Feit 1
Aan verdachte zijn onder feit 1 verschillende vormen van witwassen tenlastegelegd. Verdachte wordt verweten dat hij in de tenlastegelegde periode contante gelden door middel van facturen in zijn bedrijf heeft laten vloeien, giraal verstrekte geldleningen contant heeft afgelost, contante stortingen heeft gedaan op bankrekeningen en in privé contante uitgaven heeft gedaan. De totale contante geldstroom die hiermee gemoeid was bedraagt ongeveer
€ 5 miljoen. Verdachte heeft het feit ter terechtzitting in hoger beroep ontkend.
Standpunt Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft in hoger beroep gerekwireerd tot een bewezenverklaring van gewoontewitwassen. De advocaat-generaal heeft daartoe het volgende aangevoerd.
De verklaring van verdachte dat de contante geldstromen van markthandel afkomstig zijn kan – zoals de rechtbank terecht heeft vastgesteld – geen verklaring zijn voor de volledige contante geldstroom. Nu verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor de herkomst van de contante gelden kan het daarom niet anders zijn dan dat de contante gelden van misdrijf afkomstig zijn. Volgens het Openbaar Ministerie zijn er in deze zaak drie manieren waarop geld wordt witgewassen, namelijk:
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat de geldstromen afkomstig zijn uit de zogenoemde grijze AGF-handel. Daarmee heeft verdachte een concrete verifieerbare en niet op voorhand onwaarschijnlijke verklaring gegeven die niet of nauwelijks is onderzocht door het Openbaar Ministerie. Het bewijs voor witwassen ontbreekt.
Mocht het hof ondanks de door de verdediging gevoerde verweren tot een bewezenverklaring komen, zijn door de verdediging twee voorwaardelijke verzoeken gedaan.
Ten eerste is verzocht om nader onderzoek te doen naar het door de verdediging gevoerde verweer dat het geld afkomstig is uit de grijze omzet. Dat nader onderzoek zou moeten bestaan uit het horen van de vertegenwoordigers van de bedrijven:
Ten tweede is verzocht nader onderzoek te verrichten bij de hiervoor genoemde ondernemingen middels controle van de administratie en gesprekken met werknemers om vast te stellen of sprake was van grijze handel met verdachte.
Oordeel van het hof
Op hoofdlijnen is het hof van oordeel dat de rechtbank bij de beoordeling van de feiten de juiste toetsingsmaatstaven heeft gehanteerd en juiste afwegingen heeft gemaakt. Het hof kan zich grotendeels met de bewijsoverwegingen van de rechtbank verenigen en zal daarom in zoverre deze overwegingen hierna telkens voor zover relevant (cursief) overnemen en tot de zijne maken. Daar waar ‘rechtbank’ staat, moet nu ‘hof’ worden gelezen en waar het hof dit nodig acht zullen de overwegingen worden aangevuld.
Evenals de rechtbank dient het hof eerst te beoordelen of de contante gelden direct of indirect uit enig misdrijf afkomstig zijn. Verdachte heeft met betrekking tot de herkomst van de contante gelden aangevoerd dat deze afkomstig zijn uit de markthandel. De rechtbank heeft daarover het volgende overwogen.
“Per 29 maart 1999 is [bedrijf 1] enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 15] . Uit de geconsolideerde balans van [bedrijf 1] (inclusief [bedrijf 15] . ) over de jaren 2006 tot en met 2010 volgt dat de
brutowinstmarge is gestegen van 15,3 procent in 2006, naar 20,1 procent in 2007, naar 20,9 procent in 2008, naar 23,8 procent in 2009 en naar 31,5 procent in 2010. Dit is een stijging van meer dan 100 procent over de jaren 2006 tot en met 2010. De kostprijs van de inkopen bedroeg € 4.149.960,-- in 2006, € 3.641.491,-- in 2007, € 3.853.887,-- in 2008,
€ 3.741.137,-- in 2009 en € 3.759.406,-- in 2010. Van grote verschillen in de inkoop was
dus geen sprake. Deze kosten zijn over de periode 2006 tot en met 2010 bezien zelfs licht
afgenomen.
De rechtbank constateert dat de brutowinstmarge over de hiervoor vermelde periode fors is
gestegen, terwijl de inkoop min of meer gelijk is gebleven. Zoals ook door verdachte
betoogd kan deze stijging niet verklaard worden uit de contante markthandel.
Uit het dossier volgt allereerst dat de afzet aan markthandelaren al voor 2007 steeds meer
terugliep. Zo heeft verdachte verklaard dat [bedrijf 15] . zich steeds meer ging richten op supermarkten en dat de markthandel minder en minder werd. Ook getuige [getuige 1] heeft verklaard dat de markthandel minder werd en dat verdachte daarom op zoek is gegaan naar nieuwe bronnen. Volgens haar is toen in september of oktober 2007 [bedrijf 16] binnen
gekomen. Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat het aantal markthandelaren dat aan de zaak
kwam sterk is afgenomen. Voorheen waren het dertig handelaren en nu nog maar ongeveer
tien. Uit het dossier volgt daarnaast dat de winstmarges in de markthandel niet hoog waren. Zo verklaarde getuige [getuige 2] dat markthandelaren 'niet gevers' zijn, die voor een dubbeltje op de eerste rij willen zitten.
Nu de inkoop min of meer gelijk bleef maar de markthandel afnam, terwijl de marges in de
markthandel niet hoog waren en evenmin uit het dossier volgt dat die marges in de ten laste
gelegde periode dusdanig toenamen dat de stijging van de brutowinstmarge over de jaren
2006 tot en met 2010 daarmee kan worden verklaard, constateert de rechtbank dat er een
andere oorzaak moet zijn geweest voor die stijging.
Verdachte heeft verklaard dat hij constateerde dat betere marges behaald konden worden,
toen [bedrijf 15] . begon met het leveren aan supermarkten. Er kon een marge worden
behaald die tussen de 10 en 15 punten hoger ligt. [bedrijf 15] . heeft het bedrijf
[bedrijf 16] eind 2007 overgenomen en heeft vervolgens, eind 2010, het bedrijf [bedrijf 17]
overgenomen. Toen [bedrijf 17] onder
[bedrijf 15] . viel, is de naam veranderd in [bedrijf 18] . [bedrijf 16] en [bedrijf 18] zijn beide
leveranciers aan supermarkten, de retail. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat de stijging
van de brutowinstmarge kan worden verklaard door de overname van de bedrijven [bedrijf 16]
en [bedrijf 18] . De marges op de [bedrijf 18] -klanten en de supermarkten waren heel hoog. Op
die klanten werden heel grote winsten behaald, meer dan op markthandelaren.
Naar het oordeel van de rechtbank kan de stijging van de brutowinstmarge deels worden
verklaard door de hiervoor vermelde bedrijfsovernames, zij het slechts in beperkte mate aangezien uit de jaarrekening van 2009 en 2010 blijkt dat de winst uit de supermarkthandel niet veel invloed heeft gehad op de totale winst.
Het voorgaande levert echter geen verklaring op voor de contanten die verdachte in de ten
laste gelegde periode - kort gezegd - tot zijn beschikking had. Dat volgt uit het volgende.
In de jaren 2007 tot en met 2012 zijn op de zakelijke bankrekeningen van [bedrijf 15] . ,
de volgende geldbedragen contant gestort.
Bankrekening van de [bank 1] met rekeningnummer [rekeningnummer 1]
2007: € 1.467.349,--;
2008: € 1.508.665,--;
2009: € 632.810,--.
Bankrekening van de [bank 2] met rekeningnummer [rekeningnummer 2] .
2009: € 637.820,--;
Opmerking rechtbank: samen met de storing op de [bank 1] rekening in 2009 in totaal
€ 1.270.630,--.
2010: € 1.581.875,--;
2011: € 1.602.080,--;
2012: € 182.865,--.
Opmerking rechtbank: het bedrag van € 182.865,- ziet op contante stortingen in de
maanden januari en februari 2012.
Totaal: € 7.613.464,--. Bij dit bedrag zijn inbegrepen de hierna te bespreken 'facturen'.
Deze contante stortingen kunnen niet worden verklaard door de afzet aan supermarkten.
Verdachte heeft immers verklaard dat alle supermarkten per incasso of bank betaalden.
Daarnaast heeft getuige [getuige 1] verklaard dat binnen het concern [bedrijf 1]
de groothandel in groente en fruit plaatsvond binnen [bedrijf 15] . , dat ook
het kasverkeer in hoofdzaak plaatsvond binnen [bedrijf 15] . en dat met name door
markthandelaren contant werd betaald. Deze contanten werden bij de bank afgestort.
Verdachte heeft verklaard dat de markthandel een handel is waar veel contant wordt betaald. Tachtig procent van de markthandelaren betaalt nog steeds contant.
De contante stortingen kunnen naar het oordeel van de rechtbank echter bij lange na niet
worden verklaard uit de handel met markthandelaren. Zoals hiervoor is overwogen, nam de
markthandel af. Dit zou - gelet op het feit dat overwegend door markthandelaren contant
werd betaald - moeten leiden tot een afname van de contante stortingen, zeker nu het een feit van algemene bekendheid is dat het betalen per pintransactie op de markt, ook in de ten laste gelegde periode, gangbaarder werd. Uit het overzicht van contante storting en in de periode 2007 tot en met 2012 volgt echter dat de contante stortingen relatief gelijk bleven en in 2010 en 2011 zelfs stegen.
De rechtbank is aldus van oordeel dat een deel van de in het bedrijf gevloeide contante
gelden niet te verklaren is uit de legale fruithandel van [bedrijf 15] . De rechtbank zal
onder ‘facturen' nader ingaan op de wijze waarop verdachte contante gelden (…)
in de liquiditeitsstroom van [bedrijf 15] . heeft gebracht.”
Zoals verderop in dit arrest zal blijken gaat het hof – anders dan de rechtbank – niet uit van een bedrag van € 3.024.000,-- dat op basis van facturen contant is gestort in [bedrijf 15] . , maar van een bedrag van € 2.745.583,71. Voorts blijkt verderop in dit arrest dat verdachte vanaf eind 2010 tot en met medio 2012 op giraal verstrekte geldleningen in totaal ruim € 954.988,16 contant (buiten de administratie om) heeft afgelost. Daarnaast heeft hij gedurende de tenlastegelegde periode privé uitgaven gedaan van in ieder geval in totaal ruim € 834.000,--.
In de visie van verdachte zou dat betekenen dat de hierboven besproken geldstroom ter hoogte van ruim € 4.867.000 (€ 7.613.464,-- - € 2.745.583,71), afkomstig uit - "legale" - contante handel met marktkooplui, nog met ruim € 1.788.000 (€ 954.988,16 +
€ 834.000) vermeerderd zou moeten worden. Dat is gezien het bovenstaande volstrekt onaannemelijk. Niet gesteld is dat verdachte een andere legale inkomstenbron had. Evenmin bevat het dossier aanwijzingen daarvoor.
De rechtbank heeft voorts het volgende overwogen.
“De rechtbank merkt op dat in het hierna te bespreken onderdeel 'facturen' zal blijken dat niet alleen de tenaamstelling niet overeenkomt met de inhoud van de facturen, maar evenmin de opgevoerde colli. Dat gegeven ligt in lijn met de stelling dat de in die facturen vermelde transacties helemaal niet hebben plaatsgevonden. Dat kon ook niet, want de ingekochte AGF-producten waren al verkocht. Anders gezegd: wanneer de juiste colli bij de op de facturen voorkomende bedragen zouden zijn opgenomen, zou het volume van de inkoop vele malen groter moeten zijn geweest en ook in de loop der jaren toegenomen moeten zijn, hetgeen nu juist is gebleken van niet.
Daar komt bij dat verdachte op het hiervoor vermelde bankrekeningnummer van de [bank 1] in
de week van 24 januari 2007 tot en met 31 januari 2007 in totaal 36 biljetten van € 500,--
heeft gestort. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat deze biljetten zijn aangeboden door markthandelaren met wie hij handel dreef binnen [bedrijf 15] . Deze
markthandelaren hadden ook andere inkomsten dan uit de handel van groente en fruit,
bijvoorbeeld uit de autohandel. De markthandelaren wilden de biljetten wisselen en
verdachte kon daaraan tegemoet komen, omdat er een aanzienlijke contante geldstroom in
zijn bedrijf omging.
De rechtbank acht de verklaring van verdachte hieromtrent ongeloofwaardig. Allereerst is
het onaannemelijk dat een markthandelaar vanuit de handel in groente en fruit beschikt over biljetten van € 500,-. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat op de markt,
zeker als het gaat om groente en fruit, betaald wordt met kleine coupures. Daarnaast is niet
zonder meer begrijpelijk waarom autohandelaren de biljetten wilden wisselen, nu in de
autohandel grote geldbedragen omgaan en biljetten van € 500 juist handig zijn. Verder is niet zonder meer begrijpelijk waarom de biljetten van € 500,-- juist bij verdachte moesten worden gewisseld. Op deze wijze hoefden immers niet de autohandelaren de voor hen gangbare biljetten van € 500,- af te storten bij de bank, maar verdachte, in wiens bedrijfsvoering zulke biljetten juist ongebruikelijk waren.
Verder is op 18 juni 2012 in de auto van verdachte een kluiskoffer met daarin € 80.000,--
aangetroffen. Het bedrag bestond uit 8 pakjes van 50 biljetten van € 200,--. Volgens
verbalisanten betroffen het nieuwe biljetten.
Verdachte heeft verklaard dat de € 80.000,-- die is aangetroffen in zijn auto het bedrag is wat per saldo op dat moment in zijn bezit was en waarmee hij handel dreef of waarvan hij
gebruik kon maken als zich een buitenkansje voordeed. Het geld was een onderdeel van
debet- en credithandelingen van verdachte, waaronder het lenen en uitlenen van gelden van
de laatste jaren. Hij had dit bedrag omdat iemand het graag wilde omwisselen, nu biljetten
van € 200,-- moeilijk uit te geven zijn. Toen verbalisanten vroegen bij wie die verklaring
geverifieerd kon worden, beriep verdachte zich op zijn zwijgrecht.
De rechtbank acht de verklaring van verdachte over de herkomst van het geld in het licht van het voorgaande niet geloofwaardig. Zij neemt daarbij in het bijzonder in aanmerking dat het nieuwe biljetten in grote coupures betrof. Daarbij heeft verdachte belet dat de herkomst van die biljetten gecontroleerd kon worden en is niet zonder meer begrijpelijk waarom verdachte 400 biljetten zou willen wisselen in een coupure die, zoals hij ook zelf heeft verklaard, minder gangbaar is.
Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank van oordeel is dat door of namens verdachte
geen aannemelijke verklaring voor de herkomst van de contante gelden is gegeven. Gelet op
het voorgaande, alles in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat het niet anders
kan zijn dan dat de contante gelden middellijk of onmiddellijk uit enig misdrijf afkomstig
zijn.”
Facturen
“Op 17 juni 2012 werd onder andere de financiële administratie van [bedrijf 15] . in
[plaats 1] in beslag genomen (opmerking rechtbank: De inbeslaggenomen goederen werden opgenomen op de beslaglijst en kregen een beslagcode beginnend met de letter B. 'B ' staat voor het vestigingsadres van [bedrijf 15] . ). In de financiële administratie zijn ten aanzien van dertien afnemers facturen aangetroffen, die een beslagcode hebben gekregen beginnend met de letter [letter 1] Ten aanzien van die facturen zijn in de periode van 2007 tot en met 2012 contante stortingen gedaan op de zakelijke rekening van bet bedrijf.”
Het hof heeft in onderstaand schema per afnemer de contante stortingen opgenomen. Anders dan de rechtbank heeft het hof in dit overzicht niet de facturen opgenomen van:
Dat heeft te maken met het voorwaardelijke verzoek dat door de verdediging is gedaan ter terechtzitting in hoger beroep en dat het hof verderop in dit arrest afwijst.
Op basis van facturen is een totaalbedrag van € 2.745.583,71 contant gestort in [bedrijf 15] . .
De vertegenwoordigers van [bedrijf 7] . en [bedrijf 21] hebben verklaard dat zij leveranciers nooit contant betalen. De vertegenwoordigers van [bedrijf 11] , [bedrijf 22]
, [bedrijf 26] , en [bedrijf 27] hebben verklaard dat zij
geen zaken hebben gedaan met [bedrijf 15] . , in ieder geval niet na 2007. De
vertegenwoordiger van [bedrijf 13] heeft verklaard dat hij de betreffende
facturen niet in zijn eigen administratie heeft kunnen achterhalen. Afnemer [bedrijf 20] kon door verbalisanten niet achterhaald worden.
Verdachte heeft ten aanzien van de facturen op naam van [bedrijf 7] , [bedrijf 21] ,
[bedrijf 11] , [bedrijf 13] en [bedrijf 26] verklaard dat het bedrag van de factuur wel klopt, maar de omschrijving en/of de tenaamstelling op de factuur niet. Over [bedrijf 20] , [bedrijf 22] en [bedrijf 27] heeft verdachte verklaard dat het verzamelnamen zijn voor een groep afnemers die niet op eigen naam wilden kopen. De facturen op naam van [bedrijf 14] horen volgens verdachte bij [bedrijf 13] thuis, omdat verdachte de bedragen op die facturen van [bedrijf 13] heeft ontvangen. Verdachte heeft hiervoor zijn excuses aangeboden aan [bedrijf 14] omdat deze factuur niet bij hem thuishoort .
De rechtbank is op basis van de hierboven aangehaalde verklaringen van de afnemers en de
verklaring van verdachte van oordeel dat de facturen valselijk zijn opgemaakt door
verdachte.”
Het oordeel van de rechtbank dat de facturen valselijk zijn opgemaakt is in hoger beroep ook niet bestreden.
Verder overweegt het hof met de rechtbank het volgende.
“De verdediging heeft betwist dat de gelden die op basis van de valselijk opgemaakte facturen in het bedrijf gestort zijn van misdrijf afkomstig zijn.
Hierboven is reeds geconcludeerd dat de rechtbank van oordeel is dat door of namens
verdachte geen aannemelijke verklaring voor de herkomst van de contante gelden is gegeven. Verdachte heeft ten aanzien van de facturen nog specifiek het volgende verklaard.
Verdachte heeft verklaard dat er binnen [bedrijf 15] . veel kasstortingen plaatsvonden
vanwege twee redenen. De eerste reden is dat veel afnemers van groente en fruit geen
belasting wilden betalen over hun aankopen. De factuur werd in dat geval later opgemaakt
alsnog met inachtneming van de belasting. De betaling van de afnemer zonder de belasting
werd onder de later opgemaakte factuur in de kas gestort en kwam op die manier alsnog ten
goede aan het bedrijf. Verdachte hield zowel in zijn hoofd als in een schriftje bij wat hij
ontvangen had van een afnemer.
Daarnaast had verdachte potjes die bestonden uit openstaande schulden van verschillende
afnemers. In de boeken stond niet van wie verdachte nog geld kreeg, hij hield dat bij in een
schriftje. Als een afnemer zijn schuld betaalde, liet verdachte dat geld terugvloeien in het
bedrijf.
Het in het bedrijf storten van de betaalde vordering deed verdachte naar eigen zeggen op zo een manier dat niet altijd de betaling van X op een factuur van X terecht kwam, maar dat een betaling van X ook wel op een factuur van Y werd geboekt.
Ten aanzien van de afnemers [bedrijf 20] , [bedrijf 22] en [bedrijf 27] heeft verdachte verklaard dat het verzamelnamen zijn voor een groep afnemers die niet op eigen naam wilden kopen.
Naast wat de rechtbank hiervoor al heeft overwogen over de herkomst van de contante
gelden, overweeg de rechtbank nog dat zij de verklaring van verdachte over afnemers die
geen belasting wilden betalen en over potjes openstaande schulden onaannemelijk acht.
Blijkens de hiervoor aangehaalde verklaringen van de afnemers heeft immers geen enkele
afnemer verklaard dat hij geen belasting heeft willen betalen bij de afname van groente en
fruit van [bedrijf 15] . De verklaringen van de afnemers komen erop neer dat zij de
facturen die op hun naam zijn opgemaakt niet kennen en niet betaald hebben. Ook hebben zij niet verklaard over openstaande schulden bij [bedrijf 15] . Daarbij heeft verdachte zijn verklaring niet onderbouwd, door bijvoorbeeld het door hem vermelde schriftje over te
leggen.
De verklaring van verdachte over de afnemers [bedrijf 20] , [bedrijf 22] en [bedrijf 27]
acht de rechtbank ook niet geloofwaardig, omdat verdachte bij zijn politieverhoor over [bedrijf 20] heeft verklaard dat [bedrijf 20] een meneer is die regelmatig groente en fruit koopt en dan contant betaalt. Verdachte is pas ter zitting met de verklaring gekomen dat [bedrijf 20] eigenlijk een verzamelnaam is voor een groep afnemers. Weliswaar heeft [betrokkene 1] ook verklaard dat [bedrijf 20] een verzamelnaam is, maar pas bij de rechter-commissaris nadat hij zich bij de politie op dit punt op zijn zwijgrecht heeft beroepen. Ook overigens heeft verdachte deze verklaring niet onderbouwd. Voorts valt niet in te zien waarom het nodig zou zijn een verzamelnaam te gebruiken; een factuur hoeft per slot van rekening niet per se op naam gesteld te worden en voorts is onduidelijk waarom het nodig zou zijn méérdere verzamelnamen te gebruiken.
Verdachte heeft verklaard dat de omschrijving en/of de tenaamstelling op de facturen steeds
niet klopt. De rechtbank overweegt daarbij dat op verschillende facturen de prijzen voor de
goederen uitzonderlijk hoog zijn. Zo kost een doosje aardbeien € 1.150,--, vijf kilo kersen
€ 2.246,35 en een doos ananassen € 9.600,--. Niet alleen de tenaamstelling, maar ook de
productomschrijving is daarmee fictief. De rechtbank is van oordeel dat verdachte op deze
manier gefactureerd heeft om te verhullen wat de werkelijke aard is van het contante geld dat op deze manier in het bedrijf gestort is. De inkoopadministratie ligt immers vast en daaruit valt af te leiden welke hoeveelheden zijn ingekocht door het bedrijf. Om te voorkomen dat het bedrijf op papier meer zou verkopen dan voorradig was, moest verdachte wel de prijs van een product op de factuur aanpassen. Als de contante gelden daadwerkelijk afkomstig zouden zijn uit de groente- en fruithandel, dan had verdachte de werkelijke productomschrijvingen en hoeveelheden kunnen gebruiken.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte door zijn handelen criminele contante gelden heeft aangewend ten behoeve van zijn bedrijf. De contante gelden zijn immers op de bankrekening van [bedrijf 15] . gestort en zijn zo in de liquiditeitsstroom van dit bedrijf gebracht. Verdachte heeft hiermee de gelden overgedragen. Door de door hem verkregen contanten (giraal) binnen zijn bedrijf te brengen, heeft verdachte de gelden naar het oordeel van de rechtbank ook omgezet. Het handelen van verdachte was, in het licht van het voorgaande, kennelijk gericht op het verbergen of verhullen van de criminele herkomst. Verdachte heeft de gelden witgewassen.”
Geldleningen
“Verdachte is in de ten laste gelegde periode tien geldleningen aangegaan. Aan elke lening ligt een schriftelijke overeenkomst van geldlening ten grondslag, waarin telkens is opgenomen wat de hoogte van de lening is en wat de hoogte is van de door de geldverstrekker te ontvangen afsluitprovisie en behandelkosten fee. Hieronder wordt schematisch weergegeven in naam van welke (rechts)persoon de lening is verstrekt, wat de hoogte van de totale geldlening was (inclusief afsluitprovisie en behandelkosten fee) en op welke datum de betaling aan verdachte heeft plaatsgevonden. De leningen zijn telkens giraal aan verdachte verstrekt, onder inhouding van de overeengekomen afsluitprovisie en behandelkosten fee.
[medeverdachte 1] is bestuurder van [medeverdachte 2] en, via [medeverdachte 2] , van [medevedrachte 3] , dat eerder [bedrijf 24] heette. Verdachte heeft verklaard dat hij in zijn beleving steeds geld leende van [medeverdachte 1] . Verdachte zag in overeenkomsten wel andere namen staan, maar daar had [medeverdachte 1] altijd een verhaal bij. [medeverdachte 1] was voor hem het aanspreekpunt. Hij heeft uitvoerig uitleg gegeven over de belangen en zekerheden en heeft een langere uitleg gegeven over [betrokkene 2] .
Alle overeenkomsten zijn voorzien van een logo van een advocatenkantoor, te weten:
‘ [bedrijf 34] , [adres bedrijf 34] ’. Getuige [getuige 3] is werkzaam als partner bij het kantoor en heeft verklaard dat het logo van [bedrijf 34] sinds 1 januari 2005 niet meer gebruikt wordt. Sinds die tijd heet het kantoor [bedrijf 34] . [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij het logo ooit digitaal heeft gekregen als Word-document en dat hij niet weet hoe hij dit logo moet verwijderen.
De rechtbank gaat er gelet op het voorgaande vanuit dat [medeverdachte 1] de tien overeenkomsten van geldlening heeft opgemaakt.”
Financiële betrokkenheid van [medeverdachte 1] bij de verstrekte leningen
Net als de rechtbank stelt het hof vast dat [medeverdachte 1] ook financieel betrokken is bij alle verstrekte leningen. De rechtbank heeft het volgende overwogen:
“Dat [medeverdachte 1] betrokken is bij alle geldleningen, en dus ook bij de leningen die niet in
naam van één van zijn bedrijven zijn verstrekt (leningen 2, 3 en 7 van [bedrijf 31] , lening 6 van
[bedrijf 23] en lening 8 van [bedrijf 35] ), vindt steun in het volgende.
Leningen 2, 3 en 7
[betrokkene 2] is directeur van [bedrijf 31] . Het dossier bevat diverse e-mailwisselingen tussen [medeverdachte 1] en [betrokkene 2] , die betrekking hebben op de geldleningen aan verdachte. Zo zond [betrokkene 2] op 27 december 2010 een e-mail aan [medeverdachte 1] , met als onderwerp 'ovk geldlening'. Bij de e-mail is een bijlage gevoegd. Het document komt in grote mate overeen met de overeenkomst van geldlening van € 170.000,- (lening 2) tussen
[bedrijf 31] en verdachte. Daarnaast stuurde [medeverdachte 1] op 29 december 2010 een e-mail
met het onderwerp ' [verdachte] ' aan [betrokkene 2] . De tekst van de e-mail was als volgt:
'Kun je deze nog tekenen en naar mij mailen? Groet [letter 2] '. Diezelfde datum antwoordde
[betrokkene 2] : 'Moet jij die originelen per post hebben? Zo ja, dan kijk ik even wie er
binnenkort naar NL vliegt om ze mee te nemen en daar te posten. Ik ben al een aantal keren
post kwijtgeraakt als ik het hier vandaan verstuur'. [medeverdachte 1] antwoordde daarop: 'Als het kan graag, anders bewaar maar’. Op 5 januari 2011 mailde [betrokkene 2] twee
bankafschriften van zijn privébankrekening met nummer 54.55.38.319 aan [medeverdachte 1] .
Op de bankafschriften is onder meer te zien dat in totaal € 161.000,-- is gestort op de
rekening van [betrokkene 2] en dat enkele dagen daarna een gelijk bedrag van de rekening
van [betrokkene 2] is overgemaakt op de rekening van verdachte. Op 16 april 2012 heeft
[betrokkene 2] [medeverdachte 1] nog een e-mail gestuurd. Als bijlage was een in naam van
[betrokkene 2] geparafeerde en ondertekende overeenkomst van geldlening gevoegd. De
rechtbank constateert dat de inhoud van die overeenkomst gelijk is aan de overeenkomst van geldlening van € 357.000,-- tussen [bedrijf 31] en verdachte (lening 3). Ook ten aanzien van de lening van € 160.000,-- (met aftrek van afsluitprovisie en behandelkostenfee:
€ 154.000,-- ) hadden [medeverdachte 1] en [betrokkene 2] contact (lening 7). Op 16 november 2011 mailde [medeverdachte 1] aan [betrokkene 2] : 'Er is I55k geleend aan [bedrijf 31] vanuit de [bank 3] , als jij morgen na overleg zal rond 15.30 uur Ned tijd zijn, 154k doorboekt is dat klaar'. [betrokkene 2] antwoordt daarop: 'Akkoord. € 1000,- voor mij?', waarop [medeverdachte 1] mailt: 'Daarom 155k en straks na fiat 154 doorboeken'. Uit bankafschriften van de rekening van [betrokkene 2] en van het bedrijf [bedrijf 32] volgt dat op 17
november 2011 van rekeningnummer [rekeningnummer 3] door [bedrijf 32] een geldbedrag van
€ 155.000,-- is overgemaakt aan [betrokkene 2] . Eén dag later, op 18 november 2011, is
door [betrokkene 2] een bedrag van € 154.000,-- overgemaakt naar de rekening van verdachte. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij gemachtigd is voor de rekening van [bedrijf 32] .
De rechtbank concludeert op basis van het voorgaande dat [medeverdachte 1] de feitelijke
geldverstrekker was voor leningen 2, 3 en 7. Dit wordt bevestigd door een proces-verbaal
bevindingen van een verbalisant die telefonisch contact heeft gehad met [betrokkene 2] .
[betrokkene 2] vroeg in dat gesprek waarom de politie hem zocht, maar gaf daarna aan dat
hij het zelf wel wist. Hij zei dat het te maken had met [verdachte] uit [plaats 2] .
[betrokkene 2] zei daarop dat het niet goed gegaan was en dat hij alleen maar een
tussenstation was geweest. Als het goed is kon de politie zien dat hij het geld van een ander
gestort had gekregen.”
In hoger beroep is ook niet meer betwist dat [medeverdachte 1] bij lening 3 en 7 financieel betrokken is.
“Lening 6
Getuige [bedrijf 23] heeft verklaard dat zij van oktober 2010 tot en met augustus 2011 een relatie heeft gehad met [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] vertelde haar dat hij een probleem had met bankrekeningen. Hij vroeg aan haar of zij een bankrekening wilde openen. [medeverdachte 1] wilde de rekening gebruiken voor betalingen. [bedrijf 23] heeft bij de [bank 2] een
privérekening geopend op haar naam. Zij heeft toen twee pasjes en een identifyer gekregen.
Deze privérekening met pasjes heeft zij beschikbaar gesteld aan [medeverdachte 1] . [bedrijf 23] heeft met deze pasjes geen transacties verricht. Na het afsluiten van de privérekening heeft ze alles aan [medeverdachte 1] gegeven. Ze heeft zelf nooit over het password van de rekening beschikt. [medeverdachte 1] deed alle transacties vanaf de rekening. [bedrijf 23] weet niet wat het geldbedrag van € 48.000,-- van 18 november 2011 is. Ze heeft die € 48.000,-- nooit in bezit gehad en ook niet uitgeleend aan anderen.
Onderzocht is met welk IP-adres de transactie € 48.000,-- in naam van [bedrijf 23] is
verricht. Het IP-adres waarmee de transactie is verricht is 81.58.133.161. Dit IP-adres straat geregistreerd bij [medeverdachte 1] , [adres 2] in [plaats 3] .
De rechtbank concludeert op basis van het voorgaande dat [medeverdachte 1] de geldverstrekker van lening 6 was.”
Ook ten aanzien van lening 6 die door [bedrijf 23] is verstrekt is [medeverdachte 1] financieel betrokken. [medeverdachte 1] heeft [bedrijf 23] gevraagd of zij een bankrekening wilde openen. Hij wilde die rekening gebruiken voor betalingen. Na het afsluiten heeft zij alles aan [medeverdachte 1] gegeven. [medeverdachte 1] deed alle transacties vanaf de rekening. Deze gang van zaken is in hoger beroep niet betwist.
Met betrekking tot lening 8 overweegt het hof dat deze lening is verstrekt door [bedrijf 33] waarvan [medeverdachte 1] 50% van de aandelen had en [betrokkene 3] de andere 50%.
[betrokkene 3] heeft verklaard dat hij verdachte in april 2012 via [medeverdachte 1] heeft leren kennen. [betrokkene 3] runt het bedrijf [bedrijf 35] samen met [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] heeft hem gevraagd of hij voor een relatie, verdachte, een lening wilde verstrekken. [betrokkene 3] wilde wel zekerheid krijgen dat hij het geld terug zou krijgen. Volgens [medeverdachte 1] was dat geen enkel probleem. [betrokkene 3] is de overeenkomst aangegaan zoals in de overeenkomst van
geldlening staat. [betrokkene 3] heeft het geld via bancaire transactie overgemaakt naar de
bankrekening van verdachte. Hij kreeg er provisie en rente voor. [medeverdachte 1] heeft [betrokkene 3] het bankrekeningnummer gegeven en het bedrag vermeld dat hij moest overmaken. Hieruit volgt dat [medeverdachte 1] ook betrokkenheid had bij de geldlening tussen [bedrijf 35] en verdachte.
Met betrekking tot de afbetaling van de leningen en de wijze waarop de leningen zijn afbetaald gaat het hof grotendeels uit van de verklaring van verdachte zoals hij die ter terechtzitting in eerste aanleg heeft afgelegd. Verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij lening 1 van [medeverdachte 2] volledig contant heeft afbetaald, lening 2 heeft afbetaald en lening 3 cash is betaald. Met betrekking tot lening 4, 5 en 6 heeft verdachte verklaard dat een deel van de lening is betaald met de opbrengt van de verkoop van goud en sieraden en dat hij denkt dat het in meerdere keren is afbetaald. In dit verband merkt het hof op dat verdachte heeft verklaard dat hij sieraden heeft verkocht aan [koper] . Met betrekking tot lening 7, 8, 9 en 10 heeft verdachte verklaard dat deze leningen deels zijn afbetaald. Van alle leningen is € 200.000,-- niet afbetaald. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat lening 1 en 4 contant zijn afbetaald.
Het hof zal hieronder per lening bespreken of, hoeveel en op welke wijze is afbetaald.
Lening 1 en 4
Door verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] is verklaard en uit de stukken uit het dossier blijkt dat verdachte ten aanzien van lening 1 € 178.300,-- contant heeft afbetaald en dat verdachte ook lening 4 ten bedrage van € 52.000,- contant heeft afgelost.
Lening 2 en 3
Met betrekking tot lening 2 en lening 3 overweegt het hof dat verdachte heeft verklaard dat hij deze leningen contant heeft afbetaald.
Lening 5
Uit het dossier blijkt dat verdachte deze lening volledig heeft afbetaald. € 23.811,84 is betaald via de [koper] (hierna: [koper] ) en een deel, te weten € 25.188.16 is contant betaald. Uit “een grootboekkaart en een bankafschrift van [medevedrachte 3] volgt dat aflossingsgelden van lening 5 contant door verdachte zijn betaald. Zo is een bedrag contant gestort op de rekening van [medevedrachte 3] en is dat bedrag vervolgens als aflossing in de administratie opgenomen. Andere omschrijvingen op het bankafschrift luiden: 'doorstorting cash ontvangst [verdachte] ' en 'doorstorting contante ontvangst van de heer [verdachte] .”
Lening 6
Uit het dossier blijkt dat op deze lening € 14.250,-- is afgelost. Daarvan is € 8.250,-- contant gestort en is € 6.000,-- overgeboekt van de rekening van [medeverdachte 1] . Ook is hier een aflossing door [koper] , te weten € 34.387,85. In hoger beroep is niet betwist dat op deze lening € 48.537,85 is afbetaald.
Lening 7, 8, 9 en 10Met betrekking tot lening 7, 8, 9 en 10 heeft verdachte verklaard dat deze leningen deels zijn betaald. Van alle leningen is € 200.000,-- niet afbetaald. Uit het dossier blijkt echter dat verdachte op lening 10 niets heeft afbetaald en op lening 8 en 9 respectievelijk € 16.000,-- en € 15.900,-- heeft afbetaald. Ten aanzien van lening 8 heeft [betrokkene 3] verklaard dat er in mei en juni in totaal € 16.000,-- contant is betaald. Van deze betaling is een kwitantie opgemaakt.
Het dossier bevat ten aanzien van lening 9 een kwitantie van een contante
betaling van € 7.500,-- en daarnaast is onder vermelding van 'storting' een bedrag van
€ 8.400,-- als aflossing in de boekhouding van [medevedrachte 3] opgenomen.
Bovenstaande in aanmerking genomen moet voor de leningen 8, 9 en 10 in totaal nog een bedrag van € 172.350,-- worden afbetaald. Uitgaande van de verklaring van verdachte dat in totaal € 200.000,-- niet is afbetaald gaat het hof er vanuit dat verdachte op lening 7
(€ 160.000,-- - € 27.650,--) € 132.350,-- heeft afbetaald.
Ten aanzien van lening 2, 3 en 7 overweegt het hof voorts nog dat de verklaring van verdachte dat hij deze leningen wel (deels) contant heeft afbetaald allereerst steun vindt in de verklaring van verdachte dat hij alle leningen contant heeft afgelost en voorts in het volgende.
“Het dossier bevat ten aanzien van lening 7 een vaststellingsovereenkomst tussen verdachte
en [bedrijf 31] . Daarin is - kort gezegd - opgenomen dat verdachte zakelijke tegenslagen heeft
gehad en daarom geen cashflow heeft om de rente te betalen en de lening in te lossen en dat [bedrijf 31] er daarom onherroepelijk mee instemt om haar vordering op verdachte tijdelijk
buiten invordering te stellen. [medeverdachte 1] heeft echter verklaard dat deze
vaststellingsovereenkomst tussen verdachte en [bedrijf 31] 'geleuter' is. ” Gelet op het voorgaande en in het licht van de verklaring van verdachte, stelt het hof vast dat geldlening 7 deels is afbetaald door verdachte. Bovenstaande in aanmerking genomen stelt het hof ook vast dat de eerder namens [bedrijf 31] verstrekte lening 2 is afbetaald, zeker nu verdachte expliciet heeft verklaard dat hij de daarop volgende lening van [bedrijf 31] , lening 3, volledig contant heeft afgelost. Tot slot overweegt het hof dat bij het onderzoek aan bankrekeningen van verdachte en de aan hem verbonden rechtspersonen geen transacties zijn aangetroffen die wijzen op aflossingen en/of rentebetalingen die horen bij de hiervoor vermelde tien geldleningen. Met de rechtbank is het hof gelet op het voorgaande van oordeel dat kan worden bewezen dat alle aflossingen contant zijn gedaan.
Schematisch leidt dit tot het volgende overzicht.
“Zoals eerder is overwogen, heeft verdachte geen aannemelijke verklaring afgelegd over de
herkomst van deze contante gelden en kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat de contante gelden middellijk of onmiddellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn. Verdachte had een belang bij het contant afbetalen van de giraal verstrekte geldleningen. Door de geldleningen op deze wijze af te lossen, heeft verdachte de criminele gelden immers in het normale financiële verkeer gebracht. Hij heeft zijn contante criminele geld vervangen door giraal geld uit een andere bron. Anders gezegd heeft hij ander geld verkregen dan het contante geld dat hij uit enig misdrijf voorhanden had. Verdachte heeft de gelden hierdoor omgezet. De rechtbank is gelet op wat hiervoor is overwogen van oordeel dat de gedragingen van verdachte (kennelijk) waren gericht op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van de contante gelden. Door aflossingen te doen aan de geldverstrekker(s), heeft verdachte de contante gelden ook overgedragen. Hij heeft de gelden daarmee witgewassen.
Medeplegen
De rechtbank is van oordeel dat verdachte feit 1 voor wat betreft dit onderdeel heeft
medegepleegd met [medeverdachte 1] (…). Er is sprake van een nauwe en bewuste
samenwerking. [medeverdachte 1] heeft diverse forse geldleningen verstrekt. Voor de buitenwereld leken de geldleningen afkomstig te zijn van diverse geld verstrekkers, terwijl het geld in de meeste gevallen (in ieder geval leningen 1 tot en met 7 en de leningen 9 en 10) van [medeverdachte 1] afkomstig was.
De rechtbank verwijst in dit verband naar de verklaring van [bedrijf 23] en de e-mailwisselingen tussen [medeverdachte 1] en [betrokkene 2] . De betalingen aan verdachte zijn veelal kort na elkaar - of zelfs op dezelfde dag - gedaan. De leningen zijn giraal verstrekt en zijn, voor zover ze zijn afgelost, contant door verdachte terugbetaald. Dit is geen normale gang van zaken. [medeverdachte 1] heeft daarnaast bij het opstellen van de overeenkomsten van geldleningen het logo van [bedrijf 34] gebruikt, terwijl hij geen connectie heeft met dit kantoor. Verder is een vaststellingsovereenkomst tussen [bedrijf 31] en verdachte opgemaakt, die volgens [medeverdachte 1] 'geleuter' is. Verdachte had [medeverdachte 1] nodig om zijn contante gelden 'kwijt' te raken. Gelet op de wijze van de totstandkoming van de geldleningen en de wijze van terugbetalen door verdachte, is de rechtbank van oordeel dat ook [medeverdachte 1] wist dat hij mede een constructie heeft opgezet waardoor verdachte zijn contante geld in het normale financiële verkeer kon brengen.”
Contante uitgaven
“Door middel van een kasopstelling hebben verbalisanten onderzoek gedaan naar de contante geldstroom van verdachte in de periode van 1 januari 2007 tot 16 juni 2012. De bevindingen van de verbalisanten leiden tot het volgende overzicht:
Gelet op het bovenstaande overzicht heeft verdachte een totaalbedrag van € 934.727,64
contant uitgegeven. (…)
Verdachte heeft verklaard dat hij de contante gelduitgaven niet betwist. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat verdachte de contante uitgaven en de contante stortingen heeft gedaan. De rechtbank concludeert uit het bovenstaande overzicht dat het verschil tussen het bedrag dat beschikbaar was voor contante uitgaven en het bedrag dat daadwerkelijk contant is uitgegeven een bedrag is van € 834.757,64. Hierboven is reeds geconcludeerd dat de rechtbank van oordeel is dat door of namens verdachte geen aannemelijke verklaring voor de herkomst van deze contante gelden is gegeven.
Zoals uit voorgaande volgt, heeft verdachte de door hem verkregen contante gelden á
€ 195.380,-- op zijn privérekening gestort. De gelden zijn daardoor vermengd met andere
gelden. Deze stortingen hebben in de jaren 2007 tot en met 2010 plaatsgevonden. In
dezelfde periode zijn betalingen verricht vanaf de privérekening van verdachte, waaronder
betalingen in de sfeer van [bedrijf 15] , zoals een betaling aan ' [bedrijf 19] .' en
diverse overboekingen naar de bankrekening van [bedrijf 15] . Door deze uitgaven te
doen, heeft verdachte de contanten omgezet.
Door de door hem verkregen contante (privé) gelden á € 284.000,-- op de bedrijfsrekening
van [bedrijf 15] . te storten, heeft verdachte de gelden aangewend ten behoeve van zijn
bedrijf. De contante gelden zijn immers in de -girale- liquiditeitsstroom van dit bedrijf
gebracht. Verdachte heeft hiermee de gelden overgedragen. Door de door hem verkregen
contanten (giraal) binnen zijn bedrijf te brengen, heeft verdachte de geld en naar het oordeel van de rechtbank ook omgezet. Het storten van de gelden op een andere rekening dan zijn privé rekening was, in het licht van het voorgaande, kennelijk gericht op het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van de gelden. Door uitgaven te doen voor auto's, horloges en het betalen van andere facturen, heeft verdachte de gelden omgezet. Verdachte heeft daarmee de gelden witgewassen.”
Conclusie
Het hof acht bewezen dat verdachte in totaal een bedrag van € 4.535.329,51 (€ 2.745.583,71 + € 954.988,16 + € 834.757,64) heeft witgewassen.
Verdachte heeft geen verifieerbare, concrete en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring gegeven voor de herkomst van deze aanzienlijke hoeveelheden contante gelden. Verdachte heeft over hetgeen hem wordt verweten in de loop van de procedure niet consistent maar wisselend verklaard. Het hof heeft ook anderszins niet de aanwezigheid van een legale herkomst van de gelden kunnen vaststellen en acht de verklaring van verdachte dat dit contante geld afkomstig is uit de zogeheten grijze handel niet aannemelijk. Gelet op alle feiten en omstandigheden kan het naar het oordeel van het hof niet
anders kan zijn dan dat de gelden uit enig misdrijf afkomstig zijn. Verdachte heeft de gelden
verworven, voorhanden gehad, overgedragen en omgezet. Dit alles had betrekking op diverse en verschillende bedragen (samen oplopend tot het hiervoor vermelde forse geldbedrag) en vond plaats op diverse momenten in de periode van 1 januari 2007 tot en met 17 juni 2012. Net als de rechtbank is het hof daarom van oordeel dat verdachte een gewoonte heeft gemaakt van witwassen. Voor wat betreft de geldleningen heeft verdachte dit feit medegepleegd met [medeverdachte 1] . Het hof acht het onder feit 1 primair ten laste gelegde bewezen.
Voorwaardelijk verzoek
Indien het hof tot het oordeel komt dat het geld van misdrijf afkomstig is, is door de verdediging het voorwaardelijke verzoek gedaan nader onderzoek te doen dat zou moeten bestaan uit het horen van de vertegenwoordigers van de bedrijven:
Daarnaast is verzocht om een boekenonderzoek te verrichten bij hiervoor genoemde ondernemingen. In de pleitnota is gewezen op de omstandigheid dat de rechtbank de verklaringen van bovengenoemde getuigen heeft gebruikt voor het bewijs dat verdachte door middel van valse facturen contant geld heeft ingebracht in de onderneming en op die wijze geld heeft witgewassen.
Het hof stelt voorop dat, behoudens de contant betaalde bedragen door [bedrijf 13] , de contante bedragen die door de gevraagde ondernemingen zouden zijn betaald in het niet vallen bij het gehele bedrag dat door ondernemingen aan verdachte contant zou zijn betaald. Hoewel door de verdediging wordt gesteld dat er veel contanten in het bedrijf omgingen en de door de rechtbank en door het hof overgenomen marges niet zouden kloppen wordt daar door de verdediging niet concreets over gesteld. Het hof heeft voorts gelet op het zeer grote tijdsverloop en de consequentie van een nog langer durend proces door het aanhouden van een zaak teneinde opnieuw onderzoek te verrichten in aanmerking genomen. Om al deze redenen zullen de volgende getuigen niet in belastende zin voor het bewijs van witwassen gebruikt en zullen de verzoeken worden afgewezen. Het gaat dan om de verklaringen van de getuigen, werkzaam bij:
Ten aanzien van de getuige [bedrijf 28] en [bedrijf 13] stelt het hof vast dat deze getuigen eerder door de rechter-commissaris zijn gehoord in het bijzijn van de verdediging. Het hof stelt vast dat de verdediging in het verzoek niet concreet heeft gemaakt waarom deze getuigen opnieuw gehoord zouden moeten worden. De enkele suggestie van de verdediging dat het door tijdsverloop niet ondenkbaar is dat de gevraagde getuigen nu anders gaan verklaren, maakt niet dat deze wederom gehoord moeten worden. De noodzaak tot het horen is het hof niet gebleken. Het hof zal dit verzoek afwijzen.
Ten aanzien van het gevraagde boekenonderzoek overweegt het hof eveneens dat de getuigen [bedrijf 8] , [bedrijf 25] , [bedrijf 10] , [bedrijf 12] en [bedrijf 14] niet in belastende zin voor het bewijs worden gebruikt. Met betrekking tot de getuigen [bedrijf 11] en [bedrijf 13] heeft de verdediging eerder de gelegenheid gehad om deze getuigen te ondervragen en ook vragen te stellen over de administratie en of er al dan niet sprake zou zijn van zogeheten grijze handel. Het is aan verdachte om concrete en min of meer verifieerbare handvatten te geven tot het doen van nader onderzoek. Hetgeen in hoger beroep is aangevoerd maakt niet dat het noodzakelijk is dat een boekenonderzoek bij deze ondernemingen moet plaatsvinden. Ook dit verzoek wordt afgewezen.
Feit 2
Onder feit 2 is aan verdachte tenlastegelegd het plegen van valsheid in geschrifte door het opmaken van valse facturen. De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof ten aanzien van de bewezenverklaring van dit feit. De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring conform het vonnis van de rechtbank.
Zoals onder feit 1 “facturen” is geoordeeld is in de financiële administratie van [bedrijf 15] . in [pleegplaats 1] ten aanzien van dertien afnemers facturen aangetroffen. Ten aanzien van die facturen zijn in de periode van 2007 tot en met 2012 contante stortingen gedaan op de zakelijk rekening van het bedrijf. Dit leidt tot het volgende overzicht:
Anders dan het schema opgenomen onder feit 1 “facturen” gaat het hof ten aanzien van dit feit wel uit van de verklaringen van [bedrijf 8] , [bedrijf 9] , [bedrijf 10] en [bedrijf 12] , aangezien het voorwaardelijke verzoek van de verdediging geen betrekking heeft op dit feit en het hof de verklaringen voor dit feit wel in belastende zin kan gebruiken voor het bewijs.
De hierboven opgenomen facturen in combinatie met de bewijsmiddelen en bewijsoverweging ten aanzien van de verklaring van de afnemers over de facturen en de verklaring van verdachte daarover opgenomen onder feit 1 “facturen” maken tezamen het bewijs voor het oordeel van het hof dat de facturen op naam van [bedrijf 7] , [bedrijf 20] , [bedrijf 21] , [bedrijf 8] , [bedrijf 9] , [bedrijf 10] , [bedrijf 11] , [bedrijf 12] , [bedrijf 13] , [bedrijf 22] , [bedrijf 26] , [bedrijf 27] en [bedrijf 14] valselijk zijn opgemaakt door verdachte. Met betrekking tot de afnemers die niet in de bewijsoverweging met betrekking tot feit 1 zijn opgenomen, overweegt het hof hiertoe dat verdachte (ook) ten aanzien van [bedrijf 8] , [bedrijf 9] , [bedrijf 10] , [bedrijf 12] en [bedrijf 14] heeft verklaard dat telkens de tenaamstelling en/of de omschrijving op de facturen niet klopt.
Voorts overweegt het hof.
“De facturen zijn in de financiële administratie van [bedrijf 15] . in
[pleegplaats 1] aangetroffen. Bedrijfsadministratie kan worden aangemerkt als een samenstel van geschriften met bewijsbestemming, ter zake van de daarin opgenomen gegevens. Nu
verdachte valse facturen heeft opgenomen in de administratie van [bedrijf 15] . is naar
het oordeel van de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het
valselijk opmaken van een geschrift als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).”
Op grond van het voorgaande acht het hof het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
Feit 3
Onder meer is beschreven dat het volgende is overeen gekomen:
Onder meer is beschreven dat het volgende is overeengekomen:
Onder feit 3 is aan verdachte tenlastegelegd het plegen van valsheid in geschrifte door diverse vaststellingsovereenkomsten valselijk op te maken. In hoger beroep is ten aanzien van dit feit geen verweer gevoerd. Het hof zal aansluiten bij hetgeen de rechtbank heeft overwogen.
De rechtbank heeft het volgende overwogen.
“Met betrekking tot de onder feit 1 genoemde geldleningen 1, 2, 3 en 7 bevat het dossier
vaststellingsovereenkomsten. Deze overeenkomsten zijn op 17 juni 2012 bij de doorzoeking van het bedrijf van verdachte, [bedrijf 15] . in [pleegplaats 1] , aangetroffen.
Ten aanzien van lening 1 bevat het dossier een vaststellingsovereenkomst tussen [medeverdachte 2] (als
geldgever), vertegenwoordigd door [bedrijf 32] , en verdachte. De overeenkomst is gedateerd 14
januari 2014 en is in naam van [medeverdachte 2] en verdachte ondertekend.
In de overeenkomst is opgenomen dat:
Ten aanzien van lening 2 bevat het dossier een vaststellingsovereenkomst tussen [bedrijf 31] (als geldgever), vertegenwoordigd door [betrokkene 2] , en verdachte. De overeenkomst is
gedateerd 25 februari 2012 en is in naam van [bedrijf 31] en verdachte ondertekend.
In de overeenkomst is opgenomen dat:
Ten aanzien van lening 3 bevat het dossier een vaststellingsovereenkomst tussen [bedrijf 31]
(geldgever) (de rechtbank begrijpt: [bedrijf 31] ), vertegenwoordigd door [betrokkene 2] , en
verdachte. De overeenkomst is gedateerd 25 februari 2012 en is in naam van [bedrijf 31] en
verdachte ondertekend.
In de overeenkomst is opgenomen dat:
De rechtbank constateert dat de inhoud van de vaststellingsovereenkomst voor het overige
overeenkomt met de vaststellingsovereenkomst die in het kader van lening 2 is opgemaakt.
Ten aanzien van lening 7 bevat het dossier een vaststellingsovereenkomst tussen [bedrijf 31]
(geldgever) (de rechtbank begrijpt: [bedrijf 31] ), vertegenwoordigd door [betrokkene 2] , en
verdachte. De overeenkomst is gedateerd 25 februari 2012 en is in naam van [bedrijf 31] en
verdachte ondertekend.
In de overeenkomst is opgenomen dat:
- geldgever een bedrag van € 154.000,- (opmerking rechtbank: dit is het geleende geldbedrag exclusief afsluitprovisie en behandelkosten fee) heeft geleend, te vermeerderen met de reeds verschenen rente termijn(en);
- de geldlening is vastgelegd in een overeenkomst van geldlening van 8 november 2011.
De rechtbank constateert dat de inhoud van de vaststellingsovereenkomst voor het overige
overeenkomt met de vaststellingsovereenkomst die in het kader van lening 2 is opgemaakt.”
Zoals het hof onder feit 1 ten aanzien van 'geldleningen' heeft overwogen, acht het hof
mede gelet op de verklaring van verdachte bewezen dat de geldleningen 1, 2, 3 en 7 (deels) contant door verdachte zijn afgelost. Het overweegt verder met de rechtbank:
“De inhoud van bovenvermelde vaststellingsovereenkomsten - die kortgezegd telkens, gaan over betalingsonmacht aan de zijde van verdachte en het om die reden buiten invordering stellen van (het restant van) de geldlening door de geldgever - is daarmee vals. Dat de vaststellingsovereenkomsten vals zijn, wordt ondersteund door de verklaring van [medeverdachte 1] , die heeft verklaard dat de vaststellingsovereenkomst tussen [medeverdachte 2] en verdachte een 'flauwekul document' is en dat de vaststellingsovereenkomst ten aanzien van lening 7 'geleuter' is. Bovendien is de in de vaststellingsovereenkomst tussen [medeverdachte 2] en verdachte vermelde datum van opmaak gelegen na het moment waarop de overeenkomsten bij de doorzoeking op 17 juni 2012 in het bedrijf van verdachte zijn aangetroffen.
(…)
Verdachte heeft ter terechtzitting (…) verklaard dat de vaststellingsovereenkomst met [medeverdachte 2] op zijn verzoek is opgemaakt, om thuis de gemoederen rustig te houden. De andere vaststellingsovereenkomsten (opmerking rechtbank: de overeenkomsten met [bedrijf 31] ) zijn volgens verdachte wel echt.
Daarbij zien de vaststellingsovereenkomsten op geldleningen die verdachte zelf is aangegaan en had hij, zoals hierna aan de orde zal komen, een groot belang bij het opstellen van de overeenkomsten doordat hiermee werd geprobeerd een witwasconstructie te verhullen. Het voorgaande maakt dat kan worden bewezen dat verdachte de vaststellingsovereenkomsten heeft ondertekend, terwijl hij wist dat de inhoud daarvan vals was.
Met betrekking tot de vaststellingsovereenkomst van lening 1 heeft [medeverdachte 1] ,
overeenkomstig de daarover door verdachte afgelegde verklaring, verklaard dat hij de
vaststellingsovereenkomst tussen [medeverdachte 2] en verdachte op verzoek van verdachte heeft
opgemaakt. Daarnaast bevat het dossier met betrekking tot de vaststellingsovereenkomst
ten aanzien van lening 2 een e-mailwisseling tussen [medeverdachte 1] en [betrokkene 2] ,
waaruit kan worden afgeleid dat [medeverdachte 1] betrokken was bij de totstandkoming van de
vaststellingsovereenkomst. Op 27 december 2010 stuurde [betrokkene 2] [medeverdachte 1] een
e-mail. De tekst van de e-mail luidde: 'Leesbaar?'. Bij de e-mail is een bijlage gevoegd,
inhoudende een geparafeerd document. De rechtbank constateert dat het document overeenkomt met de eerste pagina van de hiervoor vermelde vaststellingsovereenkomst met
betrekking tot lening 2. Op de vraag van [betrokkene 2] : 'Leesbaar?', antwoordde [medeverdachte 1] : 'Uitstekend'. [betrokkene 2] yerstuurde daarop de tekst: 'Ok, dan ga ik de rest tekenen en scannen. Dit is helaas een hele klus, omdat elke pagina met de hand gescand en daarna verkleind moet worden. Over enkele uren heb je de zaak compleet', waarop [medeverdachte 1] antwoordde: 'Ok'.
Onder feit 1 is ten aanzien van 'geldleningen' al overwogen dat de rechtbank van oordeel is
dat [medeverdachte 1] , naast dat hij de geldverstrekker van lening 1 was, ook de geldverstrekker
van leningen 2, 3 en 7 was. Daarnaast is onder feit 1 aan de orde gekomen dat [medeverdachte 1] ten aanzien van alle geldleningen de overeenkomsten van geldlening met verdachte heeft opgemaakt. In dit licht kan naar het oordeel van de rechtbank, op grond van het voorgaande, ook worden bewezen dat de vaststellingsovereenkomsten tussen [bedrijf 31] en verdachte door [medeverdachte 1] zijn opgesteld.
(…)
De rechtbank is van oordeel dat een vaststellingsovereenkomst naar haar aard een
bewijsbestemming heeft, namelijk het (aan derden) kunnen tonen van wat tussen de partijen
bij de overeenkomst is vastgesteld. Daarmee kan een vaststellingsovereenkomst worden
aangemerkt als een geschrift waaraan in het maatschappelijk verkeer een zodanige betekenis pleegt te worden toegekend dat sprake is van een geschrift dat bestemd is tot bewijs van enig feit te dienen als bedoeld in artikel 225 Sr. De rechtbank is van oordeel dat de
vaststellingsovereenkomsten zijn opgemaakt om te verhullen dat verdachte de giraal aan hem verstrekte geldleningen met contant geld heeft afgelost. Daarmee is (geprobeerd) te verhullen dat verdachte zijn contante geld heeft witgewassen. Dat de vaststellingsovereenkomst met betrekking tot geldlening 1 ook met een ander doel is opgesteld, namelijk het temperen van de gemoederen thuis, kan zo zijn, maar doet niet af aan het voorgaande. Evenmin staat, anders dan de raadsman stelt, aan een bewezenverklaring in de weg dat (nog) geen gebruik is gemaakt van de documenten.
[medeverdachte 1] heeft de vaststellingsovereenkomsten opgemaakt en verdachte en (in het geval van [bedrijf 31] ) [betrokkene 2] hebben ze ondertekend. (…) alles in samenhang bezien, is de rechtbank ook van oordeel dat met betrekking tot het opmaken van de vaststellingsovereenkomsten een nauwe en bewuste samenwerking bestond tussen verdachte en [medeverdachte 1] . Het kan niet anders dan dat [medeverdachte 1] (…) wist(..) dat de vaststellingsovereenkomsten met dit doel, het verhullen van witwashandelingen, valselijk werden opgesteld.
De overeenkomst van geldlening met betrekking tot lening 1 is gedateerd 8 december
2010. Zoals hierboven vermeld, zijn de vaststellingsovereenkomsten op 27 juni 2012
onder verdachte aangetroffen. De rechtbank acht daarmee bewezen dat de
vaststellingsovereenkomsten in de ten laste gelegde periode zijn opgemaakt.
De rechtbank acht het onder 3 ten laste gelegde bewezen.”
Feit 4
Onder feit vier is aan verdachte tenlastegelegd het voorhanden hebben van een gaspistool en patronen. Verdachte heeft terechtzitting in eerste aanleg bekend dat het wapen van hem is. In hoger beroep is geen verweer gevoerd tegen dit feit.
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de
bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 23 januari 2018;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 9284 en
- het proces-verbaal WWM, p. 9285 en 9286.
Bewezenverklaring
Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 primair, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.primairhij in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 17 juni 2012, in de gemeente [pleegplaats 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte en/of verdachte's mededader(s) (telkens) (een) voorwerp(en), te weten (in totaal) (ongeveer) 5.006.981,16 Euro (3.121.486,92 Euro aan contante betalingen van fictieve factu(u)r(en) en/of 854.657,24 Euro aan contante betalingen bij de aankoop van horloges en/of sieraden en/of voertuigen en/of contant betaalde facturen en/of contante kasstortingen en/of contante stortingen op bankrekeningen en/of (andere) goederen en/of 1.030.837 Euro aan contante aflossingen van diverse geldleningen), in ieder geval een hoeveelheid (contant) geld, verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet,
althans van (een) voorwerp(en), te weten (ongeveer) (in totaal) 5.006.981,16 Euro, in ieder geval een hoeveelheid (contant) geld, (telkens) de werkelijke aard en/of herkomst vindplaats en/of vervreemding en/of verplaatsing verborgen en/of verhuld, dan wel verhuld en/of verborgen wie de rechthebbende(n) van het geld is en/of gebruik gemaakt, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp(en) (telkens) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;
2.primairhij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 17 juni 2012, in de gemeente [pleegplaats 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een of meer (fictieve) factu(u)r(en) aan [bedrijf 7] en/of [bedrijf 20] en/of [bedrijf 21] en/of [bedrijf 8] en/of [bedrijf 22] , en/of [bedrijf 27] en/of [bedrijf 26] en/of [bedrijf 25] en/of [bedrijf 10] en/of [bedrijf 11] en/of [bedrijf 12] en/of [bedrijf 13] en/of [bedrijf 14] en/of andere (fictieve) factu(u)r(en), - (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte en/of verdachte's mededader(s) (telkens) valselijk die (fictieve) factu(u)r(en) opgemaakt, zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;
3.hij in of omstreeks de periode van 27 november 2010 tot en met 17 juni 2012, te [pleegplaats 2] , gemeente [pleegplaats 2] en/of in de gemeente [pleegplaats 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een vaststellingsovereenkomst tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] en/of een of meer vaststellingsovereenkomst(en) tussen [bedrijf 31] en [verdachte] , - (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) valselijk -zakelijk weergegeven- in die overeenkomst(en) vermeld dat [verdachte] als gevolg van diverse ontstane oorzaken en/of door malaise in het onroerend goed, niet meer in staat is de lening terug te betalen en/of dat de geldgever er onherroepelijk mee instemt om zijn vordering op [verdachte] (tijdelijk) buiten invordering te stellen teneinde geldnemer in de gelegenheid te stellen een optimale opbrengst voor geldnemer te realiseren tot dat het onroerend goed door geldnemer is verkocht en/of die overeenkomst te ondertekenen en daarbij als datum te vermelden 14 januari 2014 en/of op 25 februari 2012, zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;
4.hij op of omstreeks 17 juni 2012, te [pleegplaats 1] , een wapen van categorie III, te weten een gaspistool (Jet, type protector, type H9112) en/of munitie, te weten 2 patronen (Piexon kal. 14mm), voorhanden heeft gehad.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken
en
van het plegen van witwassen een gewoonte maken.
Het onder 2 primair bewezenverklaarde levert op:
valsheid in geschrifte, meermalen gepleegd.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van valsheid in geschrifte, meermalen gepleegd.
Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.
Oplegging van straf en/of maatregel
De advocaat-generaal heeft gevorderd om verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, waarbij hij rekening heeft gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn en met de media-aandacht.
De verdediging heeft verzocht om rekening te houden de overschrijding van de redelijke termijn, de media-aandacht en de gezondheid van de verdachte en om die redenen geen onvoorwaardelijke vrijheidsstraf op te leggen van langere duur dan verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het gewoontewitwassen van een contant geldbedrag van ruim € 4,5 miljoen. Hij heeft door middel van valse facturen contante gelden met een criminele herkomst in zijn bedrijf laten vloeien, heeft giraal verstrekte geldleningen contant afgelost, heeft contante stortingen gedaan op zijn privé- en bedrijfsbankrekening en heeft in privé overige contante uitgaven gedaan.
Om voor de buitenwereld te verhullen over hoeveel (crimineel) geld verdachte in werkelijkheid kon beschikken, heeft hij al dan niet met anderen, allerlei schijnconstructies opgezet en zich daarmee ook schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte. Daarnaast had hij in zijn woning een gaspistool met bijbehorende munitie voorhanden.
Witwassen vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Opbrengsten van misdrijven worden hierdoor bovendien aan het zicht van justitie onttrokken, waardoor witwassen ook het plegen van misdrijven aantrekkelijk kan maken. Het handelen van verdachte is daarom ondermijnend voor de maatschappij. Verdachte heeft zich bij zijn handelen kennelijk slechts laten leiden door eigen financieel gewin en heeft geen oog gehad voor de schadelijke gevolgen van zijn handelen voor de samenleving. Verder heeft verdachte, al dan niet samen met een ander of anderen, fictieve facturen en valse vaststellingsovereenkomsten opgemaakt. Daarmee heeft verdachte het vertrouwen geschaad dat in het maatschappelijk verkeer in de juistheid van geschriften moet kunnen worden gesteld.
Uit het uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 3 maart 2023 blijkt dat de verdachte tijdens het bewezen verklaarde al eerder onherroepelijk was veroordeeld, dit betreffen echter andere feiten zodat het hof daar in de strafoplegging geen betekenis aan zal toekennen.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op een reclasseringsrapport van 18 januari 2018 waarin wordt geadviseerd om bij een eventueel op te leggen straf geen bijzondere voorwaarden op te leggen.
Voorts heeft het hof acht geslagen op hetgeen verdachte over zijn persoonlijke omstandigheden ter terechtzitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht. Verdachte heeft onderbouwd aangevoerd dat hij ernstig ziek is geweest en nog steeds herstellende is. De gevolgen van zijn ziekte zijn aanzienlijk en hij zal nooit meer de oude worden. Het hof zal hier bij de strafoplegging rekening mee houden.
Gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten acht het hof een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf echter wel gerechtvaardigd, passend en noodzakelijk. Het hof neemt de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf van vier jaren als uitgangspunt voor de strafoplegging.
In deze zaak is een groot tijdsverloop geweest. De doorzoeking heeft plaatsgevonden op 17 juni 2012. In eerste aanleg is op 26 februari 2018 vonnis gewezen. De rechtbank heeft in eerste aanleg al overwogen dat de duur en de ingewikkeldheid van de zaak en het verzoek van de verdediging om twintig getuigen te laten horen van invloed is geweest op het tijdsverloop maar ook dat de zaak aanzienlijke periodes heeft stilgelegen. Met een tijdsverloop van zes jaar is de redelijk termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM in eerste aanleg ruim overschreden. Verdachte heeft op 9 maart 2018 hoger beroep ingesteld. Op 2 oktober 2019 heeft het hof tussenarrest gewezen waarin is besloten om drie getuigen te horen. Deze verhoren hebben uiteindelijk in januari 2022 plaatsgevonden. Uiteindelijk wijst het hof op 9 juni 2023 arrest. Ook in hoger beroep is er derhalve een overschrijding van de redelijk termijn. Gelet daarop zal het hof – conform de eis van de advocaat-generaal - een strafkorting toepassen van 30%. Het hof komt dan op een onvoorwaardelijk gevangenisstraf voor de duur van 34 maanden.
Daarnaast houdt het hof bij de strafoplegging rekening met de negatieve media-aandacht die deze zaak heeft gekregen. Deze media aandacht is - hoe dan ook - beschadigend geweest voor verdachte en zijn bedrijf. Daarvoor zal het hof – ook conform de vordering van de advocaat-generaal - een strafkorting toepassen van 10%. Tot slot houdt het hof bij de strafoplegging ook rekening met de gezondheid van verdachte. Gelet op al het voorgaande acht het hof de oplegging van een gevangenisstraf van 21 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden. Het hof zal deze straf aan verdachte opleggen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 47, 57, 63, 225 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 primair, 2 primair, 3 en 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 (eenentwintig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Aldus gewezen door
mr. M.L. Plas, voorzitter,
mr. J. Dolfing en mr. S. Bek, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A. Dörholt, griffier,
en op 9 juni 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 9 juni 2023.
Tegenwoordig:
mr. J. Dolfing, voorzitter,
mr. A. Lodder, advocaat-generaal,
mr. A. Dörholt, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.