PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/04848
Zitting 9 september 2025
CONCLUSIE
P.H.P.H.M.C. van Kempen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de verdachte
1. Inleiding
De verdachte is bij arrest van 4 december 2023 door het gerechtshof Den Haag (rolnr. 22-003196-20) wegens “poging tot doodslag” en “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf van 43 maanden met aftrek voorarrest. Ook heeft het hof de vorderingen van de benadeelde partijen gedeeltelijk toegewezen en voor de toegewezen bedragen schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, een en ander op de wijze als in het bestreden arrest is vermeld.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld. Namens de benadeelde partijen heeft L.A. Alderlieste , advocaat te Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
2. Waar het in cassatie om gaat
De verdachte had op 26 mei 2018 een escort besteld. [benadeelde 1] en [benadeelde 2] halen de escort ( [benadeelde 3] ) op en brengen haar naar het huis van de verdachte. Als er op een gegeven moment bij de voordeur onenigheid ontstaat tussen de verdachte en de escort escaleert de situatie, blijkens de bewezenverklaring resulterend in een poging tot doodslag op [benadeelde 1] en bedreigingen van [benadeelde 3] en [benadeelde 2] met een levensdelict. In cassatie wordt namens de verdachte geklaagd dat de bewezenverklaring innerlijk tegenstrijdig is, dat uit de gebezigde bewijsvoering niet zonder meer kan volgen dat de verdachte aan [benadeelde 3] een vuurwapen heeft getoond en voorwaardelijk opzet heeft gehad op de bedreiging van [benadeelde 3] , en evenmin dat de verdachte het opzet heeft gehad om [benadeelde 2] te bedreigen door met dat opzet in haar richting te schieten. Verder wordt namens de verdachte geklaagd dat de redelijke termijn in cassatie is overschreden. Het namens de benadeelde partijen voorgestelde middel heeft betrekking op de afwijzing door het hof van een gedeelte van de gevorderde immateriële schade en de in zoverre niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partijen in hun vorderingen.
Deze conclusie houdt in dat het tweede namens de verdachte voorgestelde middel slaagt en dat de andere middelen falen.
3. Het eerste namens de verdachte voorgestelde middel
Het middel klaagt dat de bewezenverklaring ten aanzien van de bedreiging van [benadeelde 3] en [benadeelde 2] ontoereikend is gemotiveerd, omdat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet, althans niet zonder meer, kan worden afgeleid dat de verdachte aan die [benadeelde 3] een vuurwapen heeft getoond en een kogel heeft afgevoerd in de richting van [benadeelde 2] .
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op of omstreeks 26 mei 2018 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] van het leven te beroven, opzettelijk met een revolver, in elk geval met een vuurwapen een (aantal) kogel(s) heeft afgevuurd op of in de richting van die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
EN/OF
hij op of omstreeks 26 mei 2018 te [plaats] [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven en/of zware mishandeling door
- aan die [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] een vuurwapen te tonen
en/of
- een vuurwapen op die [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] te richten
en/of
- met een vuurwapen een (aantal) kogel(s) af te vuren op of in de richting van die [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3]”
Deze bewezenverklaring steunt op onder meer de volgende bewijsmiddelen:
“1.
Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 19 juni 2018 van de politie, Eenheid Den Haag […]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - […]:
als de op 19 juni 2018 afgelegde verklaring van [verdachte] :
Ik had een escort gebeld. Ik had deze via een advertentie op kinky.nl.
2.
Een proces-verbaal van aangifte met fotobijlagen d.d. 15 juni 2018 van de politie, Eenheid Rotterdam […]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - […]:
als de op 15 juni 2018 afgelegde verklaring van [benadeelde 1] :
Ik breng ook af en toe een kennis, genaamd ‘ [benadeelde 3] ’ (het hof begrijpt: [benadeelde 3] ), weg naar een ‘sex-afspraak’.
Op 26 mei 2018 belde [benadeelde 3] mij met de vraag of ik iets te doen had. Zij vertelde mij dat zij een afspraak had in [plaats] .
[benadeelde 3] stapte naast mij in de auto en [benadeelde 2] (het hof begrijpt: [benadeelde 2] ) zat achter [benadeelde 3] op de achterbank. Omstreeks 18.45 uur kwamen wij aan op het adres [a-straat 1] te [plaats] . Ik zag dit adres van ‘ [A] B.V.’ was.
Ik zag dat de voordeur van de woning werd geopend door een man. Ik zag aan de handgebaren van [benadeelde 3] en ‘ [verdachte] ’ dat er iets aan de hand was. Ik zag dat zij handgebaren naar mij maakten. Ik liep in de richting van de genoemde voordeur. Ik hoorde [benadeelde 3] en [verdachte] hierna ruzie maken. Ik zag dat [verdachte] witheet was. Ik zag dat hij naar binnen liep. Ik hoorde kort hierna twee schoten en dat deze vanuit de woonkamer werden gelost. Een van de kogels ketste op de voorruit van de auto van [benadeelde 2] . Ik zag dat [benadeelde 3] naar buiten rende. Ik hoorde dat er vervolgens nog twee schoten werden gelost. Op het moment dat [verdachte] naar buiten stapte, zag ik dat [verdachte] het wapen richtte op de auto van [benadeelde 2] .
Op het moment dat ik hierna het gezicht van [verdachte] naar buiten zag komen, heb ik met al mijn kracht op zijn gezicht geslagen. Ik zag dat [verdachte] naar links viel. Ik zag dat hij zijn hand waarin hij de revolver vasthield naar achteren zwaaide. Ik zag en hoorde dat hij nog een schot loste. Ik voelde dat de kogel mijn rechterkaak raakte. Ik voelde de rechterkant van mijn gezicht niet meer en zag dat ik veel bloed verloor.
[verdachte] stond op en wilde zich net omdraaien. Ik zag dat hij de revolver op mij gericht had. Ik pakte zijn wapen aan de bovenkant vast en stak een vinger achter de trekker, zodat hij niet meer kon schieten. Ik trok hem [verdachte] naar mij toe, maar wij verloren onze evenwicht en vielen. Om mijn val te breken, had ik de revolver losgelaten. [verdachte] lag op zijn buik en ik lag op zijn rug. [verdachte] richtte zijn rechterhand met daarin de revolver weer omhoog. Ik voelde dat de loop mijn neus aantikte. Ik draaide mijn hoofd heel snel naar links. Op dat moment hoorde ik een schot en voelde ik pijn aan de rechterzijde van mijn nek.
Ik heb [verdachte] rechterarm naar boven gestrekt om ervoor te zorgen dat hij de revolver los zou laten. Ik voelde dat hij de revolver gelijk losliet. Ik gooide de trommel van de revolver open en heb de kogels eruit gegooid. De revolver heb ik hier op het grasveld onder een boom gegooid.
Hierna ben ik in de auto gestapt en heb mijn T-shirt uitgedaan en om mijn nek gewikkeld om het bloed in mijn nek te stelpen. Toen [benadeelde 2] en ik in haar woning kwamen, heeft zij de kogel uit mijn nek getrokken.
[…]
3.
Het proces-verbaal van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Den Haag van 31 oktober 2019. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:
als de op 31 oktober 2019 tegenover deze rechter-commissaris afgelegde verklaring van [benadeelde 3] :
Ik stond op een advertentie op de site Kinky.nl.
Toen ik keek, kwam hij de trap af. Ik zag dat hij, terwijl hij de trap afliep, kogels in een revolver stopte. Ik ben meteen weggerend.
4.
Een proces-verbaal van aangifte d.d. 19 juni 2018 van de politie, Eenheid Den Haag […]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - […]:
als de op 16 juni 2018 afgelegde verklaring van [benadeelde 2] :
Op 26 mei 2018 was ik met mijn vriend, [benadeelde 1] , bij mij thuis. Hij vroeg of ik mee ging om iemand weg te brengen. De persoon die wij gingen ophalen bleek [benadeelde 3] te zijn. Een paar minuten later hoorde ik een schot. Daarna hoorde ik nog een knal, maar dan heel vlak bij mij. Ik hoorde nog een aantal schoten. Ik had het idee dat hij op mij schoot, anders komen ze niet zo vlak langs mij.
[benadeelde 1] stond nog bij de woning. Hij pakte de man beet en probeerde zichzelf te redden. Ik zag dat de loop van de revolver in het gezicht van [benadeelde 1] gericht stond. Daarna vielen zij op de grond en hoorde ik een knal. De arm van de man ging over zijn schouder heen. Hiermee richtte hij op het hoofd van [benadeelde 1] en schoot hij ook echt.
Daarna zag ik dat [benadeelde 1] opstond met het wapen in zijn hand. Hij had het dus af kunnen pakken. Ik zag dat hij het wapen ontlaadde door tegen het wapen aan te slaan en te tikken. Toen dat gelukt was, gooide hij het wapen tegen een boom aan.
5.
Een proces-verbaal van verhoor aangever met fotobijlagen d.d. 26 november 2018 van de politie, Eenheid Den Haag, […]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - […]:
als de op 26 november 2018 afgelegde verklaring van [benadeelde 3] :
Die twee gingen een lijfelijk gevecht aan en ik hoorde geluiden: “Pang, pang”.
[…]”
Het bestreden arrest houdt onder het kopje “Nadere bewijsoverwegingen” het volgende in:
“Feiten en omstandigheden
In lijn met de rechtbank en op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting in
hoger beroep stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast. In het bijzonder geldt dat voor de verklaringen van [benadeelde 1] (hierna: [benadeelde 1] ), zoals afgelegd als aangever bij de politie, en de politie-verklaringen van diens toenmalige levenspartner [benadeelde 2] (hierna: [benadeelde 2] ) en [benadeelde 3] (hierna: [benadeelde 3] ), als aangevers. Die verklaringen ondersteunen elkaar op hoofdlijnen.
Op 26 mei 2018 heeft de verdachte via de website kinky.nl een escort besteld, te weten [benadeelde 3] . [benadeelde 3] werd door [benadeelde 1] en [benadeelde 2] naar de woning van de verdachte gebracht. Nadat de verdachte de deur voor [benadeelde 3] open had gedaan, raakten zij met elkaar in discussie, waarbij ook
[benadeelde 1] werd betrokken.
[benadeelde 1] verklaart dat hij op een gegeven moment zag dat de verdachte witheet werd en naar binnen ging, waarna [benadeelde 3] hem achterna liep, de woning in. [benadeelde 3] verklaarde in het verhoor bij de rechter-commissaris van 31 oktober 2019 dat zij zag dat de verdachte de trap afliep en kogels in een revolver stopte. Kort hierna hoorde [benadeelde 1] , zo verklaart hij, dat vanuit de woning twee schoten werden gelost, waarvan één op de vooruit van de auto van [benadeelde 2] ketste. Voorts zag hij dat [benadeelde 3] naar buiten rende. [benadeelde 2] hoorde heel dichtbij haar een knal (haar verklaring op pagina 51 van het procesdossier).
Vervolgens werden nog twee schoten gelost. [benadeelde 2] verklaart dat de schoten in haar richting werden afgevuurd. Op het moment dat de verdachte naar buiten kwam, zag [benadeelde 1] dat hij zijn wapen op de auto van [benadeelde 2] richtte.
[benadeelde 1] heeft toen met al zijn kracht op het gezicht van de verdachte geslagen, waarop de verdachte naar links viel, met zijn hand zwaaide en nog een schot loste. [benadeelde 1] voelde dat de kogel zijn rechterkaak raakte, waarna hij het gevoel aan de rechterkant van zijn gezicht kwijt raakte en zag dat hij veel bloed verloor. De verdachte stond op en had de revolver nog op [benadeelde 1] gericht. [benadeelde 1] pakte de revolver aan de bovenkant vast en stak een vinger achter de trekker, zodat de verdachte niet meer kon schieten (zijn verklaring op pagina 32 van het procesdossier). Hierna trok [benadeelde 1] de verdachte naar zich toe en kwamen zij in hun worsteling ten val, waarbij [benadeelde 1] het wapen weer heeft losgelaten. De verdachte lag op zijn buik en [benadeelde 1] lag bovenop de rug van de verdachte. De verdachte richtte het wapen weer omhoog en [benadeelde 1] voelde dat de loop van het wapen zijn neus aantikte. [benadeelde 1] draaide snel zijn hoofd en op dat moment hoorde hij een schot, waarna hij pijn voelde aan de rechterzijde van zijn nek. Vervolgens heeft [benadeelde 1] het wapen van de verdachte weten af te pakken, waarna hij de trommel van de revolver opende, de kogels eruit gooide en de revolver onder een boom weggooide.
[benadeelde 2] heeft verklaard dat de verdachte de loop van het wapen in het gezicht van [benadeelde 1] had gericht, waarna ze op de grond vielen en zij een knal hoorde. Zij heeft verklaard dat de verdachte hierna nog een keer op het hoofd van [benadeelde 1] richtte en schoot. Tevens heeft zij gezien dat [benadeelde 1] het wapen van de verdachte heeft afgepakt en weggegooid.
[benadeelde 3] verklaarde bij de politie over een lijfelijk gevecht tussen de verdachte en [benadeelde 1] en dat zij
schoten heeft gehoord.
[…]
Conclusie
Op grond van het voorgaande is het hof in lijn met de rechtbank van oordeel dat uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte op 26 mei 2018 in ieder geval twee keer van dichtbij op [benadeelde 1] heeft geschoten, in zijn woning aan [benadeelde 3] een vuurwapen heeft getoond en kogels in de richting van [benadeelde 2] heeft afgevuurd.”
De toelichting op het middel bevat drie deelklachten.
De eerste deelklacht houdt in dat de bewezenverklaring innerlijk tegenstrijdig is, omdat de verdachte is vrijgesproken van poging tot doodslag op [benadeelde 2] , bestaande uit het opzettelijk met een revolver kogels afvuren op of in de richting van die [benadeelde 2] , terwijl als bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is bewezenverklaard dat de verdachte met een vuurwapen “een kogels” heeft afgevuurd in de richting van die [benadeelde 2] .
De tenlastelegging van de poging tot doodslag is toegespitst op drie personen, te weten [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] . Het hof heeft enkel de poging tot doodslag op [benadeelde 1] bewezenverklaard in die zin dat de verdachte met een revolver kogels op die [benadeelde 1] heeft afgevuurd. Het hof heeft de verdachte vrijgesproken van poging tot doodslag op [benadeelde 2] en [benadeelde 3] door het opzettelijk met een vuurwapen kogels afvuren op of in de richting van [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] . Wel heeft het hof de verdachte, voor zover het [benadeelde 2] betreft, veroordeeld wegens bedreiging met enig misdrijf tegen het leven door met een vuurwapen “een kogels” af te vuren in de richting van die [benadeelde 2] .
Van een innerlijke tegenstrijdigheid in de bewezenverklaring is mijns inziens geen sprake. De vrijspraak van het ten laste gelegde onderdeel “op of in de richting van [benadeelde 2] ” in het kader van de poging tot doodslag op die [benadeelde 2] wil niet meer zeggen dan dat het hof van oordeel is dat het afvuren van kogels (op of) in de richting van [benadeelde 2] geen poging tot doodslag oplevert. Daarmee is niet gezegd dat het hof van oordeel is dat er door de verdachte geen kogels in de richting van [benadeelde 2] zijn afgevuurd.
Mogelijk is met de deelklacht (ook) bedoeld dat de bewezenverklaring innerlijk tegenstrijdig en onbegrijpelijk is vanwege het daarin opgenomen onderdeel “een kogels”. Taalkundig is dit zinsdeel inderdaad onjuist, maar dit verzuim behoeft niet tot cassatie te leiden, omdat het evident om een kennelijke misslag gaat en de Hoge Raad de bewezenverklaring verbeterd kan lezen. Gelet op de onder 3.4 geciteerde overwegingen uit de “Nadere bewijsoverwegingen” van het hof, ga ik ervan uit dat “kogels” in de plaats van “een kogels” moet worden gelezen. Omdat in die lezing de aard en de ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd niet worden aangetast, de kwalificatie in stand blijft en de maximumstraf niet wijzigt, wordt de verdachte door deze verbeterde lezing van de bewezenverklaring niet in zijn belangen geschaad. Door de verbeterde lezing ontvalt de feitelijke grondslag aan de deelklacht, zodat die ook zo bezien niet tot cassatie kan leiden.
De eerste deelklacht faalt.
In de tweede plaats wordt geklaagd dat de bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat de verdachte aan [benadeelde 3] een vuurwapen heeft getoond en voorwaardelijk opzet heeft gehad op de bedreiging van [benadeelde 3] niet, althans niet zonder meer, kan volgen uit de bewijsmiddelen. Daarbij wijzen de stellers van het middel op de betekenis van het woord “tonen” zoals opgenomen in de Dikke Van Dale. Uit het verhandelde ter terechtzitting en de bewijsmiddelen zou volgen dat [benadeelde 3] en [benadeelde 1] bij de verdachte hebben aangebeld en dat daar een ruzie is ontstaan waarna de verdachte de trap naar boven is opgelopen en [benadeelde 3] kennelijk de hal van de woning is ingelopen en de verdachte toen achterwaarts de wenteltrap is afgelopen en [benadeelde 3] heeft waargenomen dat de verdachte een wapen zou hebben geladen. Volgens de stellers van het middel blijkt uit de bewijsmiddelen niet dat [benadeelde 3] in de hal aanwezig was en een wapen heeft kunnen waarnemen, terwijl uit de omstandigheid dat de verdachte de spiraalvormige trap achterwaarts is afgelopen veeleer blijkt dat de verdachte in ieder geval niet het wapen heeft willen laten zien aan [benadeelde 3] . De bewezenverklaring zou daarom ontoereikend zijn gemotiveerd.
Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte [benadeelde 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door [benadeelde 3] een vuurwapen te tonen. Het hof heeft op basis van de verklaring van getuige [benadeelde 1] (bewijsmiddel 1) vastgesteld dat de verdachte op enig moment witheet werd en zijn woning binnen ging en dat [benadeelde 3] hem toen achterna de woning in is gelopen. Op basis van de door [benadeelde 3] bij de rechter-commissaris van 31 oktober 2019 afgelegde verklaring (bewijsmiddel 3) heeft het hof vastgesteld dat [benadeelde 3] zag dat de verdachte de trap afliep en kogels in een revolver stopte.
De klacht treft ook geen doel voor zover deze inhoudt dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat [benadeelde 3] in de hal aanwezig was en een wapen heeft kunnen waarnemen. Het hof kon er gelet op de verklaring van [benadeelde 1] van uitgaan dat [benadeelde 3] in de woning stond toen zij waarnam dat de verdachte kogels in een revolver stopte, omdat [benadeelde 3] zelf heeft verklaard dat op het moment dat zij keek de verdachte de trap af kwam en zij eerst is weggerend toen zij de verdachte de kogels in de revolver zag stoppen. Het verweer dat de verdachte achterwaarts de trap zou zijn afgelopen en het wapen niet aan [benadeelde 3] zou hebben willen laten zien, is door de verdediging in hoger beroep niet gevoerd en doet ook overigens niet af aan de vaststelling door het hof dat [benadeelde 3] heeft gezien dat de verdachte, terwijl hij de trap afliep, kogels in een revolver stopte. Tot slot heeft het hof uit het voor [benadeelde 3] zichtbaar door de verdachte in een revolver stoppen van kogels, terwijl hij de trap afliep in de richting van waar zij zich bevond, kunnen afleiden dat de verdachte een vuurwapen aan [benadeelde 3] heeft laten zien.
Wat betreft het voorwaardelijk opzet van de verdachte op het bij [benadeelde 3] in redelijkheid kunnen ontstaan van de vrees dat zij het leven zou kunnen verliezen, is van belang dat het hof heeft vastgesteld dat kort daarvoor een discussie tussen de verdachte en [benadeelde 3] had plaatsgevonden, dat de verdachte daarbij witheet werd en naar binnen ging, en dat hij even later terugkeerde met daarbij zichtbaar voor [benadeelde 3] dat hij een revolver in zijn hand had waarin hij kogels stopte. Deze gedragingen kunnen – gezien de aard ervan en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht – naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer te zijn gericht op het in redelijkheid kunnen ontstaan van die vrees dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans daarop heeft aanvaard. De door de stellers van het middel aangevoerde omstandigheid dat de verdachte “de spiraalvormige trap achterwaarts is afgelopen” vormt mijns inziens geen contra-indicatie die het aannemen van voorwaardelijk opzet belemmert. Daartoe telt mede dat het achterwaarts op een spiraaltrap afdalen er op zichzelf geenszins voor zorgt dat hetgeen men in handen heeft zich vanuit het gezichtsveld van degene die beneden staat steeds achter het lichaam bevindt van degene die naar beneden komt.
Ook de tweede deelklacht faalt.
De derde klacht van het middel betreft eveneens een bewijsklacht. Uit de bewijsmiddelen zou niet, althans niet zonder meer, kunnen volgen dat de verdachte het opzet heeft gehad om [benadeelde 2] te bedreigen door met dat opzet in haar richting te schieten. Het bewijs van het vanuit de woning schieten in de richting van [benadeelde 2] zou volgens de verdediging worden weerlegd doordat het technisch onderzoek daarvan geen sporen heeft opgeleverd, terwijl de verklaring van [benadeelde 2] ook slechts inhoudt dat zij “het idee” had dat de verdachte op haar schoot. Verder wordt nog opgemerkt dat de verdediging onderbouwd met argumenten heeft aangevoerd dat de belastende verklaringen van de getuigen [benadeelde 1] , [benadeelde 3] en [benadeelde 2] elkaar tegenspreken over het aantal afgevuurde kogels en de momenten waarop zou zijn geschoten. De bewezenverklaring zou daarom ontoereikend zijn gemotiveerd.
Het hof heeft vastgesteld dat [benadeelde 1] – kort nadat [benadeelde 3] had gezien dat de verdachte kogels in een revolver stopte – hoorde dat vanuit de woning twee schoten werden gelost, waarvan één op de voorruit van de auto van [benadeelde 2] ketste. Ook stelt het hof vast dat [benadeelde 1] zag dat [benadeelde 3] naar buiten rende en dat [benadeelde 2] heeft verklaard dat zij heel dichtbij zich een knal hoorde. Vervolgens heeft het hof vastgesteld dat er nog twee schoten werden gelost en dat [benadeelde 2] heeft verklaard dat de schoten in haar richting werden afgevuurd. Op het moment dat de verdachte naar buiten kwam zag [benadeelde 1] dat de verdachte zijn wapen op de auto van [benadeelde 2] richtte. Wat volgt is een lijfelijk gevecht tussen de verdachte en [benadeelde 1] , waarbij de verdachte tweemaal [benadeelde 1] beschiet. Naar het oordeel van het hof volgt uit deze in de bewijsmiddelen verankerde feiten en omstandigheden dat de verdachte kogels in de richting van [benadeelde 2] heeft afgevuurd.
’s Hofs oordeel dat de verdachte kogels in de richting van [benadeelde 2] heeft afgevuurd kan mijns inziens in voldoende mate uit genoemde vaststellingen worden afgeleid. Uit de verklaringen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] , in onderling verband en samenhang bezien, blijkt immers dat alvorens de verdachte zijn huis uit kwam en twee kogels op [benadeelde 1] afvuurde er door hem reeds vier schoten waren gelost. Dat deze schoten in de richting van [benadeelde 2] zijn afgevuurd vindt bevestiging in de omstandigheid dat één schot op de voorruit van de auto van [benadeelde 2] is terechtgekomen en [benadeelde 2] (die zich op dat moment niet bij de woning bevond) heeft verklaard “Een paar minuten later hoorde ik een schot. Daarna hoorde ik nog een knal, maar dan heel vlak bij mij. Ik hoorde nog een aantal schoten. Ik had het idee dat hij op mij schoot, anders komen ze niet zo vlak langs mij.”. [benadeelde 1] heeft voorts verklaard dat toen de verdachte naar buiten stapte hij het wapen in de richting van de auto van [benadeelde 2] hield. De selectie en waardering van genoemde bewijsmiddelen is aan het hof voorbehouden.
Nu uit genoemde vaststellingen – in het bijzonder de vaststelling dat “ze” (ik begrijp: kogels) vlak langs [benadeelde 2] vlogen – kan worden afgeleid dat [benadeelde 2] op het moment dat de verdachte de kogels met het vuurwapen afvuurde zich in het schootsveld van de verdachte bevond, heeft het hof kunnen oordelen dat de verdachte (ten minste: voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het ontstaan van de redelijke vrees bij [benadeelde 2] dat zij door de verdachte zou worden gedood.
De bewezenverklaring is ook in dit opzicht toereikend gemotiveerd.
Het middel faalt in al zijn onderdelen.
4. Het tweede namens de verdachte voorgestelde middel
Het middel klaagt dat de inzendtermijn in de cassatiefase is overschreden.
Het cassatieberoep is ingesteld op 11 december 2023. De stukken van het geding zijn op 28 november 2024 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dit brengt met zich dat de inzendtermijn van acht maanden met meer dan drieënhalve maand is overschreden. Deze overschrijding kan niet meer worden gecompenseerd door een voortvarende afdoening. Dat moet leiden tot strafvermindering.
Het middel slaagt.
5. Het namens de benadeelde partijen voorgestelde middel
Het middel houdt in dat het hof niet heeft gemotiveerd waarom een gedeelte van de gevorderde immateriële schade niet kan worden toegewezen en de benadeelde partijen in zoverre niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen.
Bij de stukken bevindt zich een “Verzoek tot Schadevergoeding” waarmee [benadeelde 2] zich heeft gevoegd als benadeelde partij in het strafproces tegen de verdachte. Dit voegingsformulier houdt, voor zover van belang, het volgende in:
De bijlage houdt het volgende in:
“BIJLAGE BIJ VOEGINGSFORMULIER BENADEELDE PARTIJ
Parketnummer 09.857146-18
Slachtoffer [benadeelde 2]
Verdachte [verdachte]
Zitting 20 oktober 2020
[benadeelde 2] is op 26 mei 2018 zowel toen zij naast de auto stond als in de auto zat beschoten door de verdachte
[benadeelde 2] heeft door het schietincident ernstige en langdurige psychische schade opgelopen.
Zij vertrouwd niemand meer en heeft last van angstaanvallen. Ze is veranderd in een bang persoon, die het liefst thuis zit in haar eentje. Haar hele sociale leven is weggevallen. Ze heeft last van herbelevingen, ze kan zich slecht concentreren, ze slaapt slecht en gebruikt slaapmedicatie. Ze heeft zich veel zorgen gemaakt om haar vriend en zelfs een kogel uit zijn nek gehaald.
Ze begrijpt niet dat er uit het niets zoiets kon gebeuren.
Ze heeft vanaf 26 mei 2018 niet meer kunnen werken. Ze heeft het een aantal maal geprobeerd, maar telkens viel zij weer uit. Ze heeft last van depressies gekregen en van een posttraumatische
stressstoornis.
Zij heeft lang moeten zoeken naar naar een therapeut/psycholoog die haar kon helpen.
Ze is eerst bij de Forta groep aangemeld. Die konden haar niet helpen, daarna bij ready for change, die haar ook niet voldoende konden begeleiden, uiteindelijk kon zij terecht bij [B] vanaf september 2019, waar zij nu nog steeds onder behandeling is.
SCHADE
[…]
Immateriele schade:
Gelet op bovenstaande en het feit dat [benadeelde 2] na 2,5 jaren nog steeds lijdt onder de gevolgen en daarvoor ook onder behandeling is, lijkt een bedrag ad € 4.000,- alleszins redelijk. Aangesloten wordt bij de nummers 757 en 1298 uit de bundel smartengeld 2020.
Tevens verzoekt [benadeelde 2] u de schade bij maatregel op te leggen.
[…]
Bijlagen:
- brief d.d. 16 januari 2019 GGZ
- Brief [B] d.d. 20 januari 2020
- copie medicijnen
[…]
- copie uitspraken smartengeld”
Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 20 oktober 2020 houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“De benadeelde partij [benadeelde 1] voert het woord en deelt mede - zakelijk weergegeven -:
Ik doe een schadevergoedingsverzoek van € 10.000,- aan smartengeld. Mocht de rechtbank daar geïnteresseerd in zijn, dan heb ik hier mijn afsprakenkaart. Ik ben in behandeling bij een psycholoog en een therapeut van [B] en ga daar twee keer in de week langs. Ik had een veelbelovende baan klaar liggen, maar dat is door dit incident niet doorgegaan. Het ergste vind ik dat ik [benadeelde 2] kwijt ben. Ik heb veel meegemaakt met haar. Ik heb een verleden en zij was de enige die mij een beetje een normaal mens maakte. Ik doe al 32 jaar aan vechtsport. Als ik hem had verrot geslagen, dan zat hij hier niet vandaag. De kogelpunt kunnen ze niet verwijderen, omdat het tegen een zenuw aanlicht. Ik kan daardoor slecht slapen.”
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“Daartoe door de voorzitter in de gelegenheid gesteld, voert de raadsman van de benadeelde partijen het woord:
Beide benadeelde partijen handhaven hun vordering in hoger beroep. […] Het blijkt dat [benadeelde 2] al sinds 2018 onder behandeling is bij een psycholoog. In de oorspronkelijke vordering zitten ook stukken van een GGZ-psycholoog en een verslag van 18 januari 2020 van [B] , waarin het causaal verband tussen het meemaken van het schietincident en de psychische schade duidelijk wordt onderbouwd. In eerste aanleg is € 500,00 toegewezen voor de immateriële schade, maar is er € 4.000,00 gevorderd. Als ik het nu opnieuw zou vorderen, zou ik € 5.000,00 vorderen, aangezien het om letselcategorie III gaat volgens het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Er zijn veel voorbeelden van andere uitspraken waarbij rechtstreekse bedreiging een bedrag van € 5.000,00 oplevert. Ik zou uw hof daarom willen vragen om € 4.000,00 toe te wijzen, omdat dit bedrag passend is in de situatie van [benadeelde 2] .
Wat betreft de vordering van [benadeelde 1] heb ik geprobeerd erachter te komen waar zijn oorspronkelijke vordering was, maar het blijkt dat hij deze ter terechtzitting in eerste aanleg zelf heeft toegelicht. Ik had daarom gehoopt dat hij vandaag aanwezig zou zijn, maar kreeg vanochtend van hem te horen dat het toch te heftig voor hem was en dat het hem daarom mentaal niet lukte om hierbij aanwezig te zijn. Hij handhaaft de vordering van € 10.000,00. Dit acht ik ook passend voor wat hij heeft meegemaakt. Hij heeft mij gevraagd om hem bij te staan, maar het is lastig om het hierover met hem te hebben, omdat hij nog steeds met de gevolgen zit. Het is voor hem nog steeds ontzettend heftig om hierover te spreken.”
Het bestreden arrest houdt voor zover van belang het volgende in:
“Vordering tot schadevergoeding [benadeelde 1]
In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 10.000,00.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij, tot een bedrag van € 5.000,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.
Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering leent zich – naar maatstaven van billijkheid – voor gedeeltelijke toewijzing tot een bedrag van € 5.000,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 mei 2018 tot aan, de dag der algehele voldoening.
Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige, belasting van het strafgeding op.
Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
[…]
Vordering tot schadevergoeding [benadeelde 2]
In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiele ad € 2.479,73 en immateriële schade ad € 4.000,00 als gevolg van het aan de verdachte bewezenverklaarde, derhalve tot een bedrag van in totaal € 6.479,73.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij, tot een bedrag van € 4.229,73, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.
[…]
Voorts is het hof van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering leent zich – naar maatstaven van billijkheid – voor gedeeltelijke toewijzing tot een bedrag van € 500,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 mei 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.
Voor het overige levert behandeling van dit deel van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.
Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.”
Het hof heeft geoordeeld dat een gedeelte van de gevorderde immateriële schade voor toewijzing in aanmerking komt en de behandeling van de vorderingen voor het overige een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Het middel mist feitelijke grondslag voor zover het berust op de opvatting dat in het geheel geen onderbouwing is gegeven voor het niet toewijzen van het overige deel van de vorderingen. Voor het oordeel van het hof dat de behandeling van de vorderingen van de benadeelde partijen een onevenredige belasting van het strafgeding als bedoeld in art. 361 lid 3 Sv oplevert, geldt dat dit een feitelijk oordeel is dat in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst. Ook indien het hof zijn oordeel dat sprake is van een onevenredige belasting van het strafgeding niet motiveert hoeft dit aan de begrijpelijkheid van de beslissing niet in de weg te staan.
In het licht van het bewezenverklaarde feit en de inhoud van de ingediende vordering is ’s hofs oordeel dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] voor het overige een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert niet onbegrijpelijk. Hetzelfde geldt voor ’s hofs oordeel met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] , waarbij ik tevens opmerk dat de vordering in hoger beroep door of namens de benadeelde partij niet is kunnen worden toegelicht.
Het middel faalt.
6. Afronding
Het eerste namens de verdachte voorgestelde middel en het namens de benadeelde partijen voorgestelde middel falen. Deze kunnen worden afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO. Het tweede namens de verdachte voorgestelde middel slaagt.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG