ECLI:NL:GHDHA:2016:449

ECLI:NL:GHDHA:2016:449, Gerechtshof Den Haag, 24-02-2016, BK-15/00279

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 24-02-2016
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer BK-15/00279
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBDHA:2015:1555
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2016:1226
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 3 zaken
4 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005416 BWBR0005537 BWBR0006358 BWBR0024779

Samenvatting

In geschil is de aanslag. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de heffingsgrondslag van de leges gelijk is aan de kosten van het gehele in de aanvraag omschreven project dan wel gesteld dient te worden op de kosten van de verbouw van de zolderverdieping tot twee (studio-)appartementen.

Uitspraak

Uitspraak d.d. 24 februari 2016

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, de heffingsambtenaar,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 februari 2015, nummer SGR 14/9812, betreffende de onder 1.1 vermelde aanslag.

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

De heffingsambtenaar heeft bij schriftelijke kennisgeving van 6 juni 2014 van belanghebbende leges ten bedrage van € 5.674,40 gevorderd (hierna: de aanslag). De aanslag is opgelegd ter zake van het in behandeling nemen van een aanvraag van een omgevingsvergunning voor werkzaamheden aan het pand [Y] te [A] .

Belanghebbende heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt. Bij de uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de aanslag verminderd tot € 4.463,25.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 45.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 123. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 13 januari 2016, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak [Y] en [B] (hierna: het pand).

In de nacht van 25 november 2013 is er brand uitgebroken in het pand. Vóór de brand bestond het pand uit twee woonlagen met op elke woonlaag twee appartementen. De vier appartementen werden door belanghebbende verhuurd. Boven de tweede woonlaag bevond zich een derde (zolder)verdieping (hierna: de zolderverdieping), die in gebruik was als opslag.

De brand heeft grote schade aan het pand aangericht. De appartementen, de opslagruimte en het dak waren volledig vernield. Het duurde vijf maanden voordat de verzekeraar tot vergoeding van de door de brand aangerichte schade overging. Daarna heeft belanghebbende de herbouw van het pand ter hand genomen. Belanghebbende besloot om bij de herbouw van de zolderverdieping een derde woonlaag, bestaande uit twee (studio-)appartementen, te maken.

Op 21 februari 2014 heeft belanghebbende een omgevingsvergunning aangevraagd. Daarin is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

"Aanvraaggegevens

(…)

Aanvraagnaam Splitsen [Y]

(…)

Projectomschrijving Het splitsen van de bovenwoning in 5 appartementen.

(…)

Kosten

Bouwen

Overige veranderingen

Wat zijn de geschatte kosten in euro's (exclusief BTW)? 110000

Projectkosten

Wat zijn de geschatte kosten voor het totale project in euro's (exclusief BTW)? 110000"

De gemeente Den Haag heeft de gevraagde omgevingsvergunning op 19 mei 2014 verleend.

Bij brief van 10 april 2014 heeft [C] , Projectinspecteur, namens het college van burgemeester en wethouders van Den Haag onder meer het volgende aan belanghebbende medegedeeld:

"Op 21 februari 2014 hebben wij een aanvraag om omgevingsvergunning ontvangen voor het verbouwen van de woningen [Y] en [B] in 6 woningen.

De door u opgegeven / geraamde kosten bedragen €133.100,00 incl. btw.

Wij delen u mede dat na controle van de opgegeven kosten het totaalbedrag is vastgesteld op € 141.551,00

Voor de onderbouwing van de vastgestelde kosten verwijzen wij u naar de bij deze brief gevoegde bijlage.

De legesnota is gebaseerd op het door ons vastgestelde totaalbedrag."

De aanslag luidt, voor zover hier van belang:

Onderdeel

tarieventabel (…)

Soort heffing/

omschrijving

Heffingsgrondslag

Tarief

Bedrag

2.1.1.

Omgevingsvergunning bouwactiviteit : Het verbouwen van de woningen [Y] en [B] in 6 woningen

(…)

€ 141.551

3,610 %

5.109,95

2.3.2.

Omgevingsvergunning buitenplanse kleine afwijking met bouw-activiteit (…): Het verbouwen van de woningen [Y] en [B] in 6 woningen

1

€ 564,45

564,45

Totaal te betalen €

5.674,40

Bij de uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de heffingsgrondslag van de leges nader vastgesteld op € 108.000 inclusief BTW en de aanslag verminderd tot € 4.463,25.

De Verordening

4. De raad van de gemeente Den Haag heeft in zijn openbare vergadering van 22 november 2012 de Legesverordening omgevingsvergunning 2013 (hierna: de Verordening) vastgesteld. Blijkens de inhoud van de gedingstukken zijn de Verordening en de wijziging daarvan op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt. In de Verordening is, voor zover in hoger beroep van belang, het volgende opgenomen:

"Artikel 2 Belastbaar feit

Onder de naam “leges” worden rechten geheven voor het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten, een en ander zoals genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel

Artikel 3 Belastingplicht

Belastingplichtig is de aanvrager dan wel degene ten behoeve van wie de dienst is verleend of handelingen zijn verricht.

(…)

Artikel 7 Tijdstip van ontstaan van de belastingschuld en termijnen van betaling

1. De leges zijn verschuldigd bij het aanvragen van een in deze verordening omschreven dienst.

(…).

Tarieventabel behorende bij de Legesverordening omgevingsvergunning 2013

(…)

Afdeling 2Omgevingsvergunning

Art. Omschrijving

2 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een project: (…)

Bouwactiviteiten

Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft

op een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a,

van de Wabo bedraagt het tarief: 3,61%

van de bouwkosten van het uit te voeren bouwwerk, berekend over

elk geheel bedrag van € 50,00 met een minimum van € 112,85

en een maximum van € 2.500.000.

(…)

Indien artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo van

toepassing is (buitenplanse kleine afwijking) € 564,45

(…)"

Geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

In geschil is de aanslag. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de heffingsgrondslag van de leges gelijk is aan de kosten van het gehele in de aanvraag omschreven project dan wel gesteld dient te worden op de kosten van de verbouw van de zolderverdieping tot twee (studio-)appartementen.

De op de voet van § 2.3.2 van de Tarieventabel geheven leges van € 564,45 zijn niet in geschil. Evenmin is in geschil dat de kosten van het gehele project € 108.000 inclusief BTW bedragen. Ter zitting van het Hof hebben partijen verklaard dat de kosten van de verbouw van de zolderverdieping op € 45.000 inclusief BTW kunnen worden gesteld.

Belanghebbende neemt het standpunt in dat de heffingsgrondslag van de leges

€ 45.000 bedraagt. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft hij – samengevat – het volgende aangevoerd. De leges zijn verschuldigd over de kosten van vergunningplichtige bouwwerkzaamheden. Alleen voor de verbouw van de zolderverdieping tot twee (studio-)appartementen is een omgevingsvergunning vereist. De heffingsgrondslag van de leges dient daarom te worden verlaagd tot de kosten van de verbouw van de zolderverdieping.

De heffingsambtenaar neemt het standpunt in dat de aanslag, zoals deze luidt na vermindering bij de uitspraak op bezwaar, niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Naar zijn opvatting is belanghebbende leges verschuldigd over de kosten van het gehele project waarvoor hij een omgevingsvergunning heeft gevraagd, dus ook voor onderdelen van het project waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist, zo daarvan al sprake is.

Conclusies van partijen

Belanghebbende concludeert in hoger beroep tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en van de uitspraak op bezwaar alsmede tot vermindering van de aanslag tot één berekend naar een heffingsgrondslag van € 45.000.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

7. De rechtbank heeft – voor zover in hoger beroep van belang – omtrent het geschil overwogen:

"4. In geschil is of de leges ter zake van de aanvraag voor een omgevingsvergunning bouwactiviteit tot een juist bedrag zijn vastgesteld. Meer specifiek is in geschil of de hoogte van de bouwkosten juist is vastgesteld. De leges van € 564,45 zijn niet in geschil.

(…)

7. Niet in geschil is dat de aanvraag van [belanghebbende] voor het verlenen van een omgevingsvergunning bouwactiviteit in behandeling is genomen. Derhalve heeft het belastbare feit zich voorgedaan en is [belanghebbende] leges verschuldigd geworden.

8. De leges worden berekend over de bij de aanvraag aangegeven aanneemsom of raming van de kosten van het werk (begroting), mits deze door de heffingsambtenaar wordt goedgekeurd. Indien bij de aanvraag geen begroting is overgelegd, of indien de overgelegde begroting niet wordt goedgekeurd, worden de vermoedelijke kosten van het werk door de heffingsambtenaar geschat en worden daarnaar de verschuldigde leges berekend. Bij de berekening van de kosten wordt uitgegaan van de prijs, welke aan een derde in het economische verkeer zou moeten worden betaald voor het tot stand brengen van het bouwwerk (zie Hoge Raad 9 oktober 1991, nr. 27.576, BNB 1991/338).

9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [de heffingsambtenaar] aan de hand van de aanvraag, de (aangepaste) offerte, de notitie en de toelichting ter zitting aannemelijk gemaakt dat de bouwsom niet op een te hoog bedrag is vastgesteld. De rechtbank overweegt daaromtrent als volgt.

De rechtbank begrijpt het standpunt van [belanghebbende] aldus, dat onder de kosten van het bouwwerk in dit verband alleen de kosten van de werkzaamheden van de zolderverdieping begrepen moeten worden, omdat alleen deze etage nieuw is ten opzichte van de situatie vóór de brand.

[De heffingsambtenaar] heeft dit weersproken en hiertegen ingebracht dat na de brand ook de eerste en tweede verdieping zijn gerenoveerd door de inrichting van deze verdiepingen aan te passen aan de eisen van de tijd, reden waarom de kosten daarvan onder de bouwkosten begrepen moeten worden. Ter zitting heeft [belanghebbende] erkend dat voormelde renovaties zijn voorzien in de bouwactiviteit. Gelet hierop heeft [de heffingsambtenaar] naar het oordeel van de rechtbank zich terecht op het standpunt gesteld dat ook laatstgenoemde kosten begrepen moeten worden onder de kosten van het werk.

10. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding."

Beoordeling van het hoger beroep

Op grond van de Verordening kunnen leges worden geheven voor het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten, een en ander zoals genoemd in de verordening en de daarbij behorende tarieventabel. In het onderhavige geval is, ingevolge artikel 2 van afdeling 2 van de tarieventabel (zie onder 4), de verstrekte dienst het in behandeling nemen van een aanvraag van een omgevingsvergunning.

Belanghebbende heeft de aanvraag van de omgevingsvergunning uitgestrekt tot het gehele project. Uit de aanvraag blijkt niet dat hij deze heeft willen beperken tot de vergunningplichtige werkzaamheden. Dat in de aanvraag als aanneemsom of raming van de kosten (exclusief omzetbelasting) van het project een bedrag van € 110.000 is vermeld, laat – zonder nadere toelichting, welke niet in of bij de vergunningsaanvraag is gegeven – geen ruimte voor de veronderstelling dat belanghebbende niet voor het gehele project, maar slechts voor de vergunningplichtige onderdelen daarvan – zo deze onderdelen al op een toetsbare wijze van de overige werkzaamheden van het project kunnen worden onderscheiden – een vergunning wilde aanvragen. Dit brengt naar het oordeel van het Hof mee dat de heffingsambtenaar de aanvraag moest beoordelen voor het gehele project, inclusief de (eventuele) niet-vergunningplichtige onderdelen.

Belanghebbende heeft nog gesteld dat hij het gehele project in de vergunningaanvraag heeft betrokken enkel omdat hij daarmee wilde bereiken dat elk appartement een eigen huisnummer kreeg. Dit brengt het Hof niet tot een ander oordeel omdat de intentie die belanghebbende stelt bij het indienen van de aanvraag te hebben gehad – welke intentie overigens niet uit de aanvraag blijkt – onverlet laat dat belanghebbende voor het gehele project een omgevingsvergunning heeft aangevraagd en dat de heffingsambtenaar de aanvraag heeft beoordeeld en ook heeft moeten beoordelen voor het gehele project.

Gelet op het vorenoverwogene is het hoger beroep ongegrond en zal het Hof beslissen zoals hierna is vermeld.

Proceskosten

9. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.
2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:
Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. G.J. van Leijenhorst, mr. J.J.J. Engel en mr. O.C.R. Marres, in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.A. Brits. De beslissing is op 24 februari 2016 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl V-N Vandaag 2016/484 Belastingblad 2016/184 met annotatie van M.P. van der Burg NTFR 2016/1076 met annotatie van Mr. M.P. van der Burg FutD 2016-0610 Viditax (FutD) 2016030308
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?