ECLI:NL:GHDHA:2024:1255

ECLI:NL:GHDHA:2024:1255, Gerechtshof Den Haag, 09-07-2024, BK-23/654

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 09-07-2024
Datum publicatie 08-10-2025
Zaaknummer BK-23/654
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBDHA:2023:7928
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 7 zaken
Aangehaald door 1 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005416 BWBR0006358 BWBR0024779

Samenvatting

Leges omgevingsvergunning Den Haag 2018. Geraamde baten gaan de geraamde lasten niet te boven. Raming van baten is niet onzorgvuldig, ondanks grote verschillen tussen de raming en de realisatie in opeenvolgende jaren. Gemeente voldoet aan opbrengstlimiet. De omschrijving van de heffingsmaatstaf (het begrip ‘bouwkosten’) in de Tarieventabel is voldoende kenbaar.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Uitspraak van 9 juli 2024

[X] B.V. te [Z] , belanghebbende,

de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, de Heffingsambtenaar,

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-23/654

in het geding tussen:

(gemachtigde: E. Staas)

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 23 mei 2023, nummer SGR 21/3741.

Procesverloop

De Heffingsambtenaar heeft bij schriftelijke kennisgeving met dagtekening 5 juli 2019 van belanghebbende leges tot een bedrag van € 529.123,45 gevorderd (de aanslag).

Belanghebbende heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt.

Op 22 april 2021 heeft de Heffingsambtenaar uitspraak op het bezwaar van belanghebbende gedaan. Daarin heeft hij het bezwaar ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft beslist:

“De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.336;

- veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 664;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 418,50;

-veroordeelt de Staat in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 418,50;

- draagt verweerder op € 180 van het door eiseres betaalde griffierecht aan haar te vergoeden;

- draagt de Staat op € 180 van het door eiseres betaalde griffierecht aan haar te vergoeden.”.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Er is € 548 griffierecht geheven. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 23 mei 2024 nadere stukken ingediend.

Het hoger beroep is behandeld op de zitting van het Hof van 28 mei 2024. Partijen zijn verschenen. De Heffingsambtenaar heeft een pleitnota overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

Belanghebbende heeft op 20 juli 2018 een omgevingsvergunning aangevraagd. Daaraan ontleent het Hof onder meer het volgende:

Locatie

1. Kadastraal perceelnummer

Burgerlijke gemeente

[plaats]

Kadastrale gemeente

[plaats]

Kadastrale sectie

[…]

Kadastraal perceelnummer

[…]

Bouwplannaam

[straat]

(…)

Bouwen

Overig bouwwerk bouwen

1. De bouwwerkzaamheden

Het bouwwerk wordt gedeeltelijk vervangen

Toelichting

Wijzigen bestaand gebouw en nieuwbouw

(…)

(…)

7. Gebruik

Waar gebruikt u het bouwwerk en/of het terrein momenteel voor?

Wonen & overige gebruiksfuncties

(…)

Waar gaat u het bouwwerk voor gebruiken?

Wonen & overige gebruiksfuncties

8. Gebruiksfuncties

Gebruiksfunctie

Aantal personen

Gebruiksoppervlakte (m2)

Verblijfsoppervlakte (m2)

Winkel

10

1.257

1.237

(…)

Bijlagen

(…)

Kosten

Wat zijn de geschatte kosten voor het totale project in euro’s exclusief BTW

€ 13.000.000

In de aanslag van 5 juli 2019 is de Heffingsambtenaar uitgegaan van de door belanghebbende geschatte bouwkosten exclusief BTW van € 13.000.000. Bij dit bedrag heeft de Heffingsambtenaar de BTW opgeteld, hetgeen resulteert in een legesgrondslag van € 15.730.000. De aanslag houdt verder, voor zover van belang, het volgende in:

Onderdeel

tarieventabel

verordening

Omschrijving

Heffings-

grondslag

Tarief

Bedrag

2.3.1

Omgevingsvergunning

binnenplanse afwijking met

bouwactiviteit

[…] : (*)

1

€ 595,45

€ 595,45

2.1.1.2

Omgevingsvergunning

Bouwactiviteit

[…] : (*)

€ 15.730.000

3,360%

€ 528.528,00

(*) Omschrijving bouwactiviteit […] is in de aanslag omschreven als: Het oprichten van 121 appartementen en 8 commerciële ruimten door het veranderen en vergroten van de woningen [adressen 1] en [adressen 2] (het project [naam project])

Bij e-mail van 12 maart 2020 heeft belanghebbende de integrale begroting van het project [naam project] aan de Heffingsambtenaar gestuurd. Daaraan ontleent het Hof het volgende.

Functie

Type

Soort

Bouwlagen onder peil

Bouwlagen boven peil

Woningbouw

Gestapeld

Nieuw en verbouw

--

8

METING NEN 2580

ST:

BVO:

BIH:

TBB:

BGT:

BGD:

BGO:

BDT:

BOT:

Kenmerkend element

Bruto vloeroppervlak

Bruto inhoud

Footprint (incl. onder- en overbouwd)

Bruto gevenoppervlak (boven maaiveld)

Geveloppervlak dicht

Geveloppervlak open

Bruto dakoppervlak

Bruto onbebouwd terreinoppervlak

133

11.791

35.477

2.031

6.315

3.933

2.613

2.602

--

woningen

m2

m2

m2

m2

m2

m2

m2

m2

BOUWKOSTEN NIVEAU 3

BOUWKUNDIGE WERKEN

m2

€ /m2

(sub)totaal

€/bvo

% bouwkosten

Fundering

Skelet

Afbouw daken en buitenplafonds

Gevelafbouw/gevelafwerking

Inbouw (excl. inbouw gebruiker)

Afwerkingen

Overige bouwkundige voorzieningen

2.031

11.791

2.602

6.315

11.791

11.791

11.791

411,76

247,15

257,71

407,88

95,51

95,76

14,55

836.267

2.914.080

670.593

2.575.760

1.126.101

1.129.046

171.602

70,92

247,15

56,87

218,46

95,51

95,76

14,55

5,1

17,8

4,1

15,7

6,9

6,9

1,0

TOTAAL BOUWKUNDIGE WERKEN

9.423.348

799,21

57,4

INSTALLATIES

m2

€ /m2

(sub)totaal

€/bvo

% bouwkosten

WTB: vloeistof en gasinstallatie

WTB: Klimaatinstallaties

Elektronische installaties

Transport installatie

11.791

11.791

11.791

11.791

54,73

91.13

58,91

35,17

645.322

1.074.456

694.570

414.700

54,73

91,13

58,91

35,17

3,9

6,5

4,2

2,5

TOTAAL INSTALLATIES

2.829.048

239,94

17,2

VASTE INRICHTING

m2

€ /m2

(sub)totaal

€/bvo

% bouwkosten

Vaste inrichting

11.791

36,41

429.305

36,41

2,6

TOTAAL VASTE INRICHTING

429.305

36,41

2,6

TERREIN

m2

€ /m2

(sub)totaal

€/bvo

% bouwkosten

Terrein

228

80,00

18.224

1,55

0,1

TOTAAL TERREIN

18.224

1,55

0,1

INDIRECTE BOUWKOSTEN

%

over €

(sub)totaal

€/bvo

%

Diversen (detaillering in ontwerpfase)

Algemene uitvoeringskosten

Coördinatiekosten nevenaannemers

- coördinatie installaties

- coördinatie overige

5,9

13,1

3,0

--

12.699.325

13.453.997

3.111.953

--

754.072

1.760.500

63,95

149,31

4,6

Totaal bijzondere kosten

3,0

3.111.953

93.359

7,92

0,6

Opslagen

- AK

- Winst & risico

- Overig / (CAR-afkoop e.d)

6,0

2,5

0,5

12.102.544

12.828.697

13.149.414

726.153

320.717

62.148

Totaal opslagen

9,2

12.102,544

1.109.018

94,06

6,8

TOTAAL INDIRECTE BOUWKOSTEN

29,3

12.699.925

3.716.949

315,24

22,6

TOTAAL BOUWKOSTEN excl. BTW

16.416.873

1.395,35

100

In de bezwaarfase heeft de Heffingsambtenaar aan belanghebbende een “basisraming legesopbrengst 2018 voor grote bouwplannen met een bouwsom groter dan € 1 mln.” (Ramingslijst 2018) verstrekt. In de Ramingslijst 2018 staan 62 projecten. Voor 50 van de 62 projecten is in 2018 geen aanvraag ingediend.

Voor 8 van de 62 projecten zijn in de Ramingslijst 2018 de verschuldigde leges vermeld. Deze 8 projecten staan in het hieronder opgenomen schema. Uitgaande van het totaalbedrag van de voor de 8 projecten verschuldigde leges heeft de Heffingsambtenaar de legesopbrengsten voor grote projecten in 2018 geraamd. Ook deze berekening is in het onderstaande schema opgenomen.

Stadsdeel

Deelproject

Leges vermeld in Ramingslijst

[…]

[…]

€ 1.400.563

[…]

[…]

€ 932.500

[…]

[…]

€ 414.963

[…]

[…]

€ 1.659.943

[…]

[…]

€ 1.027.615

[…]

[…]

€ 3.042.569

[…]

[…]

€ 1.138.630

[…]

[…]

€ 250.330

Totaal

€ 9.867.113

Verlaging legestarieven met 10%

- € 986.711

Minder opbrengst als gevolg van lager maximumtarief

- € 200.000

Raming opbrengst projecten met bouwsom > € 1 mln.

€ 8.680.402

Stelpost grote bouwplannen

€ 4.500.000

Totaal raming grote bouwplannen

€ 13.180.402

Het project [naam project] is niet in de Ramingslijst 2018 vermeld.

In hoger beroep heeft de Heffingsambtenaar de “Gerealiseerde projectenlijst 2018 voor 89 grote bouwplannen met een bouwsom groter dan € 1 mln.” (Realisatielijst 2018) overgelegd. In de Realisatielijst 2018 zijn de voor de daarin vermelde projecten in rekening gebrachte legesbedragen niet opgenomen. Van de 89 in de Realisatielijst 2018 vermelde grote projecten staan er 12 in de Ramingslijst 2018.

Het project [naam project] is niet in de Realisatielijst 2018 vermeld. Wel staat het project [naam project] in de in hoger beroep overgelegde realisatielijst voor het jaar 2019. Ook in deze realisatielijst zijn de voor de daarin vermelde grote projecten in rekening gebrachte legesbedragen niet opgenomen.

In hoger beroep heeft de Heffingsambtenaar de twee hierna opgenomen overzichten overgelegd.

“Overzicht gerealiseerde legesinkomsten 2013-2023

[Jaar]

Raming

Gerealiseerd

Verschil

% afwijking

2013

€ 18.197.000

€ 18.602.000

€ 405.000

2 %

2014

€ 16.000.000

€ 20.600.000

€ 4.600.000

29 %

2015

€ 13.516.000

€ 13.216.000

- € 300.000

-2 %

2016

€ 14.209.000

€ 22.928.000

€ 8.719.000

61 %

2017

€ 17.071.000

€ 32.175.000

€ 15.104.000

88 %

2018

€ 14.470.000

€ 25.770.000

€ 11.300.000

78 %

2019

€ 18.981.000

€ 21.858.000

€ 2.877.000

15 %

2020

€ 21.763.000

€ 21.175.000

- € 588.000

-3 %

2021

€ 25.140.000

€ 23.615.000

- € 1.525.000

-6 %

2022

€ 24.778.000

€ 16.236.000

- € 8.542.000

-34 %

2023

€ 25.598.000

€ 17.254.000

- € 8.344.000

-33 %

Stand van de voorziening 2013-2023

Jaar

Jaarrekening

beginsaldo

Jaarrekening

eindsaldo

Verschil

2013

- € 3.564.000

€ 1.611.000

€ 5.175.000

2014

€ 1.611.000

€ 6.770.000

€ 5.159.000

2015

€ 6.770.000

€ 3.816.000

- € 2.954.000

2016

€ 3.816.000

€ 22.928.000

€ 8.026.000

2017

€ 11.842.000

€ 32.175.000

€ 12.499.000

2018

€ 24.341.000

€ 25.770.000

€ 4.573.000

2019

€ 28.914.000

€ 21.858.000

€ 897.000

2020

€ 29.811.000

€ 21.175.000

- € 2.808.000

2021

€ 27.003.000

€ 23.615.000

- € 3.374.000

2022

€ 23.629.000

€ 16.236.000

- € 11.464.000

2023

€ 12.165.000

€ 17.254.000

- € 9.147.000

(…)”

Verordening en tarieventabel

De raad van de gemeente Den Haag heeft in zijn openbare vergadering van 22 november 2012 de Legesverordening omgevingsvergunning 2013 vastgesteld (de Verordening). Bij de Verordening behoort een tarieventabel. De Verordening is in werking getreden op 1 januari 2013. Daarna is de bij de Verordening behoren tarieventabel jaarlijks gewijzigd. De voor het jaar 2018 geldende tarieventabel is door de raad van de gemeente Den Haag vastgesteld in zijn openbare vergadering van 2 november 2017 (de Tarieventabel). De Tarieventabel is in werking getreden 1 januari 2018.

In de Verordening is onder meer bepaald:

Artikel 2 Belastbaar feit

Onder de naam “leges” worden rechten geheven voor het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten. Een en ander zoals genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.

Artikel 3 Belastingplicht

Belastingplichtig is de aanvrager dan wel degene ten behoeve van wie de dienst is verleend of handelingen zijn verricht.

(…)

Artikel 5 Tarieven

3. De leges worden geheven naar de maatstaven en tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel, met in achtneming van het overigens in dit artikel bepaalde.

(…)

Artikel 6 Wijze van heffing en bekendmaking

1. De leges worden geheven bij wege van schriftelijke kennisgeving (…)

2. Het gevorderde bedrag wordt aan de belastingschuldige bekend gemaakt door toezending of uitreiking van de schriftelijke kennisgeving.

Artikel 7 Tijdstip van ontstaan van de belastingschuld en termijnen van betaling

3. De leges zijn verschuldigd bij het aanvragen van een in deze verordening omschreven dienst.

(…)”

In de Tarieventabel 2018 is onder meer bepaald:

Afdeling 1 Begripsomschrijvingen

Art.

Omschrijving

1.1

Voor de toepassing van deze tarieventabel wordt verstaan onder:

1.1.1

bouwkosten:

Het bedrag waarvoor de aannemer zich heeft verbonden het werk tot stand te brengen (de aannemingssom), de omzetbelasting daarin begrepen, of voor zover deze ontbreekt, een raming van kosten die voortvloeien uit de aangegane verplichtingen voor de fysieke realisatie (het bouwen) van de bouwwerken, de omzetbelasting daarin begrepen.

Indien het bouwen geheel of gedeeltelijk door zelfwerkzaamheid geschiedt wordt in dit hoofdstuk onder bouwkosten verstaan: de prijs die aan een derde in het economisch verkeer zou moeten worden betaald voor het tot stand brengen van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft.

(…)

(…)

(…)

Afdeling 2 Omgevingsvergunning

Art.

Omschrijving

Tarief

2

Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag

voor een omgevingsvergunning voor een project: de som van de

verschuldigde leges voor de verschillende activiteiten of

handelingen waaruit het project geheel of gedeeltelijk bestaat en

waarop de aanvraag betrekking heeft en de verschuldigde leges

voor de extra toetsen die in verband met de aanvraag moeten

worden uitgevoerd, berekend naar de tarieven overeenkomstig het\

bepaalde in afdeling 2 (…).

2.1

Bouwactiviteiten

2.1.1

Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft

op een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a,

van de Wabo, bedraagt het tarief:

2.1.1.1

indien de bouwkosten € 250.000,- of minder bedragen van de

bouwkosten van het uit te voeren bouwwerk, berekend over elk

geheel bedrag van € 50,00 (…)

1,5%

2.1.1.2

indien de bouwkosten meer dan € 250.000,- bedragen van de

bouwkosten van het uit te voeren bouwwerk, berekend over elk

geheel bedrag van € 50,00 (…)

3,36%

met een maximum van

€ 1.000.000

(…)

(…)

(…)

2.3

Planologisch strijdig gebruik waarbij tevens sprake is van een

bouwactiviteit

Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft

op een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c,

van de Wabo en tevens sprake is van een bouwactiviteit als bedoeld

in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo, bedraagt het tarief,

onverminderd het bepaalde in onderdeel 2.1:

2.3.1

indien artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1o, van de Wabo van

toepassing is (binnenplanse kleine afwijking)”

€ 595,45

(…)

(…)

(…)”

Oordeel van de Rechtbank

Zorgvuldigheidsbeginsel
Kenbaarheid heffingsmaatstaf
Conclusie
Overschrijding redelijke termijn
Proceskosten

4. De Rechtbank heeft – voor zover in hoger beroep van belang - geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:

“ (…)

Opbrengstnorm

11. Artikel 229b, eerste lid, van de Gemeentewet luidt:

“In verordeningen op grond waarvan rechten als bedoeld in artikel 229, eerste lid, onder a en b, worden geheven, worden de tarieven zodanig vastgesteld dat de geraamde baten van de rechten niet uitgaan boven de geraamde lasten ter zake.”

12. Onder meer in zijn arresten van 24 april 2009[1], 4 april 2014,[2] en 18 april 2014 [3] heeft de Hoge Raad een aantal regels inzake de stelplicht en bewijslast geformuleerd die in acht moeten worden genomen bij de beoordeling van een geschil over de overschrijding van de opbrengstlimiet. Als eiseres aan de orde stelt dat de tarieven in de Tarieventabel zodanig zijn vastgesteld dat de geraamde baten de geraamde kosten hebben overschreden, dient verweerder inzicht te verschaffen in de betreffende ramingen (de eerste stap). Verder moet verweerder, voor zover eiseres gemotiveerd in twijfel trekt of bepaalde baten op de juiste bedragen zijn geraamd dan wel of bepaalde kosten (volledig) als lasten ter zake in aanmerking kunnen worden genomen, daarover nadere inlichtingen verstrekken, teneinde – naar vermogen – deze twijfel weg te nemen (de tweede stap).

13. In de eerste stap moet verweerder (slechts) inzichtelijk maken op welke wijze de baten en de kosten zijn geraamd. Hij hoeft dus in de eerste stap niet te bewijzen dat de baten en de kosten op de juiste bedragen zijn geraamd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met de kostenonderbouwing, de projectenlijst van grote bouwplannen en hetgeen hij overigens heeft aangevoerd, inzichtelijk gemaakt op welke wijze de baten en de kosten zijn geraamd. Ook heeft verweerder inzichtelijk gemaakt dat de vaststelling van de legestarieven voor 2018 berusten op ramingen van de baten en de lasten in de gemeentebegroting voor dat jaar, dan wel op gegevens die op de geraamde baten en lasten in de begroting voor dat jaar zijn terug te voeren. Dat verweerder in de loop van onderhavige procedure enkele cijfers in de ramingen heeft gecorrigeerd onderscheidenlijk nader heeft gespecificeerd, maakt niet dat hij onvoldoende inzicht in die ramingen heeft verschaft.

14. Eiseres heeft ten aanzien van de door haar aan de orde gestelde baten en kosten voldoende gemotiveerd in twijfel getrokken of de betreffende baten op de juiste bedragen zijn geraamd en of de betreffende kosten (volledig) als lasten ter zake in aanmerking kunnen worden genomen. In de tweede stap dient verweerder over de door eiseres in twijfel getrokken ramingen van baten en kosten nadere inlichtingen te verstrekken teneinde deze twijfels – naar vermogen – weg te nemen. Van verweerder kan daarbij niet worden verlangd dat hij bewijst dat de twijfels van eiseres ongegrond zijn; op verweerder rust een inspanningsverplichting. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met de door hem verstrekte, uitvoerige informatie met betrekking tot de verschillende posten in de ramingen en de ramingssystematiek in het algemeen, die is samengevat onder 10, aan deze inspanningsverplichting voldaan.

15. Voor zover eiseres heeft willen stellen dat de feitelijke gegevens die in de door verweerder verstrekte informatie zijn begrepen, onjuist of onvolledig zijn, volgt de rechtbank haar daarin niet. Eiseres draagt in dat verband de bewijslast. Eiseres heeft kritische kanttekeningen geplaatst bij de door verweerder verstrekte informatie, maar niet aannemelijk gemaakt dat de feitelijke gegevens die in die informatie zijn begrepen, onjuist of onvolledig zijn.

16. Tenslotte dient de rechtbank, uitgaande van de feiten die zij bewezen acht, de rechtsvraag te beantwoorden of de ramingen van de baten juist zijn en de kosten kunnen worden aangemerkt als lasten ter zake. In het licht daarvan moet vervolgens worden beoordeeld of voor de op grond van de Verordening in 2018 geheven leges de geraamde baten de geraamde lasten ter zake hebben overschreden.

17. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de ramingen van de baten juist en kunnen de kosten worden aangemerkt als lasten ter zake. Daarbij gaat de rechtbank uit van (de juistheid van) de feitelijke gegevens die in de door verweerder verstrekte informatie zijn begrepen. Er is pas plaats voor een correctie van de omvang van de volgens de gemeentelijke begroting geraamde bedragen aan baten en lasten, indien de gemeente deze baten en lasten niet in redelijkheid op die bedragen heeft kunnen ramen. Naar het oordeel van de rechtbank is voor correcties die verweerder niet reeds heeft doorgevoerd geen aanleiding. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

18. De gronden van eiseres richten zich met name op de hoogte van de door de gemeente geraamde baten. De rechtbank stelt voorop dat de raming van baten is gebaseerd op een prognose van het te verwachten aantal bouwaanvragen en de bijbehorende bouwsommen. Omdat die prognose naar haar aard met veel onzekerheid omgeven zal zijn, kan bij die prognose geen zekerheid of een volledig inzicht worden verlangd en mag een gemeente voorzichtigheid betrachten bij het ramen van de baten [4].

19. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat de gemeente de baten structureel substantieel te laag heeft begroot. Weliswaar zijn de geraamde baten in de jaren 2016 tot en met 2019 (fors) lager dan de gerealiseerde baten, maar gelet op het onder 6 weergegeven overzicht is naar het oordeel van de rechtbank van een structureel en substantieel te lage begroting van de baten geen sprake. Uit dat overzicht blijkt immers dat het verschil tussen de geraamde en gerealiseerde baten in 2019 in vergelijking met 2017 en 2018 al flink is afgenomen en dat vanaf 2020 de gerealiseerde baten steeds lager liggen dan de geraamde baten. Verweerder heeft voorts toegelicht welke (tarief)maatregelen de gemeente in de legesverordeningen voor 2018, 2019 en 2020 heeft getroffen om meeropbrengsten te voorkomen.

20. Bij de vaststelling van de legestarieven voor 2018 is uitgegaan van de voor dat jaar geraamde baten van € 14.470.000. Die raming is grotendeels gebaseerd op een concrete projectenlijst van grote bouwplannen en de gerealiseerde baten in voorgaande jaren. Na de eerste raming van de baten maar voor de vaststelling van de tarieven voor 2018, is de raming van baten voor 2017 bijgesteld van € 17.071.000 naar € 31.700.000. Naar het oordeel van de rechtbank brengt die bijstelling op zichzelf niet mee dat de voor 2018 geraamde baten ook hadden moeten worden verhoogd. Verweerder heeft onweersproken verklaard dat het grotere aantal ingediende aanvragen in 2017 ten opzichte van de initiële inschatting sterk is beïnvloed door de inwerkingtreding van een nieuw bouwbesluit op grond waarvan bouwplannen per 1 januari 2018 aan strengere (duurzaamheids)eisen zouden moeten voldoen, hetgeen ten tijde van de initiële inschatting – in het najaar van 2016 – niet voorzienbaar was. Onder die omstandigheden acht de rechtbank het niet onredelijk dat de verhoging van de raming van baten voor 2017 niet tot een aanpassing van de raming van baten voor 2018 heeft geleid.

21. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat bepaalde projecten, waaronder dat van haar, ten onrechte niet in de projectenlijst van grote bouwplannen zijn opgenomen. Verweerder heeft gemotiveerd betwist dat de door eiseres genoemde projecten ten tijde van de raming al voldoende concreet waren. Eiseres heeft het tegendeel gesteld, maar die stelling niet onderbouwd. Haar stelling dat voor de projecten op de projectenlijst een voorzienbaar te lage kans van indiening is gehanteerd, heeft eiseres evenmin aannemelijk gemaakt.

22. Het is de rechtbank voorts niet gebleken dat de correctie op de baten in verband met de ‘groene legeskorting’ redelijkerwijs niet op € 2.500.000 had kunnen worden geraamd. Deze regeling is geïntroduceerd per 1 januari 2018, zodat de invloed van die regeling op de baten zonder ervaringscijfers moest worden ingeschat. Verweerder heeft onweersproken verklaard dat aan de invoering van de groene legeskorting uitgebreide voorlichting vooraf is gegaan. Dat van de groene legeskorting uiteindelijk (veel) minder gebruik is gemaakt dan de gemeente van tevoren had verwacht, maakt op zichzelf niet dat die verwachting onredelijk was. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat de voor de groene legeskorting in aanmerking genomen correctie op de baten ten tijde van de raming voorzienbaar te hoog was.

23. Met betrekking tot de geraamde kosten heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat bepaalde daarin begrepen posten niet kunnen worden aangemerkt als lasten ter zake. Daartoe heeft eiseres, tegenover hetgeen verweerder dienaangaande heeft aangevoerd, onvoldoende onderbouwd op grond van welke feiten bepaalde kosten niet of slechts zijdelings verband houden met de belaste diensten ter zake waarvan de leges worden geheven.

24. Ook overigens zijn er geen feiten komen vast te staan op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat de gemeente bepaalde baten of lasten niet in redelijkheid op de in aanmerking genomen bedragen heeft kunnen ramen.

25. In het licht van het voorgaande is van een schending van de opbrengstnorm geen sprake.

26. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld omdat hij verschillende cijfers in de raming onjuist heeft vastgesteld en die onjuiste cijfers pas heeft gecorrigeerd nadat bezwaar en beroep is ingesteld.

27. De rechtbank volgt eiseres niet in dit standpunt. Het enkele feit dat verweerder enkele cijfers in de raming heeft gecorrigeerd, maakt, mede gelet op hetgeen onder 18 is overwogen, niet dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld.

28. Artikel 217 van de Gemeentewet luidt:

“Een belastingverordening vermeldt, in de daartoe leidende gevallen, de belastingplichtige, het voorwerp van de belasting, het belastbare feit, de heffingsmaatstaf, het tarief, het tijdstip van ingang van de heffing, het tijdstip van beëindiging van de heffing en hetgeen overigens voor de heffing en de invordering van belang is.”

29. De eisen die artikel 217 van de Gemeentewet stelt aan de kenbaarheid van de maatstaven waarnaar gemeentebelastingen worden geheven, strekken onder meer ertoe dat de belastingverordening alle essentialia bevat waaruit de belastingschuldige de omvang van zijn belastingschuld kan afleiden [5]. Tot die essentialia behoren bij de heffing van bouwleges mede de voorschriften voor het vaststellen.van de bouwkosten, waarop de hoogte van die leges wordt gebaseerd (de heffingsmaatstaf)[6.].

30. Eiseres heeft, hetgeen verweerder gemotiveerd heeft weersproken, aangevoerd dat de Verordening in strijd is met artikel 217 van de Gemeentewet en het legaliteitsbeginsel, omdat de definitie van bouwkosten in de Tarieventabel onduidelijk is en de Verordening geen rekenmethodiek ter bepaling van de bouwkosten bevat. Daarnaast heeft eiseres gesteld dat de belastingschuld bovendien niet op of voor het ontstaan daarvan kan worden bepaald. De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt. In het onderhavige geval heeft eiseres immers bij de aanvraag zelf een bedrag aan geschatte bouwkosten opgegeven. Verweerder is voor de berekening van de leges uitgegaan van dat bedrag aan bouwkosten en heeft daarop de tarieven uit de Tarieventabel toegepast. Gesteld noch gebleken is dat de bij de aanvraag opgegeven bouwkosten te hoog zijn. Hieruit leidt de rechtbank af dat, wat er van de definitie van bouwkosten in de Tarieventabel verder ook zij, de hoogte van de met de bouwactiviteit gemoeide bouwkosten in dit geval niet ter discussie staat. Eiseres heeft onvoldoende geconcretiseerd op welke wijze het voor haar onder deze omstandigheden desondanks niet kenbaar was naar welke maatstaven de leges zouden worden geheven.

31. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

32. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005 [7]. Behoudens in geval van bijzondere omstandigheden wordt een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase in dit verband als redelijk beschouwd. Hiervan komt een half jaar toe aan de bezwaarfase.

33. Het bezwaarschrift is door verweerder ontvangen op 16 augustus 2019, de uitspraak op bezwaar is van 22 april 2021 en deze uitspraak van de rechtbank is gedaan op 23 mei 2023. Derhalve is tussen het bezwaar en de rechtbankuitspraak een periode van 3 jaar, 9 maanden en 7 dagen verstreken. De redelijke termijn is dan ook overschreden met 1 jaar, 9 maanden en 7 dagen, in totaal 645 dagen. Dit betekent dat eiseres recht heeft op een vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 2.000 (€ 500 per half jaar overschrijding). Van de overschrijding van de redelijke termijn dient een periode van 431 dagen te worden toegerekend aan de bezwaarfase. Verweerder dient daarom van de schadevergoeding van € 2.000 een bedrag van € 1.336 (431/645 deel van € 2.000) te vergoeden en de Staat € 664 (214/645 deel van € 2.000).

34. De rechtbank ziet wegens de overschrijding van de redelijke termijn aanleiding voor een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op

€ 837 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 837 en een wegingsfactor van 0,5). De rechtbank is uitgegaan van een wegingsfactor 0,5 omdat de kostenvergoeding alleen wordt toegekend vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. Ook het geheven griffierecht moet worden vergoed. Nu de overschrijding van de redelijke beslistermijn aan zowel verweerder als de rechtbank is toe te rekenen, dienen de proceskosten en het griffierecht door verweerder en de Staat ieder voor de helft te worden voldaan [8.].

(…)

[1] ECLI:NL:HR:2009:BI1968.

[2] ECLI:NL:HR:2014:777 en ECLI:NL:HR:2014:780.

[3] ECLI:NL:HR:2014:938.

[4] ECLI:NL:HR:2014:780.

[5] Kamerstukken II 1989/90, 21 591, nr. 3, blz. 63.

[6] ECLI:NL:HR:2019:1000, overweging 2.4.1.

[7] ECLI:NL:HR:2005:AO9006.

[8] ECLI:NL:HR:2016:252, overweging 3.14.2.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

In hoger beroep is in geschil of:

1. de tarieven van de leges omgevingsvergunning in de Tarieventabel zodanig zijn vastgesteld dat de voor het jaar 2018 geraamde baten de voor dat jaar geraamde lasten ter zake te boven gaan;

2. of de in de Tarieventabel opgenomen heffingsmaatstaf van de leges omgevingsvergunning onvoldoende kenbaar is.

Belanghebbende beantwoordt de beide vragen bevestigend, de Heffingsambtenaar daarentegen ontkennend.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank – behalve voor zover daarin is beslist op de verzoeken van belanghebbende tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade en de door belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep gemaakte proceskosten, alsmede het voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht, – tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en de aanslag, alsmede tot veroordeling van de Heffingsambtenaar in de door belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten.

De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Zijn de tarieven van de leges omgevingsvergunning in de Tarieventabel zodanig vastgesteld dat de voor het jaar 2018 geraamde baten de voor dat jaar geraamde lasten ter zake te boven gaan?

De Rechtbank heeft deze vraag ontkennend beantwoord. Het Hof maakt deze beslissing en de motivering daarvan onder 11 tot en met 25 van de uitspraak van de Rechtbank tot de zijne.

Wat belanghebbende in hoger beroep tegen de uitspraak van de Rechtbank heeft aangevoerd, brengt het Hof niet tot een ander oordeel. Hierbij overweegt het Hof het volgende.

De Rechtbank heeft bij de beantwoording van de vraag of tarieven van de leges omgevingsvergunning in de Tarieventabel zodanig zijn vastgesteld dat de voor het jaar 2018 geraamde baten de voor dat jaar geraamde lasten ter zake overschrijden de ‘vuistregels’ gevolgd die de Hoge Raad in de arresten HR 4 april 2009, nr. 01/12961, ECLI:NL:HR:2009:BI1968 en HR 4 april 2014, nr. 12/02475, ECLI:NL:HR:2014:777 heeft geschetst. Het Hof zal dat ook doen bij de beoordeling van wat belanghebbende in hoger beroep tegen de uitspraak van de Rechtbank heeft aangevoerd.

Het Hof benadrukt dat op belanghebbende de last rust te bewijzen dat de voor het jaar 2018 geraamde baten de voor dat jaar geraamde lasten ter zake hebben overschreden. Aan deze bewijslast doen de zo-ven genoemde ‘vuistregels’ niet af.

Eerste 'vuistregel’

De eerste ‘vuistregel’ houdt in dat, als de belanghebbende stelt dat voor een bepaald jaar – in dit geval 2018 – de geraamde baten – in dit geval de geraamde opbrengsten van de leges omgevingsvergunning – de voor dat jaar geraamde lasten ter zake te boven gaan, de heffingsambtenaar inzicht moet verschaffen in de ramingen van de baten en de lasten. In het hoger beroepschrift en opnieuw in de door haar ter zitting overgelegde pleitnota wijst belanghebbende erop dat de Heffingsambtenaar in de verschillende stadia van het geding, na opmerkingen daarover van belanghebbende, de eerder door de Heffingsambtenaar verstrekte informatie over de geraamde opbrengsten van de leges omgevingsvergunning heeft veranderd en ook andere onjuistheden in de eerder door hem verstrekte informatie heeft gecorrigeerd. De Heffingsambtenaar heeft, aldus belanghebbende, door deze inconsistente verschaffing van informatie over legesopbrengsten in de loop van de procedure, aantoonbaar onzorgvuldig gehandeld. Hieraan verbindt belanghebbende de conclusie dat de Heffingsambtenaar niet heeft voldaan aan zijn verplichting inzicht te verschaffen in de voor 2018 geraamde opbrengsten van de leges omgevingsvergunning.

Het Hof wijst erop dat het verschaffen van inzicht in de ramingen van de legesopbrengsten in een bepaald jaar – in dit geval 2018 – iets wezenlijk anders is dan het bewijzen dat de geraamde legesopbrengsten waarvan de gemeentelijke wetgever (de gemeenteraad) bij de vaststelling van de tarieven van de leges omgevingsvergunning voor dat jaar is uitgegaan, juist, althans niet te laag, zijn.

Belanghebbende stelt dat de Heffingsambtenaar onzorgvuldig heeft gehandeld door in de loop van de procedure, al dan niet na opmerkingen van belanghebbende, eerder door hem verstrekte informatie over (de totstandkoming van) de ramingen van de in 2018 te behalen opbrengsten van de leges omgevingsvergunning aan te vullen en onjuistheden in de eerder door hem verstrekte informatie te corrigeren. Het Hof volgt belanghebbende daarin niet. De plicht van de Heffingsambtenaar om belanghebbende inzicht te verschaffen in (de totstandkoming van) de ramingen van de legesopbrengsten, houdt (ook) in dat hij, als hij – al dan niet na opmerkingen van belanghebbende – constateert dat de eerder door hem verstrekte informatie lacunes vertoont en/of onjuistheden bevat, deze aanvult en/of corrigeert. Dat het aanvullen en corrigeren van eerder verstrekte informatie inconsistent zou zijn, vermag het Hof niet in te zien. Feiten die, indien aannemelijk bevonden, de stelling van belanghebbende dat de Heffingsambtenaar bij het aanvullen en corrigeren van eerder verstrekte informatie aantoonbaar onzorgvuldig heeft gehandeld, zouden kunnen dragen, zijn niet gesteld.

Ook overigens is niet gebleken dat de Heffingsambtenaar niet heeft voldaan aan zijn plicht om belanghebbende inzicht te verschaffen in (de totstandkoming van) de ramingen van de in 2018 te behalen opbrengsten van de leges omgevingsvergunning.

Tweede ‘vuistregel’

De tweede ‘vuistregel’ houdt – wat betreft de geraamde baten – in dat, als de belanghebbende in twijfel trekt dat een of meer baten in de ramingen in aanmerking is (zijn) genomen en/of dat één of meer baten tot het/de juiste bedrag(en) in aanmerking is/zijn genomen, de heffingsambtenaar nadere inlichtingen over deze bate(n) moet verstrekken, teneinde – naar vermogen – deze twijfel weg te nemen.

In haar ter zitting overgelegde pleitnota heeft belanghebbende de motivering van haar twijfels aan de juistheid van de raming van de legesopbrengsten voor 2018 als volgt samengevat:

- De gemeente heeft de basisraming van de legesopbrengsten voor 2018 vier keer naar boven bijgesteld:

Reden van de correctie van raming van de legesopbrengsten

Bedrag van de correctie

De 10%-correctie geldt alleen voor bouwplannen met een bouwsom van

> € 250.000

€ 550.000

De 10%-correctie geldt niet voor de bouwplannen met het maximumtarief

€ 150.000

De 10%-correctie geldt niet voor het groene-legesdeel

€ 250.000

De raming is berekend over het middelde van de laatste drie jaar in plaats van over het laatste jaar

€ 800.000

Totaal te corrigeren op de basisraming 2018

€ 1.750.000

- Op het moment dat de voor het jaar 2018 voorgestelde tarieven van de leges aan de gemeenteraad werden voorgelegd, had de gemeente moeten weten dat heffing van de leges omgevingsvergunning naar de voor 2018 voorgestelde tarieven tot een veel hogere opbrengst dan de geraamde opbrengst € 14,47 miljoen zou leiden.

- De bijstelling naar beneden van de geraamde legesopbrengsten wegens vermindering van de leges voor duurzame bouwplannen van € 2,5 miljoen was niet realistisch. De regeling stelde veel strengere eisen aan de bouwplannen dan die in het Bouwbesluit. Er is dan ook niet meer dan € 0,2 miljoen aan verminderingen verleend.

- De gerealiseerde opbrengsten van de leges omgevingsvergunning in de jaren 2014, 2016 en 2017 waren beduidend hoger dan de voor die jaren geraamde opbrengsten van de leges omgevingsvergunning. Ook om die reden had de gemeente moeten weten dat heffing van de leges omgevingsvergunning naar de voor 2018 voorgestelde tarieven tot een veel hogere opbrengst dan de geraamde opbrengst € 14,47 miljoen zou leiden.

- De manier waarop de gemeente de opbrengsten van de leges omgevingsvergunning raamt, namelijk door uit te gaan van een driejarengemiddelde – in dit geval van de jaren 2014, 2015 en 2016 –, is in een eigen onderzoek van de gemeente onbetrouwbaar bevonden.

- Bij raming voor 2018 van de leges omgevingsvergunning die worden geheven ter zake van grote bouwprojecten houdt de gemeente onvoldoende rekening met economische ontwikkelingen.

Met de stelpost voor grote bouwplannen van € 4,5 miljoen (zie onder 2.4.) rekent de gemeente toe naar het gemiddelde van de ramingen van eerdere jaren. Ze doet dat ook in de ramingen van de legesopbrengsten voor 2017 en 2019.

- Bij vergelijk van de basisraming van de legesopbrengsten van 2018 met de lijst van gerealiseerde legesopbrengsten blijkt dat maar 12 van de in de basisraming genoemde legesopbrengsten zijn gerealiseerd (zie onder 2.5.).

- Het project [naam project] staat niet in de lijst van gerealiseerde legesopbrengst van het jaar waarin de omgevingsvergunning is aangevraagd (2018) maar in de lijst van gerealiseerde legesopbrengst van het jaar (2019). Dat is onjuist.

- Belanghebbende verbindt aan de bovenstaande twijfels over de juistheid van de raming van de legesopbrengsten voor 2018 de conclusie dat de Verordening onverbindend is.

De Heffingsambtenaar heeft om de onder 6.10 genoemde twijfels van belanghebbende naar vermogen weg te nemen – samengevat – het volgende aangevoerd.

- Uit het ‘Overzicht gerealiseerde legesinkomsten 2013-2023’ (zie onder 2.6.) blijkt dat de gemeente er goed in is geslaagd om de grote overschrijdingen van de geraamde legesopbrengsten terug te dringen.

- Het ramen van de lasten en baten in een toekomstig jaar is lastig, met veel ten tijde van de raming onbekende en niet te beïnvloeden factoren. Daarom heeft de Hoge Raad ook beslist dat een gemeente bij her ramen voorzichtig mag zijn. De gemeente heeft zich ingespannen om de baten en de lasten ter zake van het jaar 2018 zo goed mogelijk te ramen.

- In de grote-projectenlijst (zie onder 2.4.) monitort de gemeente welke grote projecten er verwacht worden en met welke mate van zekerheid de aanvragen zullen binnenkomen. Daarbij is veel onzeker. De grote-projectenlijst vormt de basis van de raming van een groot deel van de opbrengsten van de leges omgevingsvergunning. Als er veel grote projecten op de grote-projectenlijst staan is dat een reden om de raming op basis van het gemiddelde over drie eerdere jaren naar boven bij te stellen. Als er heel weinig projecten op de grote-projectenlijst staan, is er reden om de raming op basis van het gemiddelde over drie eerdere jaren naar beneden bij te stellen. Maar toen de legesopbrengsten voor 2018 werden geraamd, leken er zich in dat jaar geen uitschieters naar boven of beneden te zullen voordoen.

- De gemeenteraad stelt de begroting van een jaar vast in de maand november van het daaraan voorafgaande jaar. In maart van 2017 is met de voorbereiding van de begroting van 2018 begonnen. Voor de raming van opbrengsten van de leges omgevingsvergunning is de grote-projectenlijst een belangrijk planningsdocument. De afdeling planning van de gemeente houdt een concept van de grote-projectenlijst bij aan de hand van de informatie die de afdeling projecten van de gemeente aanlevert. Medewerkers van de afdeling projecten van de gemeente verzamelen informatie van ontwikkelaars over hun mogelijke initiatieven en voornemens om een aanvraag in te dienen. De afdeling planning past het concept van de grote-projectenlijst hieraan in de loop van het jaar aan. In april wijzigt de directie van de Dienst Stedelijke Ontwikkeling het concept van de grote-projectenlijst waar nodig en stelt het vervolgens vast. Het is een van de documenten aan de hand waarvan de ontwerpbegroting wordt opgesteld. Deze ontwerpbegroting wordt in juni/juli door de Staf Volkshuisvesting, zo nodig na aanpassing, goedgekeurd. Als daarna informatie binnenkomt die zwaarwegend genoeg is om de voorgestelde tarieven van de leges omgevingsvergunning aan te passen, kunnen die aanpassingen in augustus/september vóór de indiening in de gemeenteraad van de raadstukken inzake de begroting, worden aangebracht. Uit een vlak voor de indiening van de stukken van de begroting 2018 in september 2017 uitgevoerde globale check bleek dat niet het geval te zijn. Een nadere aanpassing naar aanleiding van na de indiening van de begrotingsstukken bij de gemeenteraad binnenkomende informatie is in de gemeente Den Haag, gelet op de daarbij te volgen ambtelijke en bestuurlijke procedures, niet haalbaar.

- Dat van de 89 gerealiseerde grote projecten en maar 12 op de Ramingslijst 2018 staan en dat er van de 62 grote projecten voor maar 12 grote projecten aanvragen voor een omgevingsvergunning zijn ingediend laat zien hoe lastig het is op basis van de in 2017 aan de gemeente bekende informatie over (mogelijke) grote projecten in te schatten voor hoeveel projecten in 2018 omgevingsvergunningen zullen worden aangevraagd.

- Dat het project [naam project] niet in Realisatielijst 2018 maar in de lijst van gerealiseerde legesopbrengst van het jaar (2019) staat, heeft een reden. De aanvraag is op 20 juli 2018 ingediend maar de beoordeling van de aanvraag is in verband met vragen over de ontvankelijkheid van de aanvraag pas op 1 november 2018 begonnen. Daarna is veel aandacht besteed aan de bijzondere constructie van het bouwwerk. Ook heeft de Welstandscommissie het bouwplan enkele malen afgewezen. Omdat deze vertragingen mogelijk invloed zouden kunnen hebben op de bouwkosten heeft de projectinspecteur ervoor gekozen het project pas aan het eind van dit proces in juni 2019 door te zetten.

- Projectontwikkelaars reageren heel alert op wijzigingen van het Bouwbesluit wat betreft energieprestatie eisen, veiligheidseisen en duurzaamheid. Dat heeft tot een hausse van vergunningaanvragen in 2017 geleid. Daarom had de gemeente Den Haag een goede reden om de geraamde baten van de leges omgevingsvergunning voor 2018 met € 2,5 miljoen te verlagen.

In de tweede vuistregel wordt van de Heffingsambtenaar verlangd dat hij nadere inlichtingen verstrekt om de door belanghebbende geuite twijfels over de ramingen van de opbrengsten van de leges omgevingsvergunning in 2018 naar vermogen weg te nemen.

Bij de beantwoording van de vraag of de Heffingsambtenaar aan de tweede ‘vuistregel’ heeft voldaan neemt het Hof de raming van het bedrag van de baten dat in de gemeentelijke begroting is opgenomen en de onderbouwing daarvan in ogenschouw. Met name zal een prognose van het aantal bouwaanvragen en daarbij behorende bouwsommen naar haar aard met veel onzekerheid omgeven zijn. Daaruit vloeit voort dat bij die prognose geen zekerheid of een volledig inzicht kan worden verlangd ten aanzien van het te verwachten aantal aanvragen en de bijbehorende bouwsommen. Verder brengt dit mee dat het een gemeente die voorzichtigheid betracht bij het ramen van legesopbrengsten te dier zake, niet kan worden tegengeworpen dat zij die opbrengsten te pessimistisch heeft geschat. In het kader van de toetsing van de opbrengstlimiet op de voet van artikel 229b, lid 1, van de Gemeentewet kan het volgens de gemeentelijke begroting geraamde bedrag aan legesopbrengsten pas dan niet worden aanvaard indien de gemeente die opbrengsten in redelijkheid niet op dat bedrag heeft kunnen ramen (vgl. HR 26 april 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC4027, BNB 1989/242 en HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:780, BNB 2014/149). Dat de gemeente de opbrengsten in redelijkheid niet op dat bedrag heeft kunnen ramen, is naar het oordeel van het Hof gelet op hetgeen de Heffingsambtenaar onder 6.11 heeft aangevoerd in reactie op de onder 6.10 opgenomen grieven van belanghebbende niet aan de orde. De Heffingsambtenaar heeft uitgebreid toegelicht tot op welk moment beschikbare informatie ten behoeve van de raming van een volgend jaar kan worden verwerkt. Voorts heeft de Heffingsambtenaar aan de hand van schriftelijke stukken overtuigend toegelicht dat en waarom een groot aantal gerealiseerde grote projecten niet konden worden geraamd en heeft hij van een groot aantal geraamde grote projecten toegelicht dat en waarom voor die projecten uiteindelijk maar een heel beperkt aantal aanvragen zijn ingediend.

De Heffingsambtenaar heeft daarmee naar het oordeel van het Hof afdoende inlichtingen verstrekt om de bij belanghebbende levende twijfel over de ramingen naar vermogen weg te nemen. De Heffingsambtenaar heeft aldus ook aan de tweede ‘vuistregel’ voldaan.

De eerste geschilvraag (of de geraamde opbrengsten de lasten te boven gaan) beantwoordt het Hof ontkennend.

Is de in de Tarieventabel opgenomen heffingsmaatstaf van de leges omgevingsvergunning onvoldoende kenbaar?

De Rechtbank heeft deze vraag ontkennend beantwoord. Het Hof maakt deze beslissing en daaraan door de Rechtbank in haar uitspraak onder 28 tot en met 30 ten grondslag gelegde motivering tot de zijne.

Wat belanghebbende in hoger beroep tegen de uitspraak van de Rechtbank heeft aangevoerd, brengt het Hof niet tot een ander oordeel. Hierbij overweegt het Hof het volgende.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de Verordening onverbindend is omdat de omvang van de bouwkosten niet kan worden bepaald, aangezien de Verordening geen sluitende definitie bevat van het begrip ‘bouwkosten’ en het daarmee feitelijk onmogelijk is de omvang van de bouwkosten te bepalen. Voorts stelt belanghebbende dat de heffingsmaatstaf niet kenbaar is, omdat normblad NEN 2699:2017 ten onrechte niet ter inzage heeft gelegen, terwijl de in de Verordening opgenomen definitie van bouwkosten afkomstig is uit dit normblad. Voorts stelt belanghebbende dat de Verordening onder ‘bouwkosten’ verstaat de ter zake ‘aangegane verplichtingen’, hetgeen - anders dan de Heffingsambtenaar voorstaat - betekent dat het niet gaat om een raming van de bouwkosten, maar om de feitelijk en rechtens aangegane verplichtingen. Op het moment van de bouwaanvraag zijn echter doorgaans nog geen verplichtingen ter zake aangegaan, zodat in dergelijke gevallen geen heffingsmaatstaf kan worden bepaald.

Onder bouwkosten wordt in de Tarieventabel (onder 3.3.) verstaan het bedrag waarvoor de aannemer zich heeft verbonden het werk tot stand te brengen (de aannemingssom), de omzetbelasting daarin begrepen, of voor zover deze ontbreekt, een raming van kosten die voortvloeien uit de aangegane verplichtingen voor de fysieke realisatie (het bouwen) van de bouwwerken, de omzetbelasting daarin begrepen.

De Hoge Raad heeft bij arrest van 9 oktober 1991, ECLI:NL:HR:ZC4731, BNB 1991/338, geoordeeld dat onder bouwkosten moet worden verstaan de prijs welke aan een derde in het economisch verkeer zou moeten worden betaald voor het tot stand brengen van het bouwwerk waarvoor de vergunning wordt verleend. Het Hof is van oordeel dat het begrip ‘bouwkosten’ in de Verordening en met inachtneming van het arrest voldoende duidelijk is gedefinieerd en dat daarmee tevens de omvang kan worden bepaald.

De omstandigheid dat het normblad van het Nederlands normalisatie-instituut NEN 2699:2017 niet ter inzage heeft gelegen, acht het Hof niet van belang, nu de Heffingsambtenaar heeft verklaard dat de definitie van ‘bouwkosten’ uit de Tarieventabel 2018 weliswaar exact overeenkomt met de in het normblad opgenomen definitie, maar daar in de Verordening niet expliciet naar wordt verwezen. Het Hof is bovendien van oordeel dat de in de Verordening opgenomen definitie op zichzelf beschouwd, met inachtneming van voormeld arrest, voldoende duidelijkheid geeft over het begrip bouwkosten.

Evenmin acht het Hof onduidelijk het in de Tarieventabel 2018 opgenomen begrip ‘aangegane verplichtingen’. Het gaat daarbij immers om een raming van de kosten ter onderscheid van de situatie waarbij de aannemer zich heeft verbonden voor een bepaalde aannemingssom. Alleen in die laatste situatie kan sprake zijn van feitelijk en rechtens aangegane verplichtingen. Dat het bij de raming van kosten eveneens zou gaan om feitelijk en rechtens aangegane verplichtingen, maar waarvan de omvang dan slechts kan worden geraamd komt het Hof dan nogal vergezocht voor.

Bij het voorgaande neemt het Hof in aanmerking dat belanghebbende bij het doen van de aanvraag geen enkel beletsel heeft ondervonden ter bepaling van de omvang van de bouwkosten en deze tussen partijen ook niet in geschil is.

Het Hof beantwoordt de tweede geschilvraag (of de in de Verordening opgenomen heffingsmaatstaf voldoende kenbaar is) bevestigend.

Slotsom

Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten

Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door G.J. van Leijenhorst, T.A. de Hek en A. Bliek-Monsma in tegenwoordigheid van de griffier Y. Postema-van der Koogh. De beslissing is op 9 juli 2024 in het openbaar uitgesproken. Bij afwezigheid van de voorzitter is de uitspraak ondertekend door T.A. de Hek.

Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl V-N Vandaag 2025/2018 Belastingblad 2025/463 met annotatie van R.T. Wiegerink
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?