HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 26/02043
Datum 18 september 2026
ARREST
In de zaak van
OGIM B.V.,
gevestigd te Utrecht,
VERZOEKSTER tot cassatie,
hierna: verzoekster,
tegen
SAMENBINDING B.V.,
gevestigd te Groningen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak C/16/26/79 F van de rechtbank Midden-Nederland van 17 februari 2026;
b. het arrest in de zaak 200.365.422 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 19 mei 2026.
[betrokkene 1], die stelt dat zij indirect bestuurder is van verzoekster, heeft namens verzoekster tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal M.H. Wissink strekt tot niet-ontvankelijkverklaring.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid
De procesinleiding is niet, zoals vereist door art. 426a lid 1 Rv, ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Dit verzuim kon worden hersteld door dezelfde procesinleiding met inachtneming van de vereisten van de art. 397 lid 1 en 426a lid 1 Rv opnieuw in te dienen. Verzoekster heeft evenwel geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om het verzuim binnen twee weken te herstellen. Dit brengt mee dat zij in haar beroep niet ontvankelijk is. De door verzoekster aangevoerde omstandigheid dat zij niet erin is geslaagd een advocaat bij de Hoge Raad bereid te vinden de procesinleiding te ondertekenen en in te dienen, maakt dit niet anders.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar beroep.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren H.M. Wattendorff en A.E.B. ter Heide, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.R. Salomons op 18 september 2026.