het onderzoek van Lok heeft [geïntimeerde] nieuwe statistische berekeningen gemaakt.3.6 Op 26 november 2015 hebben [appellant] en [naam2] (schriftelijk vastgelegde) afspraken gemaakt over herstel van de staalconstructie van de loods door [naam2] . De herstelwerkzaamheden hebben niet het gewenste resultaat opgeleverd. 3.7 Op 15 december 2016 heeft [naam3] B.V. schriftelijk gerapporteerd over een in opdracht van [appellant] verricht onderzoek naar de oorzaak van de problemen met de vloer van de loods. 3.8 [appellant] heeft in 2017 bij de rechtbank Overijssel een procedure aanhangig gemaakt tegen [naam1] , waarin hij aanspraak maakte op vergoeding van de door hem geleden schade vanwege de verzakkingen van de loods. Volgens [appellant] heeft [geïntimeerde] in 2010 fouten gemaakt bij de statische berekeningen en is [naam1] op grond van artikel 6:76 BW voor de fouten van haar hulppersoon [geïntimeerde] aansprakelijk. [naam1] heeft [geïntimeerde] in die procedure in vrijwaring opgeroepen. De rechtbank Overijssel heeft de vordering van [appellant] op [naam1] in haar vonnis van 29 augustus 2018 afgewezen, omdat [geïntimeerde] geen hulppersoon van [naam1] is. Op 27 maart 2019 heeft die rechtbank de vrijwaringsvordering ook afgewezen. 3.9 In een brief van 28 januari 2019 heeft de advocaat van [appellant] [geïntimeerde] aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden schade ten gevolge van door [geïntimeerde] gemaakte fouten in de statische berekeningen uit 2010.4. De beoordeling van het geschilInleiding en (juridische) uitgangspunten 4.1 Het meest vergaande verweer van [geïntimeerde] tegen de vordering van [appellant] is dat de vordering is verjaard. Als dat verweer slaagt, kunnen de andere verweren van [geïntimeerde] - [appellant] heeft zijn klachtplicht geschonden en [geïntimeerde] heeft geen fout gemaakt bij het maken van de statische berekeningen - onbesproken blijven. 4.2 Op grond van artikel 3:310 lid 1 BW verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade door verloop van vijf jaren na aanvang van de dag die volgt op de dag waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad gaat het bij deze bekendheid met de schade en de aansprakelijke persoon om daadwerkelijke bekendheid. Het enkele vermoeden van het bestaan van schade dan wel het enkele vermoeden welke persoon voor de schade aansprakelijk is, is onvoldoende. De verjaringstermijn begint pas te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is om een rechtsvordering tot vergoeding van schade in te stellen. Daarvan zal sprake zijn als de benadeelde voldoende zekerheid - die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn - heeft dat schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van een derde. Het tijdstip waarop dat het geval is, is afhankelijk van de relevante omstandigheden van het geval
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. F.M.C. Boesberg, M.W. Zandbergen en H. de Hek en is in
het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2021 door de rolraadsheer, in aanwezigheid van de
griffier.