Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden, gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 31 augustus 2021 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
adres: [woonadres], [woonplaats].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en - na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden - het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2 tenlastegelegde vrijgesproken. Ter zake van het onder 1 tenlastegelegde is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met aftrek van voorarrest, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen het vonnis.
Dit gerechtshof heeft – in een andere samenstelling – bij arrest van 30 december 2022 (onder rolnummer 22-002647-21) het vonnis waarvan beroep vernietigd en de verdachte ter zake van het onder 1 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met aftrek van voorarrest, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Tegen dit arrest is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld.
De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 25 maart 2025 voormeld arrest van het hof vernietigd ten aanzien de strafoplegging en de zaak teruggewezen naar dit gerechtshof, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Omvang van de zaak
Gelet op voormelde procesgang is – met inachtneming van het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden – het vonnis waarvan beroep uitsluitend aan het oordeel van het hof onderworpen voor wat betreft de strafoplegging.
De bewezenverklaring en de strafbaarheid (van het bewezenverklaarde en van de verdachte) zijn thans niet meer aan de orde. Hetgeen de verdediging daarover heeft aangevoerd, valt dus buiten de omvang van de zaak na terugwijzing. Datzelfde geldt voor de verzoeken van de verdediging tot het horen van getuigen en deskundigen, voor zover de verdediging deze verzoeken heeft gedaan in het kader van de bewijsvraag. Voor zover de verdediging deze verzoeken (mede) heeft gedaan in het kader van de straftoemeting, wijst het hof de verzoeken af. De noodzaak tot het horen van de getuigen en deskundigen ontbreekt, daar het hof zich voldoende voorgelicht acht.
Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan twee maanden voorwaardelijk en een proeftijd van twee jaren.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging met een terroristisch misdrijf. Dergelijke feiten zijn ernstig en angstaanjagend en kunnen tot grote maatschappelijke onrust leiden. De verdachte ziet – ook jaren na dato – het kwalijke van zijn handelen niet in.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 6 augustus 2025 waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.
De raadsvrouw heeft – subsidiair – verzocht de verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf of maatregel. Naar het oordeel van het hof kan echter – gezien de ernst van het feit – niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden - gelijk aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht - een passende en geboden reactie vormt. Voor oplegging van een langere gevangenisstraf met een voorwaardelijk strafdeel ziet het hof geen aanleiding. Weliswaar ziet de verdachte nog altijd niet het kwalijke van zijn handelen in, maar daar staat tegenover dat hij in de ruim viereneenhalf jaren sinds het bewezenverklaarde niet opnieuw voor soortgelijke strafbare feiten met politie of justitie in aanraking is geweest. Zijn laatste justitiecontact betrof een andersoortig strafbaar feit, gepleegd in 2022, waarvoor hij schuldig is verklaard zonder strafoplegging. Daarbij komt dat de persoonlijke omstandigheden van de verdachte thans zijn gewijzigd: hij is mantelzorger voor zijn met dementie kampende vader.
Het hof stelt vast dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in de cassatiefase is overschreden. Het cassatieberoep is immers ingesteld op 3 januari 2023, terwijl de Hoge Raad arrest heeft gewezen op 25 maart 2025. Na terugwijzing heeft het hof de zaak evenwel voortvarend, namelijk binnen een half jaar, behandeld en afgedaan. Gelet hierop en gelet op de relatief beperkte overschrijding van de redelijke termijn, volstaat het hof met constatering van voornoemde overschrijding.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals dat rechtens geldt dan wel gold.
BESLISSING
Het hof:
Rechtdoende na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet in zoverre opnieuw recht:
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door mr. B. Stapert, als voorzitter, en mr. W.S. Korteling en mr. B.W. Mulder, leden, in bijzijn van de griffier mr. R. Rakic-Dieteren.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 3 september 2025.
De griffier is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.