PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/00108
Zitting 18 november 2022
CONCLUSIE
W.L. Valk
In de zaak
[eiser]
tegen
[verweerder]
Partijen worden hierna verkort aangeduid als [eiser] respectievelijk [verweerder] .
1. Inleiding en samenvatting
Deze zaak betreft de toepassing van de korte verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW. De vloer van een nieuw gebouwde opslagloods is gaan verzakken. Bij het ontwerp en de bouw van de loods waren drie partijen betrokken. Volgens de opdrachtgever had hij voor het eerst voldoende zekerheid over de identiteit van de aansprakelijke persoon nadat een deskundige had gerapporteerd. Het hof heeft echter aangenomen dat hij die zekerheid reeds eerder had. Diverse klachten tegen dit oordeel treffen mijns inziens doel.
2. Feiten en procesverloop
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:
(i) [eiser] , die een agrarisch bedrijf te [plaats] heeft, heeft in het voorjaar van 2009 aan [het bouwkundig ontwerpbureau] (hierna: [het bouwkundig ontwerpbureau] ) opdracht gegeven voor de bouw van een opslagloods op zijn bedrijfsterrein.
(ii) In december 2009 heeft [eiser] opdracht gegeven aan [verweerder] om de statische berekeningen te maken ten behoeve van dit ontwerp. Deze berekeningen zijn onder meer nodig om een bouwvergunning te kunnen krijgen. [verweerder] heeft de berekeningen in februari 2010 aangeleverd. Hij heeft € 1.350,— voor zijn werkzaamheden bij [eiser] in rekening gebracht. [eiser] heeft dit bedrag in maart 2010 betaald.
(iii) [eiser] heeft [het bouwbedrijf] (hierna: [het bouwbedrijf] ) in juni 2010 opdracht gegeven de loods te bouwen. [het bouwbedrijf] is in juli 2010, nadat de bouwvergunning was verleend, met de bouw begonnen. De loods is in september 2010 opgeleverd.
(iv) Op enig moment – volgens [eiser] vanaf 2011 – zijn er problemen met de constructie van de loods ontstaan. Er ontstonden scheuren en verzakkingen.
(v) [eiser] heeft [het onderzoeksbureau] (hierna: [het onderzoeksbureau] ) opdracht gegeven onderzoek te doen naar de problemen aan de loods. [het onderzoeksbureau] heeft op 19 december 2014 schriftelijk gerapporteerd. Ten behoeve van het onderzoek van [het onderzoeksbureau] heeft [verweerder] nieuwe statische berekeningen gemaakt.
(vi) Op 26 november 2015 hebben [eiser] en [het bouwbedrijf] (schriftelijk vastgelegde) afspraken gemaakt over herstel van de staalconstructie van de loods door [het bouwbedrijf] . De herstelwerkzaamheden hebben niet het gewenste resultaat opgeleverd.
(vii) Op 15 december 2016 heeft [A] B.V. (hierna [A] ) schriftelijk gerapporteerd over een in opdracht van [eiser] verricht onderzoek naar de oorzaak van de problemen met de vloer van de loods.
(viii) [eiser] heeft in 2017 bij de rechtbank Overijssel een procedure aanhangig gemaakt tegen [het bouwkundig ontwerpbureau] , waarin hij aanspraak maakte op vergoeding van de door hem geleden schade vanwege de verzakkingen van de loods. Volgens [eiser] heeft [verweerder] in 2010 fouten gemaakt bij de statische berekeningen en is [het bouwkundig ontwerpbureau] op grond van art. 6:76 BW voor de fouten van haar hulppersoon [verweerder] aansprakelijk. [het bouwkundig ontwerpbureau] heeft [verweerder] in die procedure in vrijwaring opgeroepen. De rechtbank Overijssel heeft de vordering van [eiser] op [het bouwkundig ontwerpbureau] in haar vonnis van 29 augustus 2018 afgewezen, omdat [verweerder] geen hulppersoon van [het bouwkundig ontwerpbureau] is. Op 27 maart 2019 heeft die rechtbank de vrijwaringsvordering ook afgewezen.
(ix) In een brief van 28 januari 2019 heeft de advocaat van [eiser] [verweerder] aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden schade ten gevolge van door [verweerder] gemaakte fouten in de statische berekeningen uit 2010.
Bij procesinleiding van 18 juni 2019 heeft [eiser] onder meer veroordeling van [verweerder] gevorderd tot betaling van schadevergoeding ten bedrage van € 128.751,21 voor herstelkosten, € 3.462,11 voor kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, alsook verwijzing naar de schadestaat voor geleden gevolgschade.
De rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, heeft bij vonnis van 13 januari 2020 de vorderingen van [eiser] afgewezen.
Bij eindarrest van 12 oktober 2021 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, dat vonnis bekrachtigd.
De dragende overwegingen van het hof – voor zover in cassatie van belang – laten zich als volgt samenvatten:
Inleiding en (juridische) uitgangspunten
a. Het meest vergaande verweer van [verweerder] is dat de vordering van [eiser] is verjaard. Als dat verweer slaagt, kunnen de andere verweren van [verweerder] onbesproken blijven. (onder 4.1)
b. Het hof geeft de stand van de rechtspraak met betrekking tot de korte verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW weer. (onder 4.2)
c. Tussen partijen staat niet ter discussie dat [eiser] met de brief van zijn advocaat van 28 januari 2019 voor het eerst een stuitingshandeling heeft verricht, zodat voor het antwoord op de vraag of de vordering van [eiser] is verjaard, doorslaggevend is of [eiser] (uiterlijk) op 28 januari 2014 bekend was met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. (onder 4.3)
De vordering is verjaard
d. In 2012 reeds was [eiser] bekend met een mogelijk gebrek aan de vloer en met de persoon die daarvoor volgens [het bouwkundig ontwerpbureau] verantwoordelijk was: [verweerder] , degene die sterkteberekeningen had gemaakt. De kern van de feitelijke grondslag van een eventuele vordering was hem toen bekend: hij had schade en die schade was het gevolg van een foute berekening door [verweerder] . (onder 4.6)
e. [eiser] heeft gelijk dat wanneer [verweerder] in het telefoongesprek in 2012 vervolgens het bestaan van schade heeft ontkend of gerelativeerd, het in het licht van het arrest van de Hoge Raad van 9 oktober 2020 de vraag is of [eiser] voldoende zekerheid had over de schade en [verweerder] als aansprakelijke persoon voor die schade. Omdat de problemen niet stabiliseerden maar slechts toenamen, kon [eiser] op de eventueel door [verweerder] gedane geruststellende mededelingen echter niet meer vertrouwen. In de loop van 2013, uiterlijk 1 januari 2014, beschikte hij over voldoende zekerheid dat sprake was van schade en dat [verweerder] de aansprakelijke persoon voor deze schade was, of een van de aansprakelijke personen. (onder 4.7)
f. Uit het voorgaande volgt dat de verjaringstermijn in elk geval in 2013, dus vóór 28 januari 2014 is gaan lopen, ook wanneer de stellingen van [eiser] over de door [verweerder] gedane geruststellende mededelingen juist zijn. Dat betekent dat de rechtsvordering van [eiser] op [verweerder] is verjaard. (onder 4.8)
g. Wat er vervolgens is gebeurd, is voor het vaststellen van het begin van de verjaringstermijn niet relevant. (onder 4.9)
Bij procesinleiding van 12 januari 2022 heeft [eiser] tijdig cassatieberoep ingesteld. [verweerder] heeft verweer gevoerd en zijn standpunt schriftelijk doen toelichten. Namens [eiser] is vervolgens nog gerepliceerd.
3. Bespreking van het cassatiemiddel
Het middel bestaat uit drie onderdelen, waarvan het derde enkel voortbouwklachten bevat.
Zowel het eerste als het tweede onderdeel zien op de zogenaamde korte verjaringstermijn (de vijfjaarstermijn) van art. 3:310 lid 1 BW. De rechtspraak over die termijn, ook van uw Raad, is overvloedig. Het meest recente arrest, namelijk van 22 april 2022, stelt het volgende voorop:
‘3.2 Art. 3:310 lid 1 BW bepaalt, voor zover hier van belang, dat een rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet de eis dat de benadeelde bekend is geworden met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon aldus worden opgevat dat het hier gaat om een daadwerkelijke bekendheid, zodat het enkele vermoeden van het bestaan van schade dan wel het enkele vermoeden welke persoon voor de schade aansprakelijk is, niet volstaat. De verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW begint pas te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de door hem geleden schade in te stellen. Daarvan zal sprake zijn als de benadeelde voldoende zekerheid – die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn – heeft verkregen dat schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon. Het antwoord op de vraag op welk tijdstip de verjaringstermijn is gaan lopen, is afhankelijk van de relevante omstandigheden van het geval.’
Bepalend is dus het moment waarop de benadeelde daadwerkelijk bekend werd met zowel het bestaan van de schade als met de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon. Met betrekking tot beide geldt dat een vermoeden niet volstaat.
Onzekerheid over het bestaan van schade kan zich in allerlei vormen voordoen. In het geval de potentiële aansprakelijkheid een ondeugdelijke prestatie betreft, is mede van belang of de benadeelde de kennis en het inzicht heeft die nodig zijn om de deugdelijkheid van de prestatie te beoordelen. Zolang hem zulke kennis en inzicht ontbreekt, neemt de korte verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW geen aanvang.
Ook onzekerheid over de identiteit van de voor de schade aansprakelijke persoon kan zich in allerlei vormen voordoen. Te denken is niet alleen aan het geval dat de aansprakelijke persoon zijn identiteit verborgen heeft gehouden, maar ook aan onzekerheid in verband met de betrokkenheid van meerdere personen, als onduidelijk is wie van hen de schade heeft veroorzaakt. Ook in dit verband is een vermoeden onvoldoende (zie het citaat hiervoor 3.2). Noch minder volstaat dat de benadeelde de mogelijkheid onderkende dat de schade door een bepaalde persoon kan zijn veroorzaakt. Wel geldt in dit verband een beperkte onderzoeksplicht van de benadeelde: indien de identiteit van de aansprakelijke persoon met een beperkt onderzoek eenvoudig kan worden achterhaald, mag zulke beperkte inspanning van de benadeelde in beginsel worden verlangd.
In het voorgaande ligt besloten dat voor een aanvang nemen van de korte verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW niet voldoende is dat de benadeelde in staat is om een stuitingshandeling te verrichten. De verjaring stuiten zal hij in het algemeen spoedig kunnen, namelijk zodra hij zich maar de mogelijkheid van schade realiseert, alsook de mogelijkheid dat een bepaalde persoon daarvoor aansprakelijk is. Dat in staat zijn om een stuitingshandeling te kunnen verrichten inderdaad onvoldoende is, volgt reeds uit de tekst van de wet, maar past mijns inziens ook bij de billijkheid die met de korte verjaringstermijn wordt gediend (naast de rechtszekerheid). Van de benadeelde wordt terecht niet een maximale assertiviteit gevergd. Hoewel hij een stuitingshandeling kán verrichten als hij zich de mogelijkheid van schade realiseert en de mogelijkheid dat een bepaalde persoon aansprakelijk is, behoeft hij dat niet. Hij mag daarmee wachten tot hij voldoende zekerheid heeft. Dat is een alleszins redelijke opstelling, die in het belang is van goede verhoudingen tussen de betrokkenen. Met dit laatste heb ik niet alleen de waarde van beleefdheid en wellevendheid op het oog: ook vergroten goede verhoudingen de kans dat partijen minnelijk een oplossing bereiken.
Ik wijs er in dit verband nog op dat in voorkomende gevallen een aangesproken partij aan het leerstuk van de rechtsverwerking aanvullende bescherming kan ontlenen. Indien een benadeelde zich dient te realiseren dat voor mogelijk geleden schade een bepaalde partij mogelijk aansprakelijk is en ook dat voor het veiligstellen van de bewijspositie van die partij nodig is dat hij haar daarop wijst (omdat die partij daarop mogelijk niet bedacht is), kan het achterwege laten van een zodanige mededeling aan latere rechtsuitoefening in de weg staan.
Ik kom nu toe aan de bespreking van de onderdelen van het middel.
Onderdeel 1 richt zich tegen de rechtsoverwegingen 4.6 tot en met 4.8 van het arrest van het hof. Deze overwegingen luiden als volgt:
‘4.6 Volgens de eigen stellingen van [eiser] heeft hij in 2012 met [verweerder] gebeld. Op dat moment zakte de vloer en had [het bouwkundig ontwerpbureau] al aangegeven dat [verweerder] verantwoordelijk was, zo heeft [eiser] bij gelegenheid van de mondelinge behandeling bij de rechtbank verklaard. Op dat moment was [eiser] dus bekend met een mogelijk gebrek aan de vloer en met de persoon die daarvoor (mede) verantwoordelijk was: [verweerder] , degene die sterkteberekeningen had gemaakt. [eiser] kende op dat moment de relevante feiten en omstandigheden over de schade en de aansprakelijke persoon. De kern van de feitelijke grondslag van een eventuele vordering was hem toen bekend: hij had schade en die schade was het gevolg van een foute berekening door [verweerder] .
4.7 [eiser] heeft gelijk dat wanneer [verweerder] in het bewuste telefoongesprek vervolgens het bestaan van schade heeft ontkend of gerelativeerd, het in het licht van het arrest van de Hoge Raad van 9 oktober 2020 de vraag is of [eiser] voldoende zekerheid had over de schade en [verweerder] als aansprakelijke persoon voor die schade. Indien [verweerder] toen, zoals [eiser] heeft aangevoerd, heeft gezegd dat een zekere verzakking normaal was en dat hij zich geen zorgen hoefde te maken, is goed verdedigbaar dat [eiser] op dat moment op deze geruststellende mededeling van de door hem ingeschakelde deskundige mocht vertrouwen. Maar volgens [eiser] zelf namen de problemen met de loods die vanaf 2011 aan het licht kwamen niet af en stabiliseerden ze ook niet, maar namen ze slechts toe. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling bij het hof heeft [eiser] verklaard dat in 2013 ook de wanden bol gingen staan en dat lekkage ontstond. Als [verweerder] in het telefoongesprek uit 2012 al een geruststellende mededeling heeft gedaan – [verweerder] ontkent dat overigens –, dan kon [eiser] daar niet (langer) het vertrouwen aan ontlenen dat geen sprake was van schade, toen vervolgens de problemen alleen maar toenamen. In de loop van 2013, uiterlijk 1 januari 2014, beschikte hij over voldoende zekerheid dat sprake was van schade en – gelet op het feit dat hij zich, al dan niet op advies van [het bouwkundig ontwerpbureau] , voor deze schade al tot [verweerder] had gewend – dat [verweerder] de aansprakelijke persoon voor deze schade was, of één van de aansprakelijke personen.
4.8 Uit het voorgaande volgt dat de verjaringstermijn in elk geval in 2013, dus vóór 28 januari 2014 is gaan lopen, ook wanneer de stellingen van [eiser] over de door [verweerder] gedane geruststellende mededelingen juist zijn. Dat betekent dat de rechtsvordering van [eiser] op [verweerder] is verjaard.’
Volgens de rechtsklacht van het onderdeel heeft het hof miskend dat een (enkel) vermoeden van de benadeelde dat een bepaalde persoon voor de schade aansprakelijk is, onvoldoende is om de korte verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW te doen aanvangen, omdat daarvoor nodig is dat de benadeelde voldoende zekerheid heeft dat die bepaalde persoon voor de schade aansprakelijk is.
Ik meen dat deze klacht feitelijke grondslag mist omdat zij de gedachtegang van het hof miskent. Die gedachtegang is als volgt:
1. [eiser] wist ten tijde van het telefoongesprek met [verweerder] in 2012 al dat voor zover de verzakking van de vloer een gebrek zou opleveren, [verweerder] de daarvoor verantwoordelijke persoon was, omdat [verweerder] de sterkteberekeningen had gemaakt.
2. Omdat [verweerder] in het telefoongesprek heeft gezegd dat een zekere verzakking normaal was en [eiser] zich geen zorgen behoefde te maken, is het de vraag of [eiser] in 2012 reeds voldoende zekerheid had over het bestaan van schade en over de aansprakelijkheid van [verweerder] .
3. Toen in 2013 de wanden bol gingen staan en lekkage ontstond, had [eiser] zulke voldoende zekerheid over het bestaan van schade en over de aansprakelijkheid van [verweerder] echter alsnog wél.
Volgens het hof verkeerde [eiser] dus niet in onzekerheid over de vraag wie de eventueel aansprakelijke persoon was, [verweerder] , dan wel in plaats daarvan [het bouwkundig ontwerpbureau] of [het bouwbedrijf] . Of dit oordeel ook begrijpelijk is, is met de rechtsklacht van het onderdeel nog niet aan de orde. Volgens het hof wist [eiser] dat voor zover de verzakking van de vloer verder zou gaan dan volgens wat normaal is (en er dus van een gebrek sprake zou zijn) [verweerder] aansprakelijk was. Het slot van rechtsoverweging 4.7 (‘of één van de aansprakelijke personen’) laat wel de mogelijkheid open dat naast [verweerder] er nog andere aansprakelijke personen zouden kunnen zijn, maar niet dat [verweerder] niet aansprakelijk zou zijn. Het hof is dus niet uitgegaan van een bij [eiser] bestaand vermoeden omtrent de identiteit van [verweerder] als de aansprakelijke persoon, maar van bij [eiser] daaromtrent bestaande zekerheid.
Ook onderdeel 2 richt zich tegen rechtsoverwegingen 4.6 tot en met 4.8 (hiervoor 3.9 aangehaald). Het onderdeel bevat diverse klachten, zowel rechtsklachten als motiveringsklachten. Mijns inziens treffen diverse van die klachten doel.
Het oordeel van het hof dat [eiser] voldoende zekerheid had dat [verweerder] voor de schade aansprakelijk was, berust op de eigen verklaring van [eiser] dat [het bouwkundig ontwerpbureau] had aangegeven dat [verweerder] verantwoordelijk was omdat deze de sterkteberekeningen had gemaakt (zie rechtsoverweging 4.6 en de laatste zin van rechtsoverweging 4.7). De bedoelde verklaring van [eiser] luidt in zijn verband als volgt:
‘In 2012 heb ik gebeld met [verweerder] en gezegd dat de vloer zakte. Dat zou geen probleem zijn. Ik kon toen nog niet zien dat de hele loods zakte. De meeste contacten zijn met [het bouwkundig ontwerpbureau] geweest. [het bouwkundig ontwerpbureau] heeft toen aangegeven dat [verweerder] verantwoordelijk was. Ik ben toen naar de DAS rechtsbijstand gestapt en ik heb alles uit handen gegeven. De DAS wilde eerst twee deskundigen rapporten hebben. Dat duurde allemaal lang.’
Op deze nogal terloopse verklaring van [eiser] dat [het bouwkundig ontwerpbureau] had aangegeven dat [verweerder] verantwoordelijk was, bouwt het hof dus zijn oordeel dat [eiser] reeds in 2012 voldoende zekerheid had dat het [verweerder] was die voor een meer dan normale verzakking van de vloer verantwoordelijk was en daarom de aansprakelijke persoon.
In het licht van wat de verklaring inhoudt en het partijdebat is dat onbegrijpelijk. De verklaring noemt geen door [het bouwkundig ontwerpbureau] opgegeven redenen waarom alleen een fout in de door [verweerder] gemaakte berekeningen de oorzaak van de verzakking kon zijn. Zoals in de stellingen van [eiser] in feitelijke aanleg besloten ligt, kan – zoals me ook van algemene bekendheid lijkt te zijn – een meer dan gewone verzakking van de vloer behalve op een ontwerpfout veroorzaakt door een fout in de sterkteberekeningen, ook berusten op een fout in de uitvoering van het werk. Die uitvoering was niet de verantwoordelijkheid van [verweerder] maar van [het bouwbedrijf] als aannemer. Niet voor niets zag het onderzoek van de ingeschakelde deskundige [het onderzoeksbureau] uit 2014 mede op de uitvoering van het werk. Daarnaast is nog te denken aan een andersoortige ontwerpfout, niet berustend op de sterkteberekeningen van [verweerder] . In dat geval zou [het bouwkundig ontwerpbureau] de aansprakelijke persoon zijn geweest. Hoe dan ook, de omstandigheid dat [het bouwkundig ontwerpbureau] met de vinger naar [verweerder] wees, levert voor [eiser] geen zekerheid op (ook niet een betrekkelijke zekerheid) dat inderdaad [verweerder] voor de schade aansprakelijk was. Althans zonder nadere motivering is het oordeel van het hof dat [eiser] voldoende zekerheid had dat [verweerder] de aansprakelijke persoon was, niet begrijpelijk.
Terecht klaagt het onderdeel onder 2.1.1 erover dat het hof niet heeft vastgesteld dat [eiser] over de juiste kennis en het juiste inzicht beschikte om te kunnen nagaan of de prestatie van [verweerder] (de sterkteberekeningen) deugdelijk was, omdat immers het ‘bouwkundig handelen’ van meerdere personen ( [het bouwkundig ontwerpbureau] , [verweerder] en [het bouwbedrijf] ) in het geding was. Dit levert in ieder geval een motiveringsgebrek op.
In het verlengde hiervan slaagt ook de klacht onder 2.1.2, volgens welke het hof ten onrechte onbesproken heeft gelaten de essentiële stelling dat [eiser] geen bouwkundige is en daarom niet in staat om te beoordelen wat de oorzaak was van de verzakking/schade en wie hiervoor aansprakelijk is, en dat [eiser] daarom de deskundige [het onderzoeksbureau] heeft ingeschakeld.
Ook de motiveringsklacht onder 2.1.3 treft doel. Die klacht wijst weer op de betrokkenheid van, naast [verweerder] , ook [het bouwkundig ontwerpbureau] en [het bouwbedrijf] en het ontbreken bij [eiser] van de kennis en het inzicht die nodig zijn om de deugdelijkheid van hun respectieve prestaties te kunnen beoordelen.
Onder 2.2 richt de steller van het middel zich in het bijzonder op het ‘vingerwijzen’ door [het bouwkundig ontwerpbureau] in de richting van [verweerder] . Terecht voert hij onder meer aan dat zulk vingerwijzen door iemand die zelf behoort tot de groep van potentieel aansprakelijke personen, in het algemeen weinig gewicht in de schaal legt. Ook tegen die achtergrond is het oordeel van het hof onvoldoende begrijpelijk.
Bij bespreking van de overige klachten van het onderdeel bestaat geen belang meer.
De voortbouwklachten van onderdeel 3 behoeven geen bespreking.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G