HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/00026
Datum 25 maart 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 30 december 2022, nummer 22-002647-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft G.E.M. Later, advocaat in ’s-Gravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsvrouw van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het derde cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over de strafmotivering.
De verdachte is voor “bedreiging met een terroristisch misdrijf” veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De strafoplegging is als volgt gemotiveerd:
“Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging met een terroristisch oogmerk, namelijk het plegen van aanslagen op “blanke mensen”. De verdachte heeft deze uitlatingen gedaan terwijl hij wist dat hij door de politie werd afgeluisterd. Dit soort uitlatingen veroorzaken gevoelens van angst en onveiligheid. Het dreigen met het plegen van een aanslag is ernstig en angstaanjagend, en kan tot grote onrust leiden. De verdachte heeft nimmer het kwalijke van zijn handelen ingezien en doet dit af als ‘straattaal’ en ‘vrijheid van meningsuiting’. Daarmee miskent de verdachte naar het oordeel van het hof de ernst van het feit. Ondanks dat het hof minder uitlatingen bewezen heeft verklaard dan de rechtbank, is de door de rechtbank opgelegde straf naar het oordeel van het hof passend en geboden.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 30 november 2022, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden weer een dergelijk feit te plegen.
Voorts heeft het hof acht geslagen op een reclasseringsadvies over de persoon van de verdachte d.d. 7 december 2022.
Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting komt naar voren dat de verdachte gefascineerd is door (al dan niet terroristisch) geweld, dat hij dit geweld om verschillende, niet makkelijk te doorgronden redenen gelegitimeerd acht en dat hij geen enkel inzicht heeft in het strafwaardige van zijn handelen. Dit doet ernstig vrezen voor herhaling van strafbaar gedrag, zodat een voorwaardelijk strafdeel geïndiceerd is om dat te voorkomen.
Het hof is – alles afwegende – van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur – waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van het reeds ondergane voorarrest – een passende en geboden reactie vormt.”
De vaststelling van het hof dat uit het “de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 30 november 2022 (...) blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit”, is niet begrijpelijk. Dat uittreksel bevat immers slechts één veroordeling, maar dat betreft de veroordeling door de rechtbank in deze zaak. Verder maakt het uittreksel melding van twee transacties, maar anders dan een strafbeschikking kan, mede gelet op artikel 78b van het Wetboek van Strafrecht, een transactie niet worden gelijkgesteld met een veroordeling. De strafoplegging is daarom ontoereikend gemotiveerd.
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 maart 2025.