GERECHTSHOF DEN HAAG
Uitspraak van 19 september 2024
[X] , te [Z] , belanghebbende,
de invorderingsambtenaar van de gemeente Rotterdam, de Invorderingsambtenaar,
Team Belastingrecht
enkelvoudige kamer
nummer BK-23/1195
in het geding tussen:
(gemachtigde: N.G.A. Voorbach)
en
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (de Rechtbank) van 10 november 2023, nummer ROT 22/5082.
Procesverloop
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen van de gemeente Rotterdam (de gemeente) opgelegd ten bedrage van € 69,10, bestaande uit € 2,60 parkeerbelasting en € 66,50 kosten voor het opleggen van de naheffingsaanslag (de naheffingsaanslag).
Omdat belanghebbende de naheffingsaanslag niet binnen de gestelde termijn heeft betaald, heeft de Invorderingsambtenaar hem schriftelijk aangemaand alsnog op uiterlijk 9 augustus 2022 te betalen. Voor het verzenden van de aanmaning is aan belanghebbende op de voet van artikel 2 van de Kostenwet invordering rijksbelastingen (Kostenwet) bij beschikking een bedrag van € 8 aan aanmaningskosten in rekening gebracht (de beschikking aanmaningskosten).
Belanghebbende heeft op 4 augustus 2022 het bedrag van de naheffingsaanslag betaald. De aanmaningskosten heeft belanghebbende niet betaald.
De Invorderingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar tegen de beschikking aanmaningskosten afgewezen en de in rekening gebrachte aanmaningskosten gehandhaafd.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht van € 50 geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 136. De Invorderingsambtenaar heeft bij nader stuk van 26 juni 2024 verweer gevoerd.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 17 juli 2024. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
Aan belanghebbende is met dagtekening 11 mei 2022 en vorderingsnummer […] de naheffingsaanslag opgelegd. Het aanslagbiljet vermeldt als uiterste betaaldatum 11 juni 2022.
Aan belanghebbende is met dagtekening 5 juli 2022 een kosteloze betalingsherinnering verstuurd. Deze betalingsherinnering vermeldt als uiterste betaaldatum 19 juli 2022 (de vervaldatum).
Omdat belanghebbende de naheffingsaanslag niet binnen de gestelde termijn heeft betaald, heeft de Invorderingsambtenaar hem met dagtekening 26 juli 2022 schriftelijk aangemaand alsnog op uiterlijk 9 augustus 2022 te betalen (de aanmaning) en daarbij de beschikking aanmaningskosten gegeven.
Belanghebbende heeft bij brief van 17 augustus 2022 bezwaar gemaakt tegen de beschikking aanmaningskosten.
De Invorderingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar van 29 september 2022 het bezwaar tegen de beschikking aanmaningskosten afgewezen en de op grond van de Kostenwet in rekening gebrachte aanmaningskosten gehandhaafd.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Invorderingsambtenaar als verweerder:
“4.2. De rechtbank stelt voorop dat de invorderingsambtenaar een aanmaning toestuurt wanneer de schuldenaar in verzuim is. Hij kan daarvoor een vergoeding in rekening brengen. De schuldenaar is in verzuim als hij niet binnen de voorgeschreven termijn heeft betaald. Die termijn is opgenomen in de naheffingsaanslag, die pas in werking treedt nadat de naheffingsaanslag is bekendgemaakt door toezending aan de belanghebbende. Elektronische verzending is mogelijk, voor zover de geadresseerde kenbaar heeft gemaakt dat hij langs deze weg voldoende bereikbaar is.[1]
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de invorderingsambtenaar terecht aanmaningskosten in rekening gebracht. De invorderingsambtenaar heeft de naheffingsaanslag op 11 mei 2022 bekendgemaakt via MijnOverheid. De invorderingsambtenaar heeft toegelicht dat het alleen mogelijk is berichten via MijnOverheid te versturen als de geadresseerde zich daarvoor heeft aangemeld. Eiser heeft niet betwist dat hij kenbaar heeft gemaakt dat hij langs deze weg voldoende bereikbaar is. Het betoog van eiser over poststukken doet niet ter zake, omdat sprake is van elektronische verzending. De uiterste betaaltermijn van de naheffingsaanslag was 11 juni 2022. Niet is gebleken dat eiser voor die datum heeft betaald. Eiser was dus in verzuim. De invorderingsambtenaar heeft terecht een aanmaning toegestuurd. Op grond van artikel 4:113, eerste lid, van de Awb, mocht de invorderingsambtenaar een vergoeding van € 8,- in rekening brengen voor het versturen van de aanmaning. De beroepsgrond slaagt niet.
(…)
[1] Dit volgt uit de artikelen 2:14, eerste lid, 3:40, 3:41, eerste lid, 4:97, 4:112, eerste lid en 4:113, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).”
Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
In hoger beroep is in geschil of de aanmaningskosten terecht in rekening zijn gebracht. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Invorderingsambtenaar bevestigend.
Niet in geschil is dat de naheffingsaanslag op 11 mei 2022 in belanghebbendes Berichtenbox van MijnOverheid is geplaatst.
Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak op bezwaar en de beschikking aanmaningskosten. Voorts verzoekt belanghebbende om vergoeding van de proceskosten en het griffierecht, beide vermeerderd met de wettelijke rente nadat vier weken zijn verstreken na de openbaarmaking van de uitspraak van het Hof, tot aan de dag van algehele voldoening.
De Invorderingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Beoordeling van het hoger beroep
Belanghebbende stelt dat hij niet op de hoogte is gebracht van de naheffingsaanslag door middel van een e-mailnotificatie of vergelijkbare melding. Volgens belanghebbende heeft de naheffingsaanslag hem om die reden niet bereikt, waarbij belanghebbende verwijst naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 9 september 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2174. Belanghebbende voert daarbij aan dat van hem niet kan worden verwacht dat hij elke dag inlogt op MijnOverheid, maar wel dat hij elke dag zijn e-mail raadpleegt. Nu de Invorderingsambtenaar de naheffingsaanslag niet op juiste wijze heeft bekendgemaakt, zijn de aanmaningskosten ten onrechte in rekening gebracht en heeft belanghebbende, zo begrijpt het Hof, de aanmaningskosten daarom niet betaald.
De Invorderingsambtenaar stelt daartegenover dat aan belanghebbende terecht een aanmaning is verstuurd, omdat de naheffingsaanslag op 11 mei 2022 op de juiste wijze via MijnOverheid is bekendgemaakt en niet door belanghebbende op de uiterste betaaldatum is betaald. Volgens de Invorderingsambtenaar zijn derhalve terecht aanmaningskosten in rekening gebracht.
Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende, op wie in deze de bewijslast rust, niet aannemelijk gemaakt dat geen e-mailnotificatie of vergelijkbare melding naar hem is verzonden. Zoals de Invorderingsambtenaar onweersproken heeft gesteld, kan uitsluitend belanghebbende zelf via MijnOverheid instellen of het systeem automatisch
e-mailnotificaties naar een door belanghebbende opgegeven e-mailadres verzendt. Belanghebbende stelt dat hij geen e-mailnotificatie heeft ontvangen. Belanghebbende draagt echter geen feiten en omstandigheden aan op grond waarvan kan worden geoordeeld dat aannemelijk is dat de functie om e-mailnotificaties te ontvangen ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag was uitgeschakeld. Belanghebbende heeft daarmee niet voldaan aan zijn stelplicht. Voor zover belanghebbende verwijst naar CRvB 9 september 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2174, overweegt het Hof dat de zaak van deze uitspraak niet vergelijkbaar is met de onderhavige zaak, nu in die zaak, anders dan in de onderhavige zaak, is vast komen te staan dat geen e-mailnotificatie over de plaatsing van het in die zaak aan de orde zijnde besluit in de Berichtenbox van MijnOverheid is verzonden (r.o. 4.5.1 van de voornoemde uitspraak). Gelet op het voorgaande komt het Hof tot de conclusie dat de naheffingsaanslag op de juiste wijze aan belanghebbende is bekendgemaakt.
Nu belanghebbende de naheffingsaanslag niet binnen de gestelde termijn heeft betaald, heeft de Invorderingsambtenaar belanghebbende terecht op grond van artikel 11 van de Invorderingswet 1990 aangemaand en daarbij op grond van artikel 2 van de Kostenwet eveneens terecht een bedrag van € 8 aan aanmaningskosten in rekening gebracht.
Slotsom
Het hoger beroep is ongegrond.
Proceskosten
Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Beslissing
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door M.J.M. van der Weijden, in tegenwoordigheid van de griffier T.S.K.L. Tjon. De beslissing is op 19 september 2024 in het openbaar uitgesproken.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.