Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Dordrecht van 17 juni 2009 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedatum] 1983,
adres: [woonadres] [woonplaats] ([land]).
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en -na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden- het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde.
De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Bij arrest van dit gerechtshof van 24 maart 2010 is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 weken, met aftrek van voorarrest, alsmede tot een geldboete ter hoogte van € 3.000,00, subsidiair 40 dagen hechtenis. Voorts is een beslissing genomen omtrent de inbeslaggenomen voorwerpen.
Namens de verdachte is tegen dit arrest beroep in cassatie ingesteld.
Bij arrest van de Hoge Raad van 2 maart 2021 is het arrest van het hof vernietigd en is de zaak teruggewezen naar dit gerechtshof, opdat de zaak ten aanzien hiervan opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 02 juni 2009 te Dordrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een skimapparaat, in elk geval een voorwerp, voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist dat dit skimapparaat, in elk geval dat voorwerp, bestemd was tot het plegen van het misdrijf genoemd in artikel 232 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, te weten: opzettelijk (een) betaalpas(sen), (een) waardekaart(en), enige andere voor hetpubliek beschikbare kaart(en) of voor het publiek beschikbare drager(s) van identiteitsgegevens, bestemd voor het verrichten of verkrijgen van betalingen of andere prestaties langs geautomatiseerde weg, te weten: één of meerdere betaalpas(sen), althans de op die/dat betaalpas(sen) aanwezige data, valselijk op te maken of te vervalsen met het oogmerk zichzelf of een ander te bevoordelen.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld, maar dat aan hem geen straf of maatregel zal worden opgelegd.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op of omstreeks 02 juni 2009 te Dordrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een skimapparaat, in elk geval een voorwerp, voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist dat dit skimapparaat, in elk geval dat voorwerp, bestemd was tot het plegen van het enig misdrijf genoemd in artikel 232 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, te weten: opzettelijk (een) betaalpas(sen), (een) waardekaart(en), enige andere voor het publiek beschikbare kaart(en) of voor het publiek beschikbare drager(s) van identiteitsgegevens, bestemd voor het verrichten of verkrijgen van betalingen of andere prestaties langs geautomatiseerde weg, te weten: één of meerdere betaalpas(sen), althans de op die/dat betaalpas(sen) aanwezige data, valselijk op te maken of te vervalsen met het oogmerk zichzelf of een ander te bevoordelen.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Nadere bewijsoverweging
De verdachte heeft in een coffeeshop in Amsterdam met onbekende personen uit Moldavië afgesproken om een tas, waarvan de inhoud aan de verdachte niet bekend was, voor een aanzienlijk geldbedrag te vervoeren. Dit heeft hij vervolgens samen met zijn medeverdachten gedaan. Het hof is van oordeel dat de verdachte door de op zijn minst genomen geheimzinnige gang van zaken - gezien de plaats van de afspraak, de onbekendheid van de personen met wie de afspraak is gemaakt in relatie tot de aanmerkelijke hoogte van de geboden tegenprestatie - zich desbewust heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de tas een voorwerp met een illegale bestemming, zoals bijvoorbeeld een skimapparaat zou bevatten. Dat de verdachte rekening hield met een mogelijk illegaal karakter van deze afspraak, volgt overigens reeds uit de verklaring van de verdachte zelf dat hij eerst had geïnformeerd of het pakket drugs bevatte.
Nu de verdachte het skimapparaat voorhanden heeft gehad is het hof van oordeel dat de verdachte, die geen nadere informatie heeft kunnen verstrekken over de onbekende Moldaviërs, voor de inhoud van de tas verantwoordelijk was, en dat de verdachte, door die tas te vervoeren, zonder enige nadere informatie te vragen over de (inhoud van)de tas, behoudens de vraag of er drugs in de tas zat, en door enige controle van de (inhoud van de) tas na te laten, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zich in de tas een apparaat zou bevinden dat bestemd was voor het plegen van enig misdrijf als bedoeld in artikel 232 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht. De stelling van de raadsman dat het voorwaardelijk opzet specifiek moet zien op het bewust aanvaarden van de aanmerkelijk kans dat het een skimapparaat betrof, wordt door het hof verworpen.
Voorts heeft de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat uit het dossier niet is gebleken dat het om een werkend skimapparaat gaat. Ook deze stelling wordt door het hof verworpen. Uit het dossier volgt immers dat het skimapparaat dat bij de verdachte is aangenomen feilloos paste over een origineel pinapparaat op het station [station]. Tevens was het skimapparaat voorzien met een sticker, die ook op de originele pinautomaat zichtbaar was. Het apparaat was nog in nieuwe staat. Naar het oordeel van het hof staat derhalve vast dat het skimapparaat zoals aangetroffen bestemd was tot het plegen van enig misdrijf genoemd in artikel 232 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht. De vraag of het skimapparaat ook daadwerkelijk werkend was, welke vraag het hof overigens als een louter speculatieve vraag ziet, doet daar niet aan af.
Derhalve acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte minst genomen het voorwaardelijk opzet heeft gehad op het voorhanden hebben van het skimapparaat waarvan hij wist, in die zin dat hij willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard, dat dit apparaat
bestemd was tot het plegen van enig misdrijf genoemd in
artikel 232 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht.
Voorwaardelijk verzoek tot het doen van nader onderzoek
De raadsman van de verdachte heeft een voorwaardelijk verzoek gedaan om – indien het hof de verdachte niet zal vrijspreken - nader onderzoek te laten doen aan het skimapparaat om te onderzoeken of het een werkend skimapparaat betrof.
Van de noodzaak daarvan is – gelet op de onderbouwing die aan het verzoek ten grondslag ligt en met inachtneming van hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen – naar het oordeel van het hof niet gebleken, zodat het hof dit verzoek afwijst.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
een voorwerp voorhanden hebben waarvan hij weet dat het bestemd is tot het plegen van enig in artikel 232, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Geen straf of maatregel
Het hof heeft acht geslagen op de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en inmiddels de ouderdom van de zaak zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, acht het hof het raadzaam, overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal, te volstaan met de vaststelling dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit, en te bepalen dat aan de verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd.
Beslag
Bij vonnis van de politierechter van 17 juni 2009 is ten aanzien van het beslag verwezen naar de in het strafdossier onder 3.1.1. genoemde goederen en beslist tot onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen schoudertas (kleur: groen) en het skimapparaat. Ten aanzien van de overige in beslag genomen goederen is beslist tot teruggave aan de rechthebbende.
De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat ten aanzien van het beslag aangesloten kan worden bij de beslissing van de politierechter.
Het hof overweegt als volgt. De na te melden inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, met betrekking tot welke het tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.
Ten aanzien van de inbeslaggenomen en nog niet
teruggegeven voorwerpen en geldbedragen zoals deze
vermeld zijn op de beslaglijsten opgenomen onder 3.1.1
van het strafdossier zal het hof de teruggave gelasten
aan de rechthebbende.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 36b en 36c van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Bepaalt dat ter zake van het bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Verklaart onttrokken aan het verkeer:
- Skimapparaat (kleur: blauw);
- Schoudertas kleur: groen).
Gelast de teruggave van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen en geldbedragen zoals deze vermeld zijn op de beslaglijsten opgenomen onder 3.1.1
van het strafdossier aan de rechthebbende.
Dit arrest is gewezen door mr. C.G.M. van Rijnberk,
mr. M.C. Bruining en mr. J.J.H.M. van Gennip, in bijzijn van de griffier mr. I.M. van Hoevelaken.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 9 december 2022.