ECLI:NL:GHDHA:2019:2523

ECLI:NL:GHDHA:2019:2523, Gerechtshof Den Haag, 28-08-2019, 200.264.293/01

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 28-08-2019
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 200.264.293/01
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBDHA:2019:7934
Formele relatie: ECLI:NL:RBDHA:2019:7932
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 1 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827 BWBR0002656 BWBR0004746

Samenvatting

Internationale kinderontvoering; uitoefening gezagsrecht in de zin van art. 3 lid 1 aanhef en sub a en b HKOV.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 29 augustus 2019

Zaaknummer : 200.264.293/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 19-4304

Zaaknummer rechtbank : C/09/574970

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] , Albanië,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. A.H. van Haga te Den Haag,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. J. Mulder te Rotterdam.

Als belanghebbende is aangemerkt:

[bijzondere curator] ,

in haar hoedanigheid van bijzondere curator over de na te noemen minderjarige,

hierna te noemen: de bijzondere curator

In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming Haaglanden

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 13 augustus 2019 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 30 juli 2019 van de rechtbank Den Haag (hierna te noemen: de bestreden beschikking).

Bij het hof is voorts van de zijde van de bijzondere curator op 18 augustus 2019 een bericht ingekomen met als bijlage de rapportage van de bijzondere curator van diezelfde datum.

De moeder heeft op 20 augustus 2019 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vader:

- op 19 augustus 2019 een journaalbericht van diezelfde datum met als bijlage een brief van de advocaat van de vader waarin zij mededeelt dat de vader niet ter zitting aanwezig zal zijn in verband met een recente ziekenhuisopname van zijn moeder;

- op 22 augustus 2019 een journaalbericht van diezelfde datum met als bijlage een brief van de advocaat van de vader met als bijlage een overzicht van de gefactureerde advocaatkosten.

De zaak is op 22 augustus 2019 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

De hierna te noemen minderjarige [de minderjarige] is in raadkamer gehoord, in aanwezigheid van de bijzondere curator.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover van belang, de verzoeken van de vader om:

afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

In geschil is de afwijzing van de verzoeken van de vader die strekken tot de teruggeleiding van [de minderjarige] naar (het woonadres van de vader in) Albanië en het uitspreken van de voorlopige voogdij over [de minderjarige] , alsmede de afwijzing van de door de vader verzochte proceskostenveroordeling.

De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende:

De vader voert hiertoe één allesomvattende grief aan. Hij stelt – samengevat – dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij zijn gezagsrecht op het moment van overbrenging van [de minderjarige] van Albanië naar Nederland niet daadwerkelijk uitoefende. Anders dan de rechtbank overweegt heeft hij een actieve rol gespeeld in het leven van [de minderjarige] . Tot en met juli 2017 heeft hij in ieder geval één tot twee maal per jaar in de vakanties tijd doorgebracht met [de minderjarige] in Duitsland. Daarna had de man gedurende een lange periode dagelijks telefonisch contact en/of via Viber contact met [de minderjarige] . Ter zitting heeft de advocaat van de man verklaard dat hij meerdere malen per dag contact had met [de minderjarige] . Hieruit, en ook uit de door hem overgelegde foto’s, blijkt volgens de vader dat hij op de hoogte was en wilde zijn van het wel en wee van [de minderjarige] , dat hij zich daarmee de belangen van [de minderjarige] heeft aangetrokken en dat hij aldus zijn gezagsrecht daadwerkelijk uitoefende.

De moeder voert verweer. Zij voert – samengevat – aan dat de man [de minderjarige] in het verleden hooguit éénmaal per jaar tijdens vakanties zag, en dat er daarnaast geen frequent en structureel contact was tussen de vader en [de minderjarige] . De moeder stelt dat zij de gehele opvoeding en verzorging van [de minderjarige] alleen gedaan heeft. De vader heeft volgens de moeder ook nooit financieel bijgedragen in de kosten van [de minderjarige] en heeft zich nooit bemoeid met belangrijke beslissingen aangaande de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] , zoals doktersbezoeken en schoolkeuzes. Sinds 2013 is, zo stelt de moeder, tussen de ouders geen contact meer geweest aangaande de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] .

Het hof overweegt als volgt.

Daadwerkelijke uitoefening van het gezag door de vader?

Artikel 3 lid 1 aanhef en sub a en b van het Verdrag van 25 oktober 1980, Trb. 1987, 139 betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen (verder: HKOV) bepaalt – verkort weergegeven – dat het overbrengen of het niet doen terugkeren van een kind als ongeoorloofd wordt beschouwd wanneer dit geschiedt in strijd met een gezagsrecht, en dit gezagsrecht alleen of gezamenlijk daadwerkelijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of het niet doen terugkeren van het kind.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank in het onderhavige geval op goede gronden heeft geoordeeld dat de vader op het moment van overbrenging van [de minderjarige] vanuit Albanië naar Nederland zijn gezagsrecht niet daadwerkelijk uitoefende en maakt die gronden tot de zijne.

Het hof overweegt voorts nog het volgende. Ter zitting is namens de vader aangevoerd dat hij na de laatste ontmoeting tussen hem en [de minderjarige] in de zomervakantie van 2017 gedurende een lange periode meerdere malen per dag telefonisch contact en/of via Viber contact had met [de minderjarige] . De vader stelt dat juist omdat [de minderjarige] woonachtig was bij de grootmoeder vaderszijde, hij vrij contact heeft kunnen hebben met [de minderjarige] . De moeder heeft hierover ter zitting verklaard dat er in die periode eenmaal per twee à drie weken telefonisch contact was tussen [de minderjarige] en de vader, doch dat dat contact telkens plaatsvond op initiatief van de grootmoeder vaderszijde; wanneer grootmoeder de vader aan de telefoon had gaf zij de telefoon aan [de minderjarige] en drong er dan bij [de minderjarige] op aan dat zij met haar vader zou praten. Niet in geschil is dat de moeder met [de minderjarige] tot februari 2018 bij grootmoeder vaderszijde woonde. Het hof is van oordeel dat, ook indien tot een paar maanden vóór de overbrenging van [de minderjarige] door de moeder naar Nederland, toen de moeder en [de minderjarige] nog bij oma vaderszijde woonden, er frequent telefonisch contact was tussen de vader en [de minderjarige] , hieruit niet volgt dat de vader op het moment van overbrenging zijn gezagsrecht (nog) daadwerkelijk uitoefende. Immers, als onbetwist staat vast dat de vader en [de minderjarige] elkaar voor het laatst in de zomer van 2017 in Duitsland hebben gezien. Daarna is de vader vertrokken naar de Verenigde Staten en daar verbleef hij nog steeds ten tijde van de overbrenging van [de minderjarige] naar Nederland. Eveneens staat als onbetwist vast dat er sinds 2013 tussen de ouders geen overleg meer heeft plaatsgevonden over de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . De moeder heeft de verzorging en opvoeding sindsdien volledig op zich genomen en het samenzijn van de vader en [de minderjarige] beperkte zich tot 2017 tot de zomervakanties, waarin [de minderjarige] met haar grootmoeder vaderszijde naar Duitsland reisde en daar dan de vader ontmoette. Er was verder geen structurele contact- of zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige] . Dat de vader en [de minderjarige] elkaar niet vaker dan eenmaal per jaar tijdens de zomervakanties zagen en dat de vader geen feitelijke of andere bemoeienis had met de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] was – zo blijkt uit de stellingen over en weer – het gevolg van de eigen keuzes van de vader. Hij woonde sinds 2013 in Duitsland en sinds 2017 in de Verenigde Staten. De moeder heeft onbetwist gesteld dat zij in die tijd het liefst wilde dat de vader terugkeerde naar haar en de kinderen in Albanië, en dat zij altijd het contact tussen [de minderjarige] en de vader heeft gestimuleerd. Onder die omstandigheden kan naar het oordeel van het hof niet geconcludeerd worden dat de vader er ten tijde van de overbrenging blijk van gaf zich de belangen van [de minderjarige] aan te trekken. Met het enkel op (zeer lange) afstand onderhouden van telefonisch contact met [de minderjarige] toen zij bij grootmoeder vaderszijde verbleef, heeft de vader naar het oordeel van het hof geen (substantiële) invulling gegeven aan de ouderlijke verantwoordelijkheid, die volgens de in de bestreden beschikking weergegeven bepaling van artikel 215 van de Albanese Family Code – samengevat – een samenstel van rechten én plichten inhoudt, waaronder de zorg voor het sociale en economische welzijn van het kind en het voorzien van het kind van ‘nurture, education, edification, legal representation and administration of his/her wealth’.

Voorlopige voogdij

Gelet op het voorgaande is er geen wettelijke grond om de voorlopige voogdij over [de minderjarige] uit te spreken.

Conclusie

Uit het voorgaande volgt dat de bestreden beschikking wordt bekrachtigd.

Het hof zal bepalen dat de benoeming van de bijzondere curator op een termijn van vier weken na deze beschikking zal zijn geëindigd. De bijzondere curator kan dan deze uitspraak met de minderjarige bespreken.

Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

wijst het meer of anders verzochte af;

bepaalt dat de benoeming van de bijzondere curator op een termijn van vier weken na deze beschikking zal zijn geëindigd;

compenseert de kosten van de procedure in hoger beroep tussen de partijen in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.M. Warnaar, A.C. Olland en A. Zonneveld, bijgestaan door mr. N. Gerts als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 augustus 2019.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl JPF 2019/131
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?