ECLI:NL:GHARL:2026:3857

ECLI:NL:GHARL:2026:3857

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 19-05-2026
Datum publicatie 12-06-2026
Zaaknummer 200.365.422
Rechtsgebied Civiel recht; Insolventierecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2026:1496

Samenvatting

Hoger beroep tegen uitgesproken faillissement. Grief over wraking slaagt niet: tegen een beslissing op een wrakingsverzoek staat geen voorziening open en niet is gebleken van strijd met artikel 6 EVRM. Er is sprake van pluraliteit van schuldeisers en faillissementstoestand. Bekrachtiging vonnis.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof: 200.365.422

zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht: C/16/26/79 F

arrest van 19 mei 2026

in de zaak van

Ogim B.V.

die is gevestigd in Utrecht

advocaat: mr. F.A.E. Diderich

(onttrokken)

tegen

Samenbinding B.V.

die is gevestigd in Groningen

advocaat: mr. P.H.F. Yspeert

1. De procedure bij de rechtbank

Op 17 februari 2026 heeft om 10:30 uur de mondelinge behandeling bij de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, plaatsgevonden om het verzoek van Samenbinding B.V. strekkende tot faillietverklaring van Ogim B.V. te behandelen.

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft [indirect bestuurder] (indirect bestuurder) namens Ogim B.V. diezelfde dag om 11:39 uur per e-mail een wrakingsverzoek ingediend bij de rechtbank.

Vóór de beslissing op het wrakingsverzoek, heeft de rechtbank bij vonnis van 17 februari 2026 om 12:00 uur Ogim B.V. in staat van faillissement verklaard. Hierbij is tot curator aangesteld mr. D. de Haan (hierna: de curator).

De wrakingskamer heeft bij beslissing van 26 februari 2026 Ogim B.V. niet-ontvankelijk verklaard in haar wrakingsverzoek.

2. De procedure bij het hof

Mr. Diderich heeft namens Ogim B.V. bij (op 25 februari 2026 bij het hof binnengekomen) beroepschrift tijdig hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 17 februari 2026. Ogim B.V. verzoekt het hof dat vonnis te vernietigen en Samenbinding B.V. te veroordelen in de kosten van de procedure en de kosten van de curator.

Op 17 maart 2026 heeft mr. Diderich het hof laten weten dat zij zich onttrekt als advocaat van Ogim B.V. Ogim B.V. heeft vervolgens aan het hof uitstel verzocht van de mondelinge behandeling die was bepaald op 30 maart 2026. Het hof heeft dat uitstel verleend zodat Ogim B.V. op zoek kon naar een nieuwe advocaat. De mondelinge behandeling is vervolgens bepaald op 12 mei 2026. Op 6 mei 2026 ontving het hof wederom een uitstelverzoek van Ogim B.V. met als reden dat zij overeenstemming zou kunnen bereiken met Samenbinding B.V. en met een andere schuldeiser. Het hof heeft dit verzoek afgewezen.

Het hof heeft naast het beroepschrift met bijlages kennisgenomen van:

de brief van de curator van 17 maart 2026;

het verweerschrift van Samenbinding B.V. van 19 maart 2026.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 mei 2026. Hierbij zijn namens Ogim B.V. verschenen de heren [naam1] (gemachtigd door Ogim B.V.) en [naam2] . Namens Samenbinding B.V. is de heer [naam3] verschenen, bijgestaan door mr. Yspeert. Ook was de curator aanwezig.

3. De motivering van de beslissing in hoger beroep

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft geoordeeld dat de vordering van verzoekster (Samenbinding B.V.) vaststaat, Ogim B.V. meerdere schulden onbetaald laat en in de toestand verkeert te zijn opgehouden te betalen.

Het wrakingsverzoek

Op het moment van indienen van het beroepschrift had de wrakingskamer nog geen beslissing genomen op het wrakingsverzoek van Ogim B.V. Ogim B.V. heeft in haar beroepschrift aangevoerd (grief II) dat de rechtbank na het wrakingsverzoek ten onrechte de behandeling van de zaak niet heeft geschorst, zoals bedoeld in artikel 37 lid 5 Rv. Zij stelt dat de behandeling van een verzoek tot wraking niet achterwege mag worden gelaten gelet op artikel 6 EVRM.

Inmiddels heeft de wrakingskamer (weliswaar na de faillietverklaring) een beslissing genomen en is Ogim B.V. niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek. De wrakingskamer heeft daarbij overwogen dat Ogim B.V. na de mondelinge behandeling op 17 februari 2026 om 11:39 uur het wrakingsverzoek per e-mail heeft ingediend. De faillietverklaring is bij vonnis gedaan en uitgesproken op diezelfde dag om 12:00 uur. Hoewel Ogim B.V. het wrakingsverzoek heeft ingediend vóór de einduitspraak, heeft de wrakingskamer geoordeeld dat de rechter daarvan redelijkerwijs geen kennis heeft kunnen nemen omdat het verzoek slechts 21 minuten voor de einduitspraak is ingediend. Als gevolg hiervan heeft de wrakingskamer vastgesteld dat de zaak met de einduitspraak (met daarin de faillietverklaring van Ogim B.V.) is geëindigd. De wet voorziet niet in de mogelijkheid van wraking nadat de einduitspraak is gedaan.

In artikel 39 lid 6 Rv is bepaald dat tegen de beslissing op een verzoek tot wraking geen voorziening openstaat. Wel kan de partij die een verzoek tot wraking heeft gedaan dat is afgewezen of ten onrechte niet in behandeling is genomen, in de hoofdprocedure in een hogere instantie aanvoeren dat de aangevochten rechterlijke beslissing niet in stand kan blijven omdat vanwege het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter geen sprake is geweest van een eerlijke procedure zoals bedoeld in artikel 6 EVRM. Schijf heeft namens Ogim B.V. tijdens de mondelinge behandeling nader toegelicht waarom volgens Ogim B.V. sprake zou zijn van strijd met artikel 6 EVRM. Allereerst is daarvan sprake omdat Ogim B.V. vóór de mondelinge behandeling bij de rechtbank geen kennis heeft kunnen nemen van de stukken over de steunvorderingen. Ook de rechter beschikte niet over het volledige dossier. Bovendien, aldus steeds [naam1] , is bij de rechtbank door Ogim B.V. een WHOA-startverklaring ingediend, waarvan de rechter in eerste aanleg op de hoogte was en waarover niets is gezegd in het vonnis. Volgens hem staat een faillietverklaring die volgt op een op tijd ingediend WHOA-verzoek, de rechter die niet over het volledige dossier beschikt en zijn uitspraak niet goed heeft gemotiveerd op gespannen voet met artikel 6 EVRM.

Het hof is van oordeel dat niet is gebleken dat de behandeling bij de rechtbank niet voldeed aan de vereisten van artikel 6 EVRM. Het hof neemt daarbij allereerst in aanmerking dat bij een faillissementsprocedure als het onderhavige niet noodzakelijk is dat de partij van wie het faillissement wordt verzocht, al vóór de mondelinge behandeling over de stukken met betrekking tot de steunvorderingen beschikt. In beginsel mag worden verwacht dat verweerder zijn eigen administratie kent. Het is in de faillissementspraktijk zelfs gebruikelijk dat de steunvorderingen pas tijdens de mondelinge behandeling kenbaar worden gemaakt, om te voorkomen dat deze steunvorderingen voor de behandeling van het verzoek worden voldaan en daardoor niet langer sprake is van pluraliteit. Bovendien is vast komen te staan dat Samenbinding B.V. de stukken over de steunvorderingen naar Ogim B.V. heeft toegestuurd en dat Ogim B.V. – na wat aanloopproblemen – die stukken in elk geval nog in de ochtend voor de mondelinge behandeling heeft ontvangen. Uit het proces-verbaal van de rechtbank volgt ook dat tijdens die behandeling is gesproken over de verschillende steunvorderingen en dat Ogim B.V. haar standpunten daarover kenbaar heeft kunnen maken.

Verder overweegt het hof dat Ogim B.V. in hoger beroep pas voor het eerst tijdens de mondelinge behandeling een punt heeft gemaakt over de volgens Ogim B.V. ingediende WHOA-startverklaring. In de overgelegde stukken zijn geen aanknopingspunten te vinden dat door Ogim B.V. daadwerkelijk een WHOA-startverklaring is ingediend en dat de rechtbank daaraan ten onrechte voorbij is gegaan.

Nu tegen een beslissing op het wrakingsverzoek geen voorziening openstaat en niet is gebleken dat de beslissing van de rechtbank niet in stand kan blijven vanwege strijd met artikel 6 EVRM, slaagt grief II niet.

Pluraliteit van schuldeisers en de faillissementstoestand

Ogim B.V. heeft verder in haar beroepschrift aangevoerd dat zij in de periode tot aan de mondelinge behandeling regelingen zal treffen met haar schuldeisers of de schulden zal voldoen, zodat niet langer sprake zal zijn van pluraliteit van schuldeisers en de toestand van te hebben opgehouden te betalen.

Uit de door de curator overgelegde crediteurenlijsten volgt dat op 17 maart 2026 de totale schuldenlast van Ogim B.V. ruim € 207.000 omvatte, waarbij sprake is van negen verschillende concurrente schuldeisers en één preferente schuldeiser (de Belastingdienst). Tijdens de mondelinge behandeling is door [naam1] verklaard, en door de curator bevestigd, dat inmiddels met zeven concurrente schuldeisers een regeling is getroffen en deze zijn betaald. [naam1] heeft toegelicht dat een andere vennootschap die regelingen en betalingen op zich heeft genomen en dat geen nieuwe schuld is ontstaan jegens die vennootschap omdat Ogim B.V. nog een vordering had op haar die kon worden verrekend.

De curator heeft verder vermeld dat zich inmiddels een nieuwe concurrente schuldeiser heeft gemeld (2by4-architects) met een vordering van in totaal € 53.000. Dat betekent dat op dit moment nog vier schuldeisers bestaan – drie concurrente en de Belastingdienst – en sprake is van pluraliteit van schuldeisers. Het gaat om een schuld aan de Belastingdienst (€ 10.652), aan Mopac (€ 8.164,70), aan Samenbinding B.V. (€ 167.093,94) en aan 2by4-architects (€ 53.000). Daarnaast heeft [naam1] tijdens de mondelinge behandeling bij het hof verklaard geen zekerheid te willen stellen voor de faillissementskosten, zodat ook die kosten onderdeel uitmaken van de schuldenlast van Ogim B.V.

[naam1] heeft tijdens de mondelinge behandeling met betrekking tot de schuld aan de Belastingdienst (die is ontstaan door het niet doen van aangifte vennootschapsbelasting) nog aangevoerd dat inmiddels aangifte is gedaan. Dit doet echter niets af aan het bestaan van de vordering als zodanig. Verder heeft [naam1] tijdens de mondelinge behandeling over de schuld aan Mopac verklaard dat deze volgens hem niet opeisbaar is en dat deze bovendien verrekend kan worden met een openstaande vordering van Ogim B.V. op Mopac. Of de vordering van Mopac al dan niet opeisbaar is, is echter niet van belang omdat een steunvordering niet opeisbaar hoeft te zijn en daarnaast tenminste één andere vordering wel opeisbaar is. Verder is niet gebleken van een verrekenbare vordering van Ogim B.V. Tot slot betwist Ogim B.V. de vordering van 2by4-architects. De curator heeft echter tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat uit de stukken (die hij ontving over die vordering) volgt dat Ogim B.V. meerdere keren aanzienlijke betalingstoezeggingen voor ruim € 40.000 heeft gedaan aan 2by4-architects. Het hof acht het daarom niet aannemelijk dat 2by4-architects helemaal geen vordering op Ogim B.V. zou hebben. Aan het pluraliteitsvereiste is daarmee voldaan.

Het hof is verder van oordeel dat Ogim B.V. in de toestand verkeert van te hebben opgehouden te betalen. Ogim B.V. heeft meerdere schulden onbetaald gelaten. Uit het verslag van de curator volgt dat er nagenoeg geen liquide middelen aanwezig zijn. Het feit dat een derde bereid is geweest namens Ogim B.V. regelingen of betalingen te treffen met schuldeisers, doet daar niets aan af. Die gelden komen namelijk niet vanuit Ogim B.V. zelf, maar van een andere vennootschap. Ogim B.V. heeft weliswaar nog aangevoerd dat zij een aanzienlijke debiteurenportefeuille heeft die haar totale schuldenlast overstijgt, maar heeft dit niet inzichtelijk gemaakt. Bovendien heeft de curator aangegeven dat hij twijfels heeft over de (hoogte van de totale) debiteurenportefeuille en de inbaarheid ervan. Ogim B.V. heeft namelijk meerdere keren een andere verklaring gegeven over de vermeende debiteuren en zelf voor haar faillissement ook al incassopogingen ondernomen. Bij de rechtbank werd door haar verklaard dat er nog ruim vijf miljoen euro aan debiteuren zou openstaan. Dit bedrag strookt niet met de in april 2026 aan de curator toegezonden lijst van (negen) debiteuren, die sloot op 2,9 miljoen euro. Op de lijst die de curator op 5 mei 2026 ontving, stonden dan weer zes debiteuren voor een bedrag van 9,1 miljoen euro. Gelet op het bovenstaande acht het hof niet aannemelijk dat Ogim B.V. op dit moment of op korte termijn over de middelen beschikt om haar schulden te betalen.

Misbruik van faillissementsaanvraag

[naam1] heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof nog aangevoerd dat sprake zou zijn van misbruik van faillissementsaanvraag. Ogim B.V. heeft haar beroep op misbruik van faillissementsaanvraag echter niet nader onderbouwd en ook het hof is niet gebleken dat hiervan sprake zou zijn.

Conclusie

Het hoger beroep slaagt niet. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht van 17 februari 2026.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.J. Meijer, D.M.I. De Waele en H. Wammes, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl INS-Updates.nl 2026-0136
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand