ECLI:NL:GHDHA:2024:2747

ECLI:NL:GHDHA:2024:2747, Gerechtshof Den Haag, 27-11-2024, 200.333.100/01, 200.337.827/01, 200.339.054/01 en 200.339.061/01

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 27-11-2024
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 200.333.100/01
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBDHA:2023:8497
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 25 zaken
Aangehaald door 4 zaken
19 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827 BWBR0001886 BWBR0003045 BWBR0005289 BWBR0005921 CELEX:31989L0104 CELEX:32004L0048 CELEX:32007L0045 CELEX:32009R0207 CELEX:32012R1215 CELEX:32015L2436 CELEX:32017R1001 EU:31989L0104 EU:32004L0048 EU:32007L0045 EU:32009R0207 EU:32012R1215 EU:32015L2436 EU:32017R1001

Samenvatting

Parallelhandel in sterke drank. Aanhouding van de hoger beroepen in deze LVMH-zaken hangende de beantwoording door het HvJ EU van prejudiciële vragen die ditzelfde hof stelt in de gelijksoortige hoger beroepen 200.337.827/01, 200.339.054/01 en 200.339.061/01 (Bacardi/Van Caem). (Formeel vindt aanhouding plaats door ambtshalve doorhaling, gevolgd door heropening als de vragen zijn beantwoord.)

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht

Team Handel

Zaaknummers hof : 200.333.100/01, 200.337.827/01, 200.339.054/01 en 200.339.061/01

Zaaknummer rechtbank : C/09/527162 / HA ZA 17-184

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak ter zitting van 27 november 2024 in het incident tot aanhouding

in zaak 200.333.100/01 van

L.B. 11 B.V.,

gevestigd in Amsterdam,

appellante in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat: mr. P.L. Tjiam, kantoorhoudend in Amsterdam,

tegen

1. MHCS S.A.,

gevestigd in Epernay, Frankrijk,

2. Société JAS Hennessy & Compagnie S.A.,

gevestigd in Cognac, Frankrijk,

3. Polmos Zyrardow Sp. Zo. O.,

gevestigd in Zyrardow, Polen,

4. MacDonald & Muir Ltd,

gevestigd in Edinburgh, Schotland, Verenigd Koninkrijk,

geïntimeerden in de hoofdzaak,

verweersters in het incident,

advocaat: mr. N.W. Mulder, kantoorhoudend in Amsterdam,

in zaak 200.337.827/01 van

1. MHCS S.A.,

2. Société JAS Hennessy & Compagnie S.A.,

3. Polmos Zyrardow Sp. Zo. O.,

4. MacDonald & Muir Ltd,

voornoemd,

appellanten in de hoofdzaak,

verweersters in het incident,

advocaat: mr. Mulder voornoemd,

tegen

1. Brands Collection B.V.,gevestigd te Amsterdam,

2. KFW B.V.,gevestigd te Amsterdam.

3. VCKG B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

advocaat: mr. Tjiam voornoemd,

4. [geïntimeerde 4],

wonend te [woonplaats] ,

5. [geïntimeerde 5],

wonend te [woonplaats] , België,advocaat: mr. E.J. Eijsberg, kantoorhoudend in Rotterdam,

geïntimeerden in de hoofdzaak,geïntimeerden in de hoofdzaak 1 tot en met 3 eiseressen in het incident,

in zaak 200.339.054/01 van

JMN B.V.,

gevestigd te Amsterdam,appellante in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat: mr. Tjiam voornoemd,

tegen

1. MHCS S.A.,

2. Société JAS Hennessy & Compagnie S.A.,

3. Polmos Zyrardow Sp. Zo. O.,

4. MacDonald & Muir Ltd,

voornoemd,

geïntimeerden in de hoofdzaak,

verweersters in het incident,

advocaat: mr. Mulder voornoemd, en

in zaak 200.339.061/01 van

Delicasea B.V.,

gevestigd te Amsterdam,appellante in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat: mr. Tjiam voornoemd,

tegen

1. MHCS S.A.,

2. Société JAS Hennessy & Compagnie S.A.,

3. Polmos Zyrardow Sp. Zo. O.,

4. MacDonald & Muir Ltd,

voornoemd,

geïntimeerden in de hoofdzaak,

verweersters in het incident,

advocaat: mr. Mulder voornoemd.

Het hof noemt hierna:- Delicasea B.V., JMN B.V. en VCKG B.V.: Delicasea, JMN en VCKG;- de eiseressen in de incidenten in de vier zaken tezamen: Van Caem;- de verweersters in die incidenten tezamen: MHCS;- de geïntimeerden 1, 2 en 3 in zaak 200.337.827/01: Brands Collection c.s.;

- de geïntimeerden 4 en 5 in zaak 200.337.827/01 [geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 5] .

Alle partijen zijn vandaag op de mondelinge behandeling verschenen. Van die mondelinge behandeling wordt in voorkomend geval een afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt. Na deze mondelinge behandeling heeft het hof de zitting voor korte tijd geschorst. Daarna heeft het hof de zitting hervat en op de voet van artikel 29a lid 1 Rv de in dit proces-verbaal weergegeven mondeling uitspraak gedaan.

1. De incidentele vorderingen

MHCS vordert in de onderhavige hoofdzaken onder meer dat een aantal gedaagden dat zich bezig houdt met de opslag van en de parallelhandel in alcoholische drank, waaronder Van Caem en [geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 5] , wordt verboden inbreuk te maken op merken van MHCS, met nevenvorderingen.

In dit incident vordert Van Caem dat het hof:I: de behandeling van de vier hogerberoepzaken aanhoudt totdat het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie EU) antwoord heeft gegeven op de prejudiciële vragen die dit hof voornemens is te verwijzen in de parallelle zaken 200.304.147/01 en 200.304.960/01 Bacardi/Van Caem (hierna: de Bacardi/Van Caem-zaken en -vragen); ofII: de behandeling van de vier hogerberoepzaken aanhoudt en partijen in de gelegenheid stelt zich uit te laten over de noodzaak van het stellen van aanvullende prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie EU.Tijdens de mondelinge behandeling heeft Van Caem toegelicht dat deze vorderingen alternatief zijn.

MHCS is hier tegen, [geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 5] zijn daar voor.

2. Beoordeling

Het hof zal incidentele vordering I toewijzen, in die zin dat het de vier hogerberoepzaken ambtshalve zal doorhalen, waarna de meest gerede partij die zaken weer kan opbrengen nadat het Hof van Justitie EU de Bacardi/Van Caem-vragen heeft beantwoord. Het hof zal incidentele vordering II afwijzen.

Het hof heeft, wat dit incident betreft, kennis genomen van:

de akte houdende incidentele vordering van Van Caem;

de conclusie van antwoord van MHCS;

de antwoordakte van [geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 5] .

I: Aanhouding hangende beantwoording van de Bacardi/Van Caem-vragen

De vorderingen in de onderhavige zaken stemmen naar inhoud en grondslag grotendeels overeen met vorderingen die de Liechtensteinse vennootschap Bacardi en Company Limited met betrekking tot de opslag en de parallelhandel in alcoholische drank heeft ingesteld tegen Van Caem-vennootschappen waaronder Delicasea, JMN en VCKG, en die in de Bacardi/Van Caem-zaken in hoger beroep aan dit hof voorliggen.

Dit hof heeft bij arrest in die zaken van 30 april 2024 het voornemen geuit prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie EU te verwijzen en partijen in die zaak uitgenodigd zich daarover uit te laten. Deze vragen hebben kort gezegd betrekking op: (i) de uitleg van het Class-arrest; (ii) het vereiste van kwade trouw bij winstafdracht; en (iii) de omvang en evenredigheid van opgavebevelen.Nadat partijen zich daarover hebben uitgelaten heeft het hof op dit moment nog geen vragen verwezen.

Naar het oordeel van het hof eist de proceseconomie dat de behandeling van de onderhavige zaken wordt aangehouden totdat het Hof van Justitie EU die vragen heeft beantwoord. MHCS heeft niet weersproken dat de drie onderwerpen die het hof in zijn voorgenomen vragen aan de orde heeft gesteld ook in de onderhavige zaken een grote rol spelen. Met Van Caem is het hof van oordeel dat het dan uiterst inefficiënt zou zijn om partijen onverkort te laten doorprocederen. Partijen aan beide kanten zouden dan namelijk in hun respectieve nog te nemen memories moeten debatteren over onderwerpen waarover het Hof van Justitie EU als hoogste uitlegger van het Unierecht binnenkort zal oordelen, terwijl het debat na dat oordeel veel beperkter kan blijven. Daarbij geldt dat ook MHCS vindt dat partijen zich in geval van afwijzing van de vordering tot aanhouding later alsnog zouden moeten uitlaten over de gevolgen van de antwoorden op de Bacardi/Van Caem-vragen voor haar eigen vorderingen. Dat die uitlating, zoals zij stelt, niet uitgebreid hoeft te zijn, staat op dit moment niet vast en is ook niet relevant: waar het om gaat is dat er hoe dan ook een akteronde uitlatingen ingelast zou moeten worden.

Het hof is zich ervan bewust dat de rechtbank de vorderingen van MHCS deels heeft afgewezen en deels beperkt uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard, en dat het hof op 8 december 2023 de tenuitvoerlegging van een deel van de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde veroordelingen ten aanzien van LB11 heeft geschorst, maar dat kan geen reden zijn om Van Caem, [geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 5] te dwingen om te procederen over standpunten die achteraf gezien irrelevant kunnen blijken te zijn.

MHCS klaagt erover dat Van Caem, [geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 5] met de gevraagde aanhouding een onredelijk voordeel krijgen omdat zij daarmee veel meer tijd krijgen om op de laatste memories van MHCS te reageren dan de zestien weken die zij daar (na uitstel met toestemming) normaal voor zouden hebben. Gelet op de hiervoor beschreven eisen van proceseconomie legt dit voordeel onvoldoende gewicht in de schaal om de zaken om die reden niet aan te houden.

Dat MHCS een groot deel van de haar toegestane bladzijdes heeft gewijd aan de onderwerpen uit de Bacardi/Van Caem-vragen, komt voor haar eigen risico. Zij heeft namelijk zowel haar memorie van antwoord in principaal hoger beroep/grieven in incidenteel hoger beroep in zaak 200.333.100/01 tegen LB11 als haar memorie van grieven in zaak 200.337.827/01 tegen Brands Collection c.s. en [geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 5] genomen op 9 juli 2024, ruim nadat dit hof op 30 april 2024 zijn voornemen kenbaar heeft gemaakt om die vragen te verwijzen, en had dus net als Van Caem aanhouding kunnen vorderen.

MHSC voert aan dat een deel van haar vorderingen, zoals met name haar verbodsvordering met betrekking tot de verhandeling van goederen in T2-regime, niet door de Bacardi/Van Caem-vragen wordt geraakt en dat daarover daarom kan en moet worden doorgeprocedeerd. Met het oog op de overkoepelende relevantie van de Bacardi/Van Caem-vragen voor de door MHCS ingeleide zaak als geheel, waaronder de nevenvorderingen die betrekking hebben op de verhandeling van T2-goederen, acht het hof het niet doelmatig om de hogerberoepzaken op die manier in twee delen op te knippen.

Uit de voorgaande beoordeling volgt dat deze aanhouding geen onredelijke termijn of nodeloze vertraging oplevert in de zin van artikel 6 EVRM, artikel 3 lid 1 Handhavingsrichtlijn of artikel 20 Rv.

Formeel wordt de aanhouding binnen de kaders van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven bewerkstelligd doordat het hof de vier zaken ambtshalve doorhaalt, waarna de meest gerede partij die zaken weer kan opbrengen nadat het Hof van Justitie EU de Bacardi/Van Caem-vragen heeft beantwoord. Het hof zal voor de zekerheid verstaan dat een partij de zaak ook kan opbrengen als blijkt dat dit hof geen Bacardi/Van Caem-vragen verwijst of dat het Hof van Justitie EU de door dit hof in die zaken gestelde vragen niet zal beantwoorden.

II: Geen inventarisatie van de noodzaak tot het stellen van aanvullende prejudiciële vragen

Indien Van Caem haar incidentele vorderingen I en II als elkaar uitsluitend heeft ingesteld, komt het hof bij deze stand van zaken niet meer toe aan beoordeling van incidentele vordering II. Voor zover Van Caem die vorderingen als elkaar niet uitsluitend heeft bedoeld, is het hof van oordeel dat incidentele vordering II op dit moment voorbarig is, gelet op de stand van het debat tussen partijen en het feit dat de antwoorden van het Hof van Justitie EU op de Bacardi/Van Caem-vragen waarop nog een aanvulling nodig zou zijn, nog niet bekend zijn.

Kosten

Het hof ziet aanleiding de beslissing over de proceskosten aan te houden.

3. De beslissing

Het hof,

in het incident:

- wijst vordering I toe zoals hierna in de hoofdzaak bepaald;

- houdt de beslissing over de proceskosten aan;

- wijst af het meer of anders gevorderde;

in de hoofdzaak:

- haalt de zaken 200.333.100/01, 200.337.827/01, 200.339.054/01 en 200.339.061/01 ambtshalve door;

- verstaat dat iedere partij kan verzoeken de zaak te hervatten zoals voorzien in artikel 8.3 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven:* hetzij nadat het Hof van Justitie EU de prejudiciële vragen van dit hof in de zaken 200.304.147/01 en 200.304.960/01 heeft beantwoord, in dat geval onder overlegging van het betrokken arrest van dat Hof;* hetzij als is gebleken dat dit hof in die zaken geen vragen zal verwijzen of dat het Hof van Justitie EU de door dit hof in die zaken gestelde vragen niet zal beantwoorden.

Deze mondelinge uitspraak is op 27 november 2024 in het openbaar gedaan door mrs. H.M.H. Speyart van Woerden, mr. M.P.J. Ruijpers en mr. M. Bronneman in aanwezigheid van de griffier.

WAARVAN PROCES-VERBAAL.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?