Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 3 november 2020 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 26 mei 2018 te Waddinxveen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] van het leven te beroven, opzettelijk met een
revolver, in elk geval met een vuurwapen een (aantal) kogel(s) heeft afgevuurd op of in de richting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , terwijl de
uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
EN/OF
hij op of omstreeks 26 mei 2018 te Waddinxveen [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling door
- aan die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] een vuurwapen te tonen en/of
- een vuurwapen op die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] te richten en/of
- met een vuurwapen een (aantal) kogel(s) af te vuren op of in de richting van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] .
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, met uitzondering van de opgelegde straf en de vorderingen van de benadeelde partij, en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar en 6 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis zal worden opgeheven op de datum van het wijzen van arrest.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op of omstreeks 26 mei 2018 te Waddinxveen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] van het leven te beroven, opzettelijk met een
revolver, in elk geval met een vuurwapen een (aantal) kogel(s) heeft afgevuurd op of in de richting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], terwijl de
uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
EN/OF
hij op of omstreeks 26 mei 2018 te Waddinxveen A [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven en/of zware mishandeling door
- aan die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] een vuurwapen te tonen en/of
- een vuurwapen op die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] te richten en/of
- met een vuurwapen een (aantal) kogel(s) af te vuren op of in de richting van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3].
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering (hierna Sv) wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Nadere bewijsoverwegingen
Feiten en omstandigheden
In lijn met de rechtbank en op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast. In het bijzonder geldt dat voor de verklaringen van [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ), zoals afgelegd als aangever bij de politie, en de politie-verklaringen van diens toenmalige levenspartner [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) en [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3] ), als aangevers. Die verklaringen ondersteunen elkaar op hoofdlijnen.
Op 26 mei 2018 heeft de verdachte via de website [website] een escort besteld, te weten [slachtoffer 3] . [slachtoffer 3] werd door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] naar de woning van de verdachte gebracht. Nadat de verdachte de deur voor [slachtoffer 3] open had gedaan, raakten zij met elkaar in discussie, waarbij ook [slachtoffer 1] werd betrokken.
[slachtoffer 1] verklaart dat hij op een gegeven moment zag dat de verdachte witheet werd en naar binnen ging, waarna [slachtoffer 3] hem achterna liep, de woning in. [slachtoffer 3] verklaarde in het verhoor bij de rechter-commissaris van 31 oktober 2019 dat zij zag dat de verdachte de trap afliep en kogels in een revolver stopte. Kort hierna hoorde [slachtoffer 1] , zo verklaart hij, dat vanuit de woning twee schoten werden gelost, waarvan één op de vooruit van de auto van [slachtoffer 2] ketste. Voorts zag hij dat [slachtoffer 3] naar buiten rende. [slachtoffer 2] hoorde heel dichtbij haar een knal (haar verklaring op pagina 51 van het procesdossier).
Vervolgens werden nog twee schoten gelost. [slachtoffer 2] verklaart dat de schoten in haar richting werden afgevuurd. Op het moment dat de verdachte naar buiten kwam, zag [slachtoffer 1] dat hij zijn wapen op de auto van [slachtoffer 2] richtte.
[slachtoffer 1] heeft toen met al zijn kracht op het gezicht van de verdachte geslagen, waarop de verdachte naar links viel, met zijn hand zwaaide en nog een schot loste. [slachtoffer 1] voelde dat de kogel zijn rechterkaak raakte, waarna hij het gevoel aan de rechterkant van zijn gezicht kwijt raakte en zag dat hij veel bloed verloor. De verdachte stond op en had de revolver nog op [slachtoffer 1] gericht. [slachtoffer 1] pakte de revolver aan de bovenkant vast en stak een vinger achter de trekker, zodat de verdachte niet meer kon schieten (zijn verklaring op pagina 32 van het procesdossier). Hierna trok [slachtoffer 1] de verdachte naar zich toe en kwamen zij in hun worsteling ten val, waarbij [slachtoffer 1] het wapen weer heeft losgelaten. De verdachte lag op zijn buik en [slachtoffer 1] lag bovenop de rug van de verdachte. De verdachte richtte het wapen weer omhoog en [slachtoffer 1] voelde dat de loop van het wapen zijn neus aantikte. [slachtoffer 1] draaide snel zijn hoofd en op dat moment hoorde hij een schot, waarna hij pijn voelde aan de rechterzijde van zijn nek. Vervolgens heeft [slachtoffer 1] het wapen van de verdachte weten af te pakken, waarna hij de trommel van de revolver opende, de kogels eruit gooide en de revolver onder een boom weggooide.
[slachtoffer 2] heeft verklaard dat de verdachte de loop van het wapen in het gezicht van [slachtoffer 1] had gericht, waarna ze op de grond vielen en zij een knal hoorde. Zij heeft verklaard dat de verdachte hierna nog een keer op het hoofd van [slachtoffer 1] richtte en schoot. Tevens heeft zij gezien dat [slachtoffer 1] het wapen van de verdachte heeft afgepakt en weggegooid.
[slachtoffer 3] verklaarde bij de politie over een lijfelijk gevecht tussen de verdachte en [slachtoffer 1] en dat zij schoten heeft gehoord.
Kogelpunt en -patroon
In de auto heeft [slachtoffer 1] een T-shirt om zijn nek gedaan tegen het bloeden. [slachtoffer 3] heeft aan de politie een foto van de nek van [slachtoffer 1] overhandigd, die zij in de auto heeft gemaakt. Thuis heeft [slachtoffer 2] een 6mm kogelpunt uit de nek van [slachtoffer 1] verwijderd. [slachtoffer 1] heeft later opgezocht dat het door de verdachte gehanteerde wapen een revolver Alpha 6 millimeter Flobert betrof. Bij de aangifte van [slachtoffer 1] d.d. 15 juni 2018 zijn foto’s van de wonden in de kaak en de nek van [slachtoffer 1] , bijgevoegd op pagina’s 37-38 van het procesdossier en een foto van de verwijderde kogelpunt uit de nek van [slachtoffer 1] op pagina 36.
Op 16 juni 2018 heeft [slachtoffer 1] de uit zijn nek verwijderde kogelpunt aan de politie gegeven. Deze kogelpunt is in beslag genomen en geregistreerd onder nummer AALB72265.
Op 19 juni 2018 heeft de politie forensisch technisch onderzoek gedaan bij de woning van de verdachte, waarbij aan het begin van het betegelde pad naar de voordeur van de woning in de watergoot een koperkleurige patroon is aangetroffen met op de bodem de stempel S&B, geregistreerd onder nummer AAKO1777NL.
Vervolgens is de uit de nek van [slachtoffer 1] afkomstige kogelpunt door een materiedeskundige wapens, munitie en explosieven van de politie vergeleken met het bij de woning van de verdachte aangetroffen patroon. De onderzoeker heeft vastgesteld dat deze patroon een kogelpatroon van het merk Sellier & Bellot, kaliber 6 mm Flobert, betreft. De door [slachtoffer 1] overhandigde kogelpunt heeft hetzelfde kaliber en is vermoedelijk van hetzelfde merk als de patroon. De conclusie van de onderzoeker luidt dat de kogelpunt vermoedelijk afkomstig is van eenzelfde patroon als de eerder beschreven (kogel)patroon.
Letsel van [slachtoffer 1]
Op 5 juni 2018 heeft een verpleegkundig specialist in het Ikazia ziekenhuis in Rotterdam twee wondjes rechts op de kaak en in de nek bij [slachtoffer 1] geconstateerd.
Op 1 oktober 2019 is door een deskundige, verbonden aan de Unit Forensische Radiologie van het Maastricht UMC, nader onderzoek gedaan naar de CT-scans van de nek en hals van [slachtoffer 1] , die op 5 juni 2018 waren gemaakt. Het rapport vermeldt dat er op het beschikbare fotomateriaal twee huidperforaties zichtbaar zijn, te weten één rechts in de nek, direct onder de schedel en één ter hoogte van de rechteronderkaak.
Beschrijving van de onderzoeken, CT van hersenen en hals: Er zijn twee zwellingen van het onderhuidse vetweefsel zichtbaar: in de rechterwang en rechtsachter in de nek. Gezien de gegeven informatie op de aanvraag, kunnen deze zwellingen passen bij (deels) genezen huiddefecten.
Er is een fractuur van het rechterdeel van de onderkaak en zeer waarschijnlijk een defect aan de onderzijde van het rechterjukbeen. In de nabijheid van deze letsels bevindt zich een metaal dense structuur.
Uit het rapport naar aanleiding van het forensisch geneeskundig en ballistisch onderzoek van het NFI d.d. 23 december 2019 blijkt onder meer dat de huidbeschadigingen bij [slachtoffer 1] ter hoogte van de rechteronderkaak en de nek (waarschijnlijk) duiden op inschotwonden.
Conclusie
Op grond van het voorgaande is het hof in lijn met de rechtbank van oordeel dat uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte op 26 mei 2018 in ieder geval twee keer van dichtbij op [slachtoffer 1] heeft geschoten, in zijn woning aan [slachtoffer 3] een vuurwapen heeft getoond en kogels in de richting van [slachtoffer 2] heeft afgevuurd.
Opzetverweer
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte zich op het standpunt gesteld dat geen sprake kan zijn van een opzettelijk gericht schieten op [slachtoffer 1] .
Het hof overweegt dat hiervoor is vastgesteld dat een schermutseling heeft plaatsgevonden tussen de verdachte en [slachtoffer 1] , waarbij de verdachte en [slachtoffer 1] elkaar vasthadden, en dat de verdachte in deze schermutseling van zeer korte afstand een vuurwapen heeft afgevuurd in de directe nabijheid van het hoofd van [slachtoffer 1] .
Hiermee is naar het oordeel van het hof voldoende vast komen te staan dat de verdachte, door te schieten in de directe nabijheid van het hoofd van [slachtoffer 1] , waarbij de kogels zijn kaak en zijn nek hebben geraakt, welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij [slachtoffer 1] dodelijk zou raken. Daarmee heeft de verdachte ten minste voorwaardelijk opzet op de mogelijke dood van [slachtoffer 1] gehad.
Het hof verwerpt het verweer.
Voorwaardelijk verzoek
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep het voorwaardelijk verzoek gedaan tot het horen van een wapendeskundige van het NFI over de mogelijkheid dat [slachtoffer 1] zijn vinger achter de trekker zou hebben gestoken tijdens de worsteling, waarmee niet duidelijk is wie degene is geweest die de schoten heeft gelost.
Het hof acht dit onderzoek, mede gezien de motivering van het verzoek daartoe, niet noodzakelijk. Uit de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden blijkt, anders dan de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep heeft gesteld, dat [slachtoffer 1] het wapen al had losgelaten voordat het schot in de schermutseling werd gelost. Hiermee acht het hof het horen van de deskundige niet noodzakelijk voor enig te nemen beslissing.
Het hof wijst het verzoek af.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Noodweer-verweer
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat aan de verdachte een beroep op noodweer toekomt, omdat het eerste concrete geweld is uitgegaan van [slachtoffer 1] .
Het hof overweegt hiertoe als volgt.
Uit de verklaringen van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] komt naar voren dat van een noodweersituatie geen sprake is geweest, omdat de verdachte al twee schoten had gelost voordat [slachtoffer 1] enig geweld heeft toegepast. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte dus niet in een situatie verkeerd waarbij hij zich noodzakelijkerwijs moest verdedigen tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.
Het hof verwerpt het verweer.
Het bewezenverklaarde levert op:
poging tot doodslag
en
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid van de verdachte
Noodweerexces-verweer
Gelet op het hiervoor overwogene over het ontbreken van een noodweersituatie, verwerpt het hof reeds hierom het beroep op noodweerexces.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en voorts op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag jegens het slachtoffer [slachtoffer 1] door met een vuurwapen op hem te schieten, waardoor het slachtoffer één keer in zijn gezicht en één keer in zijn nek is geraakt. De verdachte was onder invloed van alcohol.
Door aldus te handelen heeft de verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en diens leven ernstig in gevaar gebracht.
Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan de bedreiging van slachtoffers [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] door een vuurwapen aan [slachtoffer 3] te tonen en schoten te lossen in de richting van [slachtoffer 2] . De verdachte heeft daardoor heftige gevoelens van angst en onveiligheid bij de slachtoffers veroorzaakt. Daarnaast veroorzaken misdrijven als de onderhavige gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij in het algemeen.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 8 november 2023, waaruit blijkt dat de verdachte, voor zover thans nog relevant, niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten en dat hij na het onderhavige feit niet met politie of justitie in aanraking is gekomen.
Het hof weegt, naast de hiervoor genoemde overwegingen ten aanzien van de slachtoffers, ook de volgende, strafverminderende, omstandigheden mee, te weten: de ouderdom van de gepleegde feiten, het ontbreken van Justitiële Documentatie bij de verdachte, de door de verdachte ondervonden nadelige gevolgen van de onderhavige strafzaak voor zijn onderneming en het feit dat hij tijdens de schermutseling ook zelf harde klappen (op zijn gezicht) heeft gekregen.
Het hof is van oordeel dat in beginsel een onvoorwaardelijk gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden (4 jaar) een passende en geboden reactie vormt.
Het hof heeft voorts geconstateerd dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. Het hof neemt hierbij met name de overschrijding van de termijn voor de behandeling in hoger beroep in aanmerking. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn komt het hof tot een lagere straf. Aan de verdachte zal – in plaats van de hiervoor overwogen gevangenisstraf – een gevangenisstraf voor de duur van 43 maanden worden opgelegd.
Anders dan de advocaat-generaal heeft gevorderd, acht het hof thans geen termen aanwezig om de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen, zodat deze vordering zal worden afgewezen.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv, aan de orde is.
Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 1]
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 10.000,00.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij, tot een bedrag van € 5.000,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.
Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor gedeeltelijke toewijzing tot een bedrag van € 5.000,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 mei 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.
Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.
Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van
€ 5.000,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] .
Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 2]
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële ad € 2.479,73 en immateriële schade ad € 4.000,00 als gevolg van het aan de verdachte bewezenverklaarde, derhalve tot een bedrag van in totaal € 6.479,73.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij, tot een bedrag van € 4.229,73, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.
Naar het oordeel van het hof komen de gevorderde reiskosten naar advocaat ad € 17,00 niet voor vergoeding in aanmerking, aangezien het daarbij gaat om proceskosten die als zodanig niet worden gevorderd. Voor het overige heeft de benadeelde partij naar het oordeel van het hof aangetoond dat tot een bedrag van € 2.462,73 materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 mei 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.
Voorts is het hof van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor gedeeltelijke toewijzing tot een bedrag van € 500,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 mei 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.
Voor het overige levert behandeling van dit deel van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.
Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van
€ 2.962,73 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] .
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 57, 285 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 43 (drieënveertig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.000,00 (vijfduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling, die kan worden toegepast bij niet (volledige) betaling, op ten hoogste 60 (zestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 26 mei 2018.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.962,73 (tweeduizend negenhonderdtweeënzestig euro en drieënzeventig cent) bestaande uit € 2.462,73 (tweeduizend vierhonderdtweeënzestig euro en drieënzeventig cent) materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.962,73 (tweeduizend negenhonderdtweeënzestig euro en drieënzeventig cent) bestaande uit € 2.462,73 (tweeduizend vierhonderdtweeënzestig euro en drieënzeventig cent) materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling, die kan worden toegepast bij niet (volledige) betaling, op ten hoogste 39 (negenendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 26 mei 2018.
Dit arrest is gewezen door mr. A.J.M. Kaptein,
mr. Chr.A. Baardman en mr. C.M. Derijks, in bijzijn van de griffier mr. M.T. Huynh.
mr. Chr.A. Baardman is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 4 december 2023.