HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/02362
Datum 24 juni 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 9 juni 2023, nummer 21-001447-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat Th.J. Kelder bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Het cassatiemiddel voert wat betreft feit 4 onder meer aan dat ten aanzien van het voorhanden hebben van twee patronen het recht tot strafvordering wegens verjaring is vervallen.
Aan de verdachte is, kort samengevat en voor zover hier van belang, tenlastegelegd:
- onder 1 primair: (medeplegen van) gewoontewitwassen;
- onder 2 primair en 3: (medeplegen van) valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;
- onder 4: voorhanden hebben van een wapen van categorie III, te weten een gaspistool (Jet, type protector, type H9112) en voorhanden hebben van munitie, te weten 2 patronen (Piexon kal. 14mm).
Het hof heeft het tenlastegelegde bewezenverklaard en de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 21 maanden. Die uitspraak is gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2023:4939.
Het onder 2.2.1 vermelde feit 4 – voor zover het ziet op het voorhanden hebben van de munitie – is bij artikel 26 lid 1 in samenhang met artikel 55 lid 1 van de Wet wapens en munitie strafbaar gesteld als misdrijf waarop een gevangenisstraf van ten hoogste negen maanden is gesteld.
Dat feit is volgens de tenlastelegging begaan op of omstreeks 17 juni 2012. Op grond van artikel 70 lid 1, aanhef en onder 2º, in samenhang met artikel 72 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht beloopt de verjaringstermijn in dit geval ten hoogste twee maal zes jaren.Daarom is wat betreft het onder 4 tenlastegelegde voorhanden hebben van munitie het recht tot strafvordering wegens verjaring vervallen.
Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, slaagt het. De Hoge Raad zal wat betreft het onder 4 tenlastegelegde voorhanden hebben van munitie, te weten 2 patronen (Piexon kal. 14mm), het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging. Voor het verminderen van de duur van de opgelegde gevangenisstraf op deze grond bestaat onvoldoende aanleiding, omdat de aard en de ernst van wat overigens ten laste van de verdachte is bewezenverklaard niet worden aangetast door deze gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring.
3. Beoordeling van het vierde cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 21 maanden.
4. Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof en de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 26 februari 2018, maar uitsluitend wat betreft (i) de beslissingen over het onder 4 tenlastegelegde voorhanden hebben van munitie en (ii) de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van het onder 4 tenlastegelegde voorhanden hebben van munitie;
- vermindert de duur van de opgelegde gevangenisstraf in die zin dat deze twintig maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 juni 2025.