GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Zaaknummer hof : 200.308.318/01
Zaaknummer rechtbank : C/10/614589 / HA ZA 21-209
Publicatienummer vonnis : ECLI:NL:RBROT:2021:11544
Arrest van 18 oktober 2022 in het incident
in de zaak van
VMB Beheer B.V.,
gevestigd te Hendrik Ido Ambacht,
appellante,
verzoekster in het incident
advocaat: mr. J.M. de Koning te Ridderkerk,
tegen
ADCA Beheer B.V.,
gevestigd te Eersel,
verweerster in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat: mr. W.M.J. Weijers te Eindhoven.
Het hof zal partijen hierna noemen VMB Beheer en Adca.
1. De zaak in het kort
VMB Beheer heeft zich garant gesteld voor vorderingen van Adca op VMB Automation Zuid B.V. (hierna: VMB Automation) uit hoofde van de tussen partijen gesloten geldleningsovereenkomst. De rechtbank heeft VMB Automation veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 660.000 (vermeerderd met rente en kosten) aan Adca. VMB Beheer is veroordeeld om aan Adca te betalen al hetgeen Adca op basis van het vonnis met betrekking tot de geldlening van VMB Automation te vorderen heeft, voor zover VMB Automation nalaat dat te betalen binnen drie dagen na betekening van het vonnis, met een maximum van € 660.000. VMB Beheer is van dat vonnis in hoger beroep gekomen. Zij wil in dit incident dat het hof de tenuitvoerlegging, althans de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het vonnis schorst totdat in de hoofdzaak is beslist. Het hof wijst deze vordering toe.
2. Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
het dossier van de procedure bij de rechtbank Rotterdam;
het in die procedure tussen partijen gewezen vonnis van 24 november 2021;
de dagvaarding in hoger beroep tevens houdende memorie van grieven tevens houdende een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis ex artikel 351 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van VMB Beheer van 22 februari 2022, met bijlagen;
de memorie van antwoord in het incident van Adca.
3. Feitelijke en processuele achtergrond
Op 30 juni 2017 heeft Adca alle aandelen in […] Besturingstechniek B.V. aan VMB Automation verkocht tegen een koopprijs van € 1.650.000. Afgesproken is dat van die koopprijs een bedrag van € 990.000 zal worden betaald op de overdrachtsdatum en een bedrag van € 660.000 zal worden omgezet in een door VMB Automation aan Adca te verstrekken (achtergestelde) geldlening. Op dezelfde dag hebben Adca als schuldeiser, VMB Automation als schuldenaar en VMB Beheer als garant een geldleningsovereenkomst gesloten. Op grond van artikel 4 van die overeenkomst heeft VMB Beheer zich tot een bedrag van maximaal € 660.000 jegens Adca garant gesteld tot zekerheid voor de betaling van wat Adca uit hoofde van de geldleningsovereenkomst van VMB Automation te vorderen heeft. In lid 6 van dit artikel is geregeld onder welke voorwaarden de garantstelling van VMB Beheer vervalt.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het geleende bedrag van € 660.000 (met rente en kosten) per 31 december 2019 integraal opeisbaar is geworden, omdat VMB Automation niet aan haar rentebetalingsverplichtingen heeft voldaan. VMB Automation is bij verstek veroordeeld om dit bedrag (vermeerderd met rente ) aan Adca te betalen. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het verweer van VMB Beheer, dat de garantstelling is vervallen omdat aan de voorwaarden van artikel 4 lid 6 van de geldleningsovereenkomst is voldaan, niet slaagt en dat Adca recht heeft op betaling van genoemd bedrag van VMB Beheer omdat zij zich garant heeft gesteld voor de betaling door VMB Automation. VMB Automation en VMB Beheer zijn veroordeeld in de kosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Adca heeft op basis van het vonnis ten laste van VMB Beheer executoriaal beslag laten leggen op het bedrijfspand van VMB Beheer en onder derden, waaronder de Coöperatieve Rabobank U.A. (hierna: de Rabobank) en aan VMB Beheer gelieerde vennootschappen. Bij brief van 5 januari 2022 heeft de Rabobank verklaard dat zij een recht van eerste hypotheek op het bedrijfspand van VMB Beheer heeft, dat zij indien nodig binnen zes maanden na dagtekening van haar brief tot executie zal overgaan voor het maximale bedrag van de hypothecaire inschrijving (€ 3.375.000 inclusief renten en kosten) en dat haar vordering op VMB Beheer op dit moment € 1.755.000 (vermeerderd met renten en kosten) bedraagt.
4. Beoordeling van de vordering in incident
VMB Beheer vordert in dit incident dat het hof op grond van artikel 351 Rv de tenuitvoerlegging van het vonnis, althans de uitvoerbaarverklaring bij voorraad, tijdens de behandeling van het hoger beroep schorst.
Het hof stelt voorop dat een partij die een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis heeft verkregen in beginsel bevoegd is dat vonnis te executeren, ook indien tegen het vonnis hoger beroep is ingesteld. Voor de maatstaven die behoren te worden aangelegd bij de beoordeling van de vordering in het incident (gebaseerd op artikel 351 Rv), geldt op grond van vaste rechtspraak dat eiser in het incident belang moet hebben bij de door hem verlangde schorsing van de tenuitvoerlegging. Daarbij moeten de volgende maatstaven worden aangelegd (zie HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR: 2019:2026).
Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende het hoger beroep, uitvoerbaar dient te zijn. Afwijking van dit uitgangspunt kan gerechtvaardigd zijn door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande situatie zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan.
Bij de toepassing van de onder a. genoemde maatstaf moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het hoger beroep tegen die beslissing buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter wel in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing berust op een kennelijke misslag.
Indien de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad in de ten uitvoer te leggen uitspraak is gemotiveerd, moet de eiser in het incident aan zijn vordering feiten en omstandigheden ten grondslag leggen die bij het nemen van deze beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de uitspraak hebben voorgedaan en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken. Dat is anders indien deze beslissing berust op een kennelijke misslag.
Kort samengevat gaat het dus om het volgende:
i. Adca mag betaling van VMB Beheer afdwingen, ook al is nog niet in hoger beroep beslist.
ii. Dat kan anders zijn wanneer het belang van VMB Beheer bij behoud van de bestaande situatie zwaarder weegt dan dat van Adca bij tenuitvoerlegging van het vonnis.
iii. Het hof moet uitgaan van de beslissingen in het vonnis en mag niet vooruitlopen op het hoger beroep.
iv. Als de rechtbank gemotiveerd heeft beslist over de uitvoerbaarheid bij voorraad, dan spelen slechts nieuwe feiten een rol, dat wil zeggen feiten die zich eerst na de bestreden uitspraak hebben voorgedaan.
In dit geval heeft de rechtbank de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad niet gemotiveerd. Het hof zal de incidentele vordering van VMB Beheer daarom beoordelen aan de hand van de hiervoor in 4.2 onder a. en b. genoemde maatstaven.
Ter onderbouwing van haar incidentele vordering stelt VMB Beheer dat haar belang bij behoud van de huidige toestand zwaarder weegt dan het belang van Adca bij tenuitvoerlegging van het vonnis. Volgens VMB Beheer drukken de door Adca gelegde executoriale beslagen zwaar op haarzelf en op de aan haar gelieerde vennootschappen. Het door Adca beslagen bedrijfspand van VMB Beheer is specifiek ingericht en toegerust op de activiteiten van VMB Beheer en de aan haar gelieerde vennootschappen. VMB Beheer schikt niet over enig ander actief en het is voor haar, gelet op de hoogte van de vordering van de Rabobank en de relatief beperkte zekerheden die de Rabobank tot haar beschikking heeft, niet mogelijk om een bankgarantie of enige andere zekerheid te stellen ten gunste van Adca. Indien de bezittingen van VMB Beheer door Adca ten gelde zullen worden gemaakt, dan zal dat tot ernstige financiële en operationele problemen bij VMB Beheer leiden en zal de continuïteit van VMB Beheer en de aan haar gelieerde vennootschappen ernstig in gevaar komen, waardoor een faillissement van het hele VMB concern en een noodtoestand dreigt, aldus VMB Beheer.
Adca stelt hiertegenover dat zij niet voornemens is om hangende de procedure in hoger beroep de tenuitvoerlegging van de beslagen vermogensbestanddelen van VMB Beheer voort te zetten. Wel stelt zij er groot belang bij te hebben om te beletten dat VMB Beheer hangende de procedure in hoger beroep vermogensbestanddelen vervreemdt of bezwaart en daarmee de verhaalsmogelijkheden voor Adca verkleint. Naar het oordeel van het hof wordt dat belang echter niet geschaad door de gevraagde schorsing van de tenuitvoerlegging. Deze laat de blokkerende en bewarende werking van het beslag immers onverlet. Adca zal desgewenst ook – met verlof van de voorzieningenrechter – aanvullende bewarende beslagen kunnen (blijven) leggen.
Indien het door Adca uitgesproken voornemen om hangende de procedure in hoger beroep de tenuitvoerlegging van de beslagen vermogensbestanddelen van VMB Beheer niet voort te zetten zou moeten worden aangemerkt als toezegging om dat niet te doen, heeft Adca geen belang (meer) bij haar verzet tegen de gevraagde schorsing. Indien niet sprake is van een toezegging, en Adca dus van haar voornemen zou kunnen terugkomen, geldt dat onvoldoende of althans niet voldoende gemotiveerd weersproken is dat (verdere) tenuitvoerlegging van de beslagen vermogensbestanddelen de continuïteit van de onderneming van VMB Beheer ernstig in gevaar zou brengen. Verder heeft Adca voor dat geval het door VMB Beheer gestelde restitutierisico niet weersproken.
Bij deze stand van zaken weegt het belang van VMB Beheer bij schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis zwaarder dan het belang van Adca bij (mogelijke) voortzetting daarvan. Het hof zal daarom de incidentele vordering tot schorsing toewijzen voor de duur van het geding in hoger beroep. De beslissing over de kosten van het incident zal worden aangehouden tot de beslissing in de hoofdzaak. De hoofdzaak zal naar de rol worden verwezen voor memorie van antwoord.
5. Beslissing
Het hof:
In het incident
- schorst de tenuitvoerlegging van het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam van 24 november 2021 voor de duur van het geding in hoger beroep;
- houdt de beslissing over de proceskosten in het incident aan totdat in de hoofdzaak zal zijn beslist;
In de hoofdzaak
- verwijst de zaak naar de rol van 29 november 2022 voor memorie van antwoord aan de zijde van Adca;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. C.J. Frikkee, M.C.M. van Dijk en J.W. Frieling en in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2022 in aanwezigheid van de griffier.