ECLI:NL:HR:2025:951

ECLI:NL:HR:2025:951, Hoge Raad, 24-06-2025, 23/02362

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 24-06-2025
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 23/02362
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2025:120
Formele relatie: ECLI:NL:GHARL:2023:4939
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 8 zaken
Aangehaald door 1 zaken
5 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854 BWBR0001903 BWBR0008804 BWBR0009709

Samenvatting

(Medeplegen) gewoontewitwassen van geldbedragen (art. 420ter jo. 420bis.1.b Sr), valselijk opmaken van fictieve facturen (art. 225.1 Sr), medeplegen valselijk opmaken van vaststellingsovereenkomsten (art. 225.1 Sr) en voorhanden hebben van gaspistool en 2 patronen (art. 26.1 WWM). Beroep op verjaring t.a.v. voorhanden hebben van munitie. Feit 4 (v.zv. het ziet op voorhanden hebben van munitie) is bij art. 26.1 jo. 55.1 WWM strafbaar gesteld als misdrijf waarop gevangenisstraf van ten hoogste 9 maanden is gesteld. Dat feit is volgens tll. begaan op of omstreeks 17-6-2012. O.g.v. art. 70.1.2 jo. 72.2 Sr beloopt verjaringstermijn in dit geval ten hoogste 2 maal 6 jaren. Daarom is wat betreft onder 4 tlgd. voorhanden hebben van munitie recht tot strafvordering wegens verjaring vervallen. HR zal wat betreft onder 4 tlgd. voorhanden hebben van munitie (2 patronen) OM n-o verklaren in vervolging. Voor verminderen van duur van opgelegde gevangenisstraf op deze grond bestaat onvoldoende aanleiding, omdat aard en ernst van wat overigens t.l.v. verdachte is bewezenverklaard niet worden aangetast door deze gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring. Volgt partiële vernietiging en n-o verklaring OM t.a.v. voorhanden hebben van munitie en verwerping voor het overige. Samenhang met 23/02283, 23/02284 en 23/02285. CAG: anders.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/02362

Datum 24 juni 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 9 juni 2023, nummer 21-001447-18, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,

hierna: de verdachte.

1. Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat Th.J. Kelder bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

Het cassatiemiddel voert wat betreft feit 4 onder meer aan dat ten aanzien van het voorhanden hebben van twee patronen het recht tot strafvordering wegens verjaring is vervallen.

Aan de verdachte is, kort samengevat en voor zover hier van belang, tenlastegelegd:

- onder 1 primair: (medeplegen van) gewoontewitwassen;

- onder 2 primair en 3: (medeplegen van) valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

- onder 4: voorhanden hebben van een wapen van categorie III, te weten een gaspistool (Jet, type protector, type H9112) en voorhanden hebben van munitie, te weten 2 patronen (Piexon kal. 14mm).

Het hof heeft het tenlastegelegde bewezenverklaard en de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 21 maanden. Die uitspraak is gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2023:4939.

Het onder 2.2.1 vermelde feit 4 – voor zover het ziet op het voorhanden hebben van de munitie – is bij artikel 26 lid 1 in samenhang met artikel 55 lid 1 van de Wet wapens en munitie strafbaar gesteld als misdrijf waarop een gevangenisstraf van ten hoogste negen maanden is gesteld.

Dat feit is volgens de tenlastelegging begaan op of omstreeks 17 juni 2012. Op grond van artikel 70 lid 1, aanhef en onder 2º, in samenhang met artikel 72 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht beloopt de verjaringstermijn in dit geval ten hoogste twee maal zes jaren.Daarom is wat betreft het onder 4 tenlastegelegde voorhanden hebben van munitie het recht tot strafvordering wegens verjaring vervallen.

Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, slaagt het. De Hoge Raad zal wat betreft het onder 4 tenlastegelegde voorhanden hebben van munitie, te weten 2 patronen (Piexon kal. 14mm), het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging. Voor het verminderen van de duur van de opgelegde gevangenisstraf op deze grond bestaat onvoldoende aanleiding, omdat de aard en de ernst van wat overigens ten laste van de verdachte is bewezenverklaard niet worden aangetast door deze gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring.

3. Beoordeling van het vierde cassatiemiddel

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 21 maanden.

4. Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige

De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

5. Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof en de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 26 februari 2018, maar uitsluitend wat betreft (i) de beslissingen over het onder 4 tenlastegelegde voorhanden hebben van munitie en (ii) de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van het onder 4 tenlastegelegde voorhanden hebben van munitie;

- vermindert de duur van de opgelegde gevangenisstraf in die zin dat deze twintig maanden beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 juni 2025.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl SR-Updates.nl 2025-0221 RvdW 2025/837
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?