ECLI:NL:GHDHA:2026:183

ECLI:NL:GHDHA:2026:183

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 08-01-2026
Datum publicatie 12-02-2026
Zaaknummer BK-25/395 t/m BK-25/397
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:GHDHA:2026:897

Samenvatting

Artt. 6.32 t/m 6.35 Wet IB 2001. Artt. 6.38 en 6.39 Wet IB 2001. Aanslag IB/PVV. Giftenaftrek terecht gecorrigeerd. Belanghebbende maakt niet aannemelijk dat sprake is van een periodieke gift of van een andere gift.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Uitspraak van 8 januari 2026

[X] te [Z] , belanghebbende,

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-25/395 t/m BK-25/397

in het geding tussen:

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 3 april 2025, nummers SGR 23/565, SGR 23/567 en SGR 23/568.

Procesverloop

Aan belanghebbende is voor het jaar 2016 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 60.300. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is € 1.183 belastingrente in rekening gebracht.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2017 een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 75.269. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is € 1.506 belastingrente in rekening gebracht.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2018 een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 64.713. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is € 1.508 belastingrente in rekening gebracht.

De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar de aanslagen, en de beschikkingen belastingrente gehandhaafd.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake daarvan is een griffierecht van eenmaal € 50 geheven. De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake daarvan is een griffierecht van eenmaal € 143 geheven. Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend, ingekomen bij het Hof op 27 oktober 2025, op 13 november 2025, op 17 november 2025, op 23 november 2025 en op 26 november 2025.

De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 26 november 2025. De Inspecteur is verschenen. Van de zijde van belanghebbende is niemand verschenen, terwijl het Hof heeft kunnen constateren dat belanghebbende gelet op de uitstelverzoeken van de datum en het tijdstip van de zitting op de hoogte is.

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

Belanghebbende heeft aangifte IB/PVV 2016 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 29.020. De aangifte vermeldt onder ‘Totaalbedrag andere giften’ een bedrag van € 7.000. Onder ‘periodieke giften culturele instellingen’ vermeldt de aangifte een bedrag van € 24.000 met als omschrijving ‘ [de Stichting] . Het totaal aan aftrekbare giften is vastgesteld op € 31.280 en als persoonsgebonden aftrek in mindering gebracht op het inkomen uit werk en woning van belanghebbende.

Belanghebbende heeft aangifte IB/PVV 2017 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 42.871. De aangifte vermeldt onder ‘Toelichting andere giften culturele instellingen’ een bedrag van € 7.900 met als omschrijving ‘ [de Stichting]

’. Onder ‘periodieke giften culturele instellingen’ vermeldt de aangifte een totaalbedrag van € 24.000 met als omschrijving ‘ [de Stichting] . Het totaal aan aftrekbare giften is vastgesteld op € 32.398 en als persoonsgebonden aftrek in mindering gebracht op het inkomen uit werk en woning van belanghebbende.

Belanghebbende heeft aangifte IB/PVV 2018 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 31.110. De aangifte vermeldt onder ‘Toelichting andere giften culturele instellingen’ een bedrag van € 7.000 met als omschrijving ‘ [de Stichting]

’. Onder ‘periodieke giften culturele instellingen’ vermeldt de aangifte tweemaal het bedrag van € 26.000 met als omschrijving ‘ [de Stichting] . Het totaal aan aftrekbare giften is vastgesteld op € 33.603 en als persoonsgebonden aftrek in mindering gebracht op het inkomen uit werk en woning van belanghebbende.

[de Stichting] (de Stichting) is in 1997 opgericht. De Stichting staat ingeschreven op het voormalige woonadres van belanghebbende. Belanghebbende is secretaris van de Stichting.

De Stichting stond vanaf 1 januari 2010 geregistreerd als een algemeen nut beogende instelling (ANBI). Ook stond de Stichting met ingang van 1 januari 2012 aangemerkt als culturele instelling.

De Belastingdienst is in 2021 een onderzoek gestart naar de houdbaarheid van de ANBI-status van de Stichting. Bij beschikking met dagtekening 16 mei 2022 heeft de Inspecteur de ANBI-status van de Stichting ingetrokken met terugwerkende kracht tot 1 januari 2010. Bij dezelfde beschikking is ook de culturele status van de Stichting ingetrokken met terugwerkende kracht tot 1 januari 2012. In de aan de beschikking voorafgaande brief met dagtekening 2 mei 2022 staat onder meer vermeld:

“Beslissing

De instelling heeft niet voldaan aan de informatieplicht. Uit de beschikbare informatie is niet gebleken dat de instelling voldoet of heeft voldaan aan de voorwaarden voor een ANBI. Mijn standpunt is uitgebreid toegelicht in de brief van 2 maart 2022.”

De Inspecteur heeft bij het vaststellen van de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2016, 2017 en 2018 de onder 2.1.1 t/m 2.1.3 vermelde giftenaftrek gecorrigeerd.

Belanghebbende heeft na het indienen van zijn bezwaarschrift tegen de aanslag IB/PVV 2017, maar vóór de uitspraak op dat bezwaar een herziene aangifte IB/PVV over het jaar 2017 ingediend. In die herziene aangifte heeft belanghebbende, naast de reeds gecorrigeerde giften aan de Stichting, bij ‘toelichting overige periodieke giften’ een bedrag van € 32.000 met als omschrijving ‘ [naam goed doel] ’ vermeld. De Inspecteur heeft de herziene aangifte niet in behandeling genomen.

Belanghebbende heeft na het indienen van het beroepschrift een herziene aangifte IB/PVV over het jaar 2018 ingediend. In die herziene aangifte heeft belanghebbende, naast de reeds gecorrigeerde giften aan de Stichting, bij ‘Toelichting overige andere giften’ en ‘toelichting overige periodieke giften’ bedragen van respectievelijk € 7.500 en € 26.000 vermeld, met als omschrijving ‘ [naam goed doel] ’. De Inspecteur heeft de herziene aangifte niet in behandeling genomen.

Tot de gedingstukken behoort een document met dagtekening 21 december 2015 waarin staat vermeld dat belanghebbende op 19 december 2012, 20 december 2012, 16 december 2014, 21 december 2015 en op 22 december 2023 spoormaterialen van [naam 1] uit [buitenlandse plaats] heeft gekocht.

Tot de gedingstukken behoort een document met dagtekening 2 januari 2016, onder meer ondertekend door belanghebbende. Deze brief vermeldt:

“2 januari 2016

Bij deze draagt de heer [belanghebbende] in eigendom over

1 partij spoor ter waarde van 7.000 euro, handtekening [belanghebbende] : [handtekening [belanghebbende] ]

aan [de Stichting] .

Getekend, namens [de Stichting] , [naam 2] (penningmeester), handtekening [naam 2] : [handtekening [naam 2] ]”

Tot de gedingstukken behoort een document met dagtekening 2 januari 2016, onder meer ondertekend door belanghebbende. Deze brief vermeldt:

“2 januari 2016

Bij deze draagt de heer [belanghebbende] in eigendom over

1 partij spoor ter waarde van 24.000 euro, handtekening [belanghebbende] : [handtekening [belanghebbende] ]

aan [de Stichting] .

Getekend, namens [de Stichting] , [naam 2] (penningmeester), handtekening [naam 2] : [handtekening [naam 2] ]”

Belanghebbende heeft een document met dagtekening 17 november 2016 overgelegd waarin het volgende is vermeld:

“ [naam 3]

[adres buitenland]

Tauscht

220 Schienen S12

5140 Dakdwarsligger

7000 Bolzen

Mit [belanghebbende]

[adres belanghebbende]

Die Niederlande

Gegen 1 Schema diesellok

Wert 35.000 Euro”

Tot de gedingstukken behoort een document met dagtekening 6 december 2016, waarin onder meer staat vermeld:

“Bewertung

6 Dezember 2016

Durchgeführt von:

[naam bedrijf]

[naam 4]

[adres 2 buitenland]

lm Auftrag von:

[belanghebbende]

[adres belanghebbende]

NL

Experte auf dem Gebiet:

Bahnconsulting. Schriftverkehr und Treffen mit Konstrukteuren, Lieferanten und technischen Abnahme- und Zulassungsinstitutionen. Anfertigung von Bewertungen.

Objekte:

220 Schienen 512

1.540 dakdwarsligger

6.184 Bolzen

Insgesamt 220 railramen S12, 7 Meter

(…)

Berechnung:

(…) 220 Schienen (…) = 21.437Euro

1.540 dakdwarsligger (…) = 10.780Euro

6.184 Bolzen (…) = 1.175Euro

Insgesamt

21.437+10.780+1.175 = 33.392Euro

Ingesamt 220 railramen S12, 7 Meter, Gesamtwert 33.392Euro

(…)

Anhänge: 2x Bewertung

110 railramen recht (S12), 7 m, op stalen dakdwarsligger spoorbreedte 700 mm

16696Euro”

Tot de gedingstukken behoren een tweetal bankafschrijvingen van de ING-rekening van belanghebbende. Daarin staat vermeld:

“Datum

Omschrijving

Type

Bedrag (€)

25 oktober 2017

Naam: [belanghebbende]

Omschrijving: periodieke gift 24.000 en gewone gift 7.900

IBAN: […] Datum/Tijd 25-10-2017 22:21:05 Valutadatum: 25-10-2017

Online bankieren

31.900,00

Datum

Omschrijving

Type

Bedrag (€)

21 oktober 2016

Naam: [belanghebbende]

Omschrijving: periodieke gift 24.000 en gewone gift 7.000

IBAN: […]

Datum/Tijd: 21-10-2016 21:50:18 Valutadatum: 21-10-2016

Online bankieren

31.000,00”

Tot de gedingstukken behoort een financieel jaarverslag van de Stichting van de jaren 2018 en 2019. Hieruit volgt dat het totaal aan activa per ultimo 2018 en 2019 € 1.700 bedraagt en dat de ontvangen giften per ultimo 2018 en 2019 respectievelijk € 45.326 en € 44.419 bedragen. De totale lasten (materiaal en onderhoudsmaterialen, kosten expositie en diverse kosten) van de Stichting bedragen per ultimo 2018 en 2019 respectievelijk € 44.145 en € 43.392. Het saldo baten minus lasten bedraagt per ultimo 2018 en 2019 respectievelijk € 1.180 en € 1.027.

Oordeel van de Rechtbank

Zijn de aanslagen tijdig opgelegd?

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

“Giften aan de Stichting

9. Aftrekbare giften zijn:

( a) periodieke giften en

( b) andere giften.

10. Onder giften wordt verstaan: bevoordelingen uit vrijgevigheid en verplichte bijdragen waar geen directe tegenprestatie tegenover staat.[1]

11. Periodieke giften zijn giften in de vorm van vaste en gelijkmatige periodieke uitkeringen die eindigen uiterlijk bij overlijden, aan instellingen of verenigingen.[2]

12. Andere giften zijn giften aan ANBI’s of aan steunstichtingen SBBI.[3]

13. Vaststaat dat de ANBI-status van de Stichting bij beschikking van 16 mei 2022 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2010 is ingetrokken. Giften die na 1 januari 2010 aan de Stichting zijn gedaan, komen dan in principe niet meer voor aftrek in aanmerking. In het besluit van de Staatssecretaris van 19 december 2014[4] staat evenwel het volgende:

“2.3 Giften aan instellingen die niet meer als ANBI zijn aangemerkt, zijn niet meer aftrekbaar

Als een instelling de ANBI-status verliest, zijn giften aan zo’n instelling vanaf dat moment niet meer aftrekbaar. Dit geldt ook voor uitkeringen en verstrekkingen die voortvloeien uit lopende verplichtingen tot het doen van periodieke giften aan zo’n instelling, althans wanneer de instelling niet kwalificeert als vereniging. Het voorgaande geldt ongeacht de oorzaak van het verlies van de ANBI-status. Een uitzondering geldt voor de goedkeuring in onderdeel 2.3.1.

Een belastingplichtige mag ervan uitgaan dat een in het ANBI-register vermelde instelling ook daadwerkelijk als ANBI kwalificeert. Daarom zijn betalingen die worden gedaan na het verlies van de ANBI-status aftrekbaar zolang de ANBI-status in het ANBI-register van de Belastingdienst wordt vermeld. Dit geldt niet als sprake is van kwade trouw bij de belastingplichtige.”

14. Aangenomen mag worden dat de ANBI-status van de Stichting in 2016, 2017 en 2018 nog in het ANBI-register van de belastingdienst werd vermeld. Betalingen aan de Stichting mogen dan nog in aftrek worden gebracht, tenzij sprake is van kwade trouw bij eiser.

15. Verweerder stelt dat eiser te kwader trouw was. Hij voert daartoe aan dat eiser zowel vóór de intrekking van de ANBI-status van de Stichting als in bezwaar voldoende tijd is gegeven om aannemelijk te maken dat de Stichting voldeed aan de voorwaarden om te worden aangemerkt als ANBI. Verder heeft eiser de vragen niet of niet afdoende beantwoord en de gevraagde informatie niet overgelegd. Volgens verweerder wist eiser dan ook of behoorde hij in ieder geval te weten dat de Stichting niet voldeed aan de voorwaarden om te worden aangemerkt als ANBI.

16. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee niet aannemelijk gemaakt dat eiser bij het doen van de aangiften te kwader trouw was. De door verweerder genoemde feiten en omstandigheden doen zich immers pas voor na het doen van de aangiften. Verder impliceert kwade trouw dat willens en wetens ten onrechte giftenaftrek wordt geclaimd. Dat eiser mogelijk behoorde te weten dat de Stichting niet voldeed aan de voorwaarden om te worden aangemerkt als ANBI, is daarom onvoldoende om kwade trouw aan te nemen.

17. Verweerder heeft subsidiair gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de gestelde giften daadwerkelijk heeft gedaan.

18. De bewijslast dat sprake is van aftrekbare giften rust op eiser.

19. Voor periodieke giften geldt ingevolge artikel 6.38 van de Wet IB 2001 dat zij in aanmerking worden genomen indien zij berusten op een bij notariële of onderhandse akte van schenking aangegane verplichting om de uitkeringen of verstrekkingen gedurende vijf of meer jaren ten minste jaarlijks uit te keren. Eiser heeft geen notariële of onderhandse akte van schenking overgelegd waaruit blijkt dat hij de verplichting is aangegaan om gedurende vijf of meer jaren jaarlijks uitkeringen of verstrekkingen te doen aan de Stichting. Aldus heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij recht heeft op aftrek van periodieke giften aan de Stichting.

20. Voor andere giften geldt op grond van artikel 6.39 van de Wet IB 2001 dat deze alleen in aanmerking worden genomen voor zover zij met schriftelijke bescheiden kunnen worden gestaafd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met de door hem overgelegde stukken daaraan niet voldaan.

21. Eiser heeft een stuk overgelegd met dagtekening 2 januari 2016 waarin staat:

“Bij deze draagt de heer [belanghebbende] in eigendom over

1. partij spoor ter waarde van 7.000 euro, handtekening [belanghebbende] : [handtekening]

Aan [de Stichting] .

[naam 2] (penningmeester), handtekening [naam 2] : [handtekening].”

22. Nog daargelaten dat uit niets blijkt dat de gestelde partij spoor een waarde heeft van € 7.000, valt deze gift in natura niet te rijmen met het door eiser overgelegde bankafschrift waarin eveneens een gewone gift van € 7.000 wordt vermeld:

“21 oktober 2016 naam: [belanghebbende]

Omschrijving: periodieke gift

24.000 en gewone gift 7.000

IBAN: (…)

Datum/Tijd: 21-10-2016 21:50:18

Valutadatum: (…)”

23. Ook voor 2017 heeft eiser een dergelijk bankafschrift overgelegd. Hierin wordt vermeld:

“25 oktober 2017 naam: [belanghebbende]

Omschrijving: periodieke gift

24.000 en gewone gift 7.900

IBAN: (…)

Datum/Tijd: 25-10-2017 22:21:05

Valutadatum: (…)”

24. De rechtbank merkt op dat volgens de bankafschriften eiser in 2016 € 31.000 zou hebben overgemaakt naar de Stichting en dat hij in 2017 € 31.900 zou hebben overgemaakt naar de Stichting. Dat is voor beide jaren meer dan de helft van zijn arbeidsinkomen. De rechtbank acht niet geloofwaardig dat eiser meer dan de helft van zijn inkomen schenkt aan de Stichting, terwijl hij een gezin met vier kinderen heeft en zijn echtgenote geen inkomen geniet.

25. De overige door eiser overgelegde bescheiden zijn evenmin voldoende om aannemelijk te maken dat hij giften heeft gedaan aan de Stichting.

26. Er is een stuk van 16 december 2016 met het opschrift: ‘Bewertung’ waarin [naam bedrijf] in opdracht van [belanghebbende] spoormaterialen waardeert. In dit stuk worden

220 Schienen, 1.540 dakdwarsliggers en 6.180 Bolzen gewaardeerd op een gezamenlijk bedrag van € 33.392 euro. Daarnaast worden 220 railramen S12, 7 m gezamenlijk gewaardeerd op eveneens € 33.392 euro.

Onderaan het stuk staat:

“Anhänge: 2 x Bewertung.

110 railramen recht (S12), 7 m, op stalen dakdwarsligger spoorbreedte 700 mm, 16696 Euro.”

27. De voormelde ‘Anhänge’ is ook overgelegd. Hierin staat:

“Value overview property of [belanghebbende] (…)

By

[naam 4]

[naam bedrijf]

(…)

110 railramen recht (S12), 7 m, op stalen dakdwarsligger spoorbreedte 700 mm

16696 euro”

28. Dan is er nog een stuk van 17 november 2016 waarin staat dat [naam 3] met

[belanghebbende] 220 Schienen S12, 5140 dakdwarsligger en 7000 Bolzen ruilt tegen een diesellok met een waarde van 35.000 Euro.

29. Tot slot is er een stuk van 21 december 2015 met daarin een opsomming van de spoormaterialen die eiser zou hebben gekocht van ene [naam 1] uit [buitenlandse plaats] . Het betreft aankopen op respectievelijk 19 december 2012, 20 december 2012, 22 december 2023, 16 december 2014 en 21

december 2015.

30. Uit de voormelde vier stukken, wat daar verder ook van zij, blijkt niet dat eiser giften heeft gedaan aan de Stichting.

Giften aan het [naam goed doel]

31. Naar de rechtbank begrijpt uit de door eiser ingediende herziene aangiften, stelt eiser dat hij voor 2017 en 2018 ook recht heeft op aftrek van giften die hij zou hebben gedaan aan het [naam goed doel] . Voor 2017 zou het gaan om een periodieke gift en voor 2018 om een periodieke gift en een andere gift.

32. Ook hiervoor geldt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij deze giften heeft gedaan. Eiser heeft geen notariële of onderhandse akte van schenking overgelegd waaruit blijkt dat hij de verplichting is aangegaan om gedurende vijf of meer jaren jaarlijks uitkeringen of verstrekkingen te doen aan het [naam goed doel] . Verder heeft eiser ook geen andere schriftelijke bescheiden overgelegd waaruit blijkt dat hij giften heeft gedaan aan het [naam goed doel] . Voor het jaar 2018 valt het de rechtbank, met verweerder, op dat eiser giftenaftek claimt ter hoogte van vrijwel zijn gehele bruto-inkomen, zijnde het gezinsinkomen van eiser.

33. Eiser stelt verder dat verweerder de aanslagen niet tijdig heeft opgelegd.

34. Op grond van artikel 11, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) vervalt de bevoegdheid tot het opleggen van een aanslag drie jaar nadat de belastingschuld is ontstaan. Indien voor het doen van de aangifte uitstel is verleend, wordt deze termijn met de duur van het uitstel verlengd.

35. Vaststaat dat voor de jaren 2016, 2017 en 2018 op verzoek van eiser telkens vier maanden uitstel is verleend voor het doen van aangifte. Hieruit volgt dat de aanslagtermijn voor 2016 eindigde op 30 april 2020. Voor 2017 eindigde de aanslagtermijn op 30 april 2021. Voor 2018 eindigde de aanslagtermijn op 30 april 2022.

36. De aanslagen zijn vastgesteld met dagtekening 22 juni 2019 (2016), 2 februari 2021 (2017) en 3 februari 2022 (2018). Dat is telkens vóór het einde van de aanslagtermijn. De aanslagen zijn ook vóór het einde van die termijn door eiser ontvangen, zo blijkt uit het feit dat eiser vóór respectievelijk 30 april 2020, 30 april 2021 en 30 april 2022 bezwaar heeft ingesteld tegen die aanslagen.

37. De aanslagen zijn derhalve tijdig aan eiser opgelegd.

Slotsom

38. Uit wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, volgt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij tot de door hem gestelde bedragen giften heeft gedaan. Verweerder heeft de giftenaftrek dan ook terecht gecorrigeerd. De beroepen zijn daarom ongegrond verklaard.

Proceskosten

39. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

(…)

[1] Artikel 6.33, eerste lid, onder a, Wet IB 2001.

[2] Artikel 6.34 Wet IB 2001.

[3] Artikel 6.35 Wet IB 2011.

[4] BLKB2014/1415M”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

In geschil is of de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2016, 2017 en 2018 terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Meer specifiek is in geschil of belanghebbende voor de onderhavige jaren recht heeft op giftenaftrek.

Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de aanslagen voor de jaren 2016, 2017 en 2018 conform de ingediende aangiften.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Uitstelverzoeken van belanghebbende

Belanghebbende heeft op 27 oktober 2025, 13 november 2025 en 17 november 2025 verzocht om de mondelinge behandeling van de zaak door het Hof uit te stellen. In het op 27 oktober 2025 ingediende verzoek heeft belanghebbende vermeld niet in staat te zijn deel te nemen aan de zitting en evenmin in staat te zijn informatie aan een advocaat over te brengen. In de bij het uitstelverzoek van 27 oktober 2025 gevoegde schermafdruk van MijnGezondheid.net staat vermeld: [belanghebbende] [geboortedatum] , Surmenage Datum 23-10-2025. In het uitstelverzoek van 13 november 2025 heeft belanghebbende gesteld dat de uitnodiging voor de zitting van het Hof een grove inbreuk vormt op zijn privé-, gezins- en familieleven, gelet op zijn persoonlijke omstandigheden, en er voorts geen enkel belang is de zaak binnen een redelijke termijn af te handelen en hij daar ook niet om heeft gevraagd. In het uitstelverzoek van 17 november 2025 heeft belanghebbende verzocht om uitstel, zodat hij met de Inspecteur, eventueel daarna met de Belangenbehartiger Belastingplichtigen en Toeslaggerechtigden en eventueel daarna met een mediator in overleg kan treden.

Het Hof leidt uit de uitspraak van de Rechtbank af dat belanghebbende al sinds het najaar van 2023 onafgebroken om uitstel van de zitting verzoekt met als reden dat hij zich door ziekte (surmenage, een langere tijd van overspannenheid) niet kan voorbereiden op de zitting. In hoger beroep heeft belanghebbende driemaal om dezelfde reden om uitstel verzocht. Naar het oordeel van het Hof weegt het belang van een behoorlijke procesorde – die afdoening van de zaak binnen een redelijke termijn omvat – in dit geval zwaarder dan het belang van belanghebbende bij aanhouding van de zaak in hoger beroep. Het Hof neemt hierbij in aanmerking dat belanghebbende al twee jaar lang in feite geen enkel zicht biedt op behandeling van de zaak binnen afzienbare tijd. Ook uit het laatste uitstelverzoek van belanghebbende van 17 november 2025 blijkt dat hij geen enkele urgentie voelt deze kwestie binnen een redelijke termijn tot een behandeling te laten komen. Het staat belanghebbende vanzelfsprekend vrij om in overleg te treden met de Inspecteur, maar dit vormt voor het Hof in dit stadium geen reden voor het verlenen van uitstel van de zitting. Belanghebbende heeft bovendien aangegeven niet in staat te zijn de zaak over te dragen aan een advocaat, terwijl hij wel in staat is gebleken uitgebreid gemotiveerde uitstelverzoeken te (laten) doen en, zij het pas op de dag van de zitting bij het Hof, een volmacht te overleggen waarin hij aan ‘de familie […] en [belanghebbende] ’ machtiging verleent om hem te vertegenwoordigen. Dat vervolgens niemand namens belanghebbende ter zitting bij het Hof is verschenen doet aan het vorenstaande niet af. Het Hof wijst het verzoek om uitstel van belanghebbende daarom af. Dat het Hof hiermee een ontoelaatbare inbreuk maakt op belanghebbendes privé-, gezins- en familieleven heeft belanghebbende niet onderbouwd.

Tardiefverklaring

Belanghebbende heeft in zijn nadere stuk van 23 november 2025 een drietal bijlagen overgelegd. Volgens belanghebbende betreffen dit de overeenkomsten die als bewijs dienen van de gedane giften. De Inspecteur heeft ter zitting bij het Hof verzocht om de drie bijlagen wegens de late indiening buiten beschouwing te laten.

Dienaangaande geldt dat gelet op artikel 8:58, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken kunnen indienen. Deze stukken worden, bijzondere omstandigheden daargelaten, tot de gedingstukken gerekend. Partijen zijn conform artikel 8:58, lid 2, Awb in de uitnodiging voor de zitting van het Hof met dagtekening 15 oktober 2025 erop gewezen dat nadere stukken uiterlijk tien dagen voor de zitting moeten worden ingediend.

Belanghebbendes nadere stuk met de drie bijlagen is buiten deze termijn ingediend. Het nadere stuk is drie dagen voor de zitting - op 23 november 2025 - door de administratie van het Hof ontvangen. De bijlagen dateren van 2017 en 2018. Mede gelet op de inhoud van het geschil lag het op de weg van belanghebbende om de bijlagen in een eerder stadium over te leggen. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende niet voldoende gelegenheid heeft gehad om de stukken eerder over te leggen. De Inspecteur is door de nodeloos late indiening niet in staat geweest deze documenten aan een nader onderzoek te onderwerpen. Het Hof heeft daarvoor begrip. Gelet op het voorgaande en de goede procesorde zal het Hof de drie bijlagen buiten beschouwing laten.

Wettelijk kader

Het Hof stelt voorop dat op grond van artikel 6.32 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) onder aftrekbare giften wordt verstaan (a) periodieke giften en (b) andere giften. Op grond van artikel 6.33, aanhef en onderdeel a, Wet IB 2001 wordt onder giften verstaan: bevoordelingen uit vrijgevigheid en verplichte bijdragen waar geen directe tegenprestatie tegenover staat. Periodieke giften zijn ingevolge artikel 6.34 Wet IB 2001 giften in de vorm van vaste en gelijkmatige periodieke uitkeringen die eindigen uiterlijk bij overlijden, aan instellingen of verenigingen. Voorts volgt uit artikel 6:33, aanhef en onderdeel b, in verbinding met artikel 6:35 Wet IB 2001 dat giften aftrekbaar zijn indien zij worden gedaan aan een ANBI.

Artikel 6.38 Wet IB 2001 bepaalt dat periodieke giften in aanmerking worden genomen indien zij berusten op een bij notariële of onderhandse akte van schenking aangegane verplichting om de uitkeringen of verstrekkingen gedurende vijf of meer jaren ten minste jaarlijks uit te keren en dat bij ministeriële regeling regels worden gesteld waaraan de onderhandse akte van schenking moet voldoen. Voor andere giften geldt op grond van artikel 6.39 van de Wet IB 2001 dat deze alleen in aanmerking worden genomen voor zover zij met schriftelijke bescheiden kunnen worden gestaafd.

Giftenaftrek

Vaststaat dat de ANBI-status van de Stichting bij beschikking met terugwerkende kracht tot 1 januari 2010 is ingetrokken (zie 2.4). Uit de parlementaire geschiedenis blijkt evenwel dat de intrekking met terugwerkende kracht geen gevolgen heeft voor de schenker die niet te kwade trouw schenkingen heeft gedaan aan de instelling en deze als giften in aftrek heeft gebracht (Kamerstukken II 2009/10, 31930, nr. 76, p. 21). Dit is ook opgenomen in onderdeel 2.3 van het besluit van de Staatssecretaris van 19 december 2014, BLKB2014/1415M, Stcrt 2014, 36877:

2.3 Giften aan instellingen die niet meer als ANBI zijn aangemerkt, zijn niet meer aftrekbaar

Als een instelling de ANBI-status verliest, zijn giften aan zo’n instelling vanaf dat moment niet meer aftrekbaar. Dit geldt ook voor uitkeringen en verstrekkingen die voortvloeien uit lopende verplichtingen tot het doen van periodieke giften aan zo’n instelling, althans wanneer de instelling niet kwalificeert als vereniging. Het voorgaande geldt ongeacht de oorzaak van het verlies van de ANBI-status. Een uitzondering geldt voor de goedkeuring in onderdeel 2.3.1.

Een belastingplichtige mag ervan uitgaan dat een in het ANBI-register vermelde instelling ook daadwerkelijk als ANBI kwalificeert. Daarom zijn betalingen die worden gedaan na het verlies van de ANBI-status aftrekbaar zolang de ANBI-status in het ANBI-register van de Belastingdienst wordt vermeld. Dit geldt niet als sprake is van kwade trouw bij de belastingplichtige.”

De ANBI-status van de Stichting in 2016, 2017 en 2018 stond in het ANBI-register van de Belastingdienst vermeld. Giften aan de Stichting mogen dan nog in aftrek worden gebracht, tenzij sprake is van kwade trouw bij belanghebbende. Ter zitting heeft de Inspecteur erkend dat zij niet voldoende kan onderbouwen dat sprake is van kwade trouw bij belanghebbende. De Inspecteur stelt echter wel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de gestelde giften daadwerkelijk heeft gedaan.

De bewijslast dat sprake is van aftrekbare periodieke giften rust op belanghebbende. Nu belanghebbende geen notariële of onderhandse akte van schenking heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij de verplichting is aangegaan om gedurende vijf of meer jaren jaarlijks uitkeringen of verstrekkingen te doen aan de Stichting, heeft belanghebbende reeds daarom niet aannemelijk gemaakt dat hij recht heeft op aftrek van periodieke giften aan de Stichting.

Ter zake van de aftrek van de andere giften en de giften die belanghebbende als periodieke giften wenst aan te merken, omdat deze eventueel als ‘andere giften’ aftrekbaar zouden kunnen zijn, dient het Hof te beoordelen of deze giften met schriftelijke bescheiden worden gestaafd. In geval van betwisting door de Inspecteur, zoals hier het geval is, rust op belanghebbende de bewijslast. Ter onderbouwing van zijn stelling verwijst belanghebbende naar de door hem ingediende bescheiden (zie r.o. 2.8 t/m 2.12).

Het Hof komt evenals de Rechtbank tot het oordeel dat belanghebbende met de door hem overgelegde bescheiden onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij de door hem gestelde giften in de onderhavige jaren aan de Stichting heeft gedaan. Het Hof sluit zich aan bij rechtsoverweging 20 alsmede rechtsoverwegingen 24 tot en met 30 van de uitspraak van de Rechtbank en neemt de gronden daartoe over.

Het Hof voegt aan de overwegingen 5.4.2 tot en met 5.4.4 het volgende toe. Belanghebbende heeft een stuk overgelegd met dagtekening 21 december 2015 (r.o. 2.8), waarvan onduidelijk is welk bewijs daaraan kan worden ontleend. Enig verband met de in geschil zijnde jaren kan – zonder nadere toelichting die ontbreekt – niet worden gelegd. Twee stukken gedateerd 2 januari 2016 (r.o. 2.9.1 en 2.9.2) zouden moeten dienen ter onderbouwing van het standpunt dat belanghebbende een partij spoor overdraagt aan de Stichting ter waarde van respectievelijk € 7.000 en € 24.000. De waarde van deze overdracht valt echter niet te controleren en lijkt bovendien in tegenspraak met de door belanghebbende overgelegde bankafschrijvingen (r.o. 2.12) waarmee – naar het Hof aanneemt – belanghebbende bedoelt te stellen dat hij een gift in geld voor dezelfde bedragen heeft gedaan op 21 oktober 2016. De bankafschrijvingen bevatten tevens een transactie op 25 oktober 2017 van dezelfde bedragen. Zonder nadere gegevens die ontbreken kan echter niet worden vastgesteld dat dit giften in geld zijn geweest van belanghebbende in privé aan de Stichting en dat de Stichting deze giften ook blijvend heeft aanvaard. Een stuk gedateerd 17 november 2016 (r.o. 2.10) betreft mogelijk een ruil van goederen. Ook hier is onduidelijk welk bewijs hieraan zou moeten worden ontleend. Een ruil is immers geen gift. Enig verband met een gift van belanghebbende aan de Stichting kan – zonder nadere toelichting die ontbreekt – ook hier niet worden gelegd. Een stuk gedateerd 6 december 2016 (r.o. 2.11) betreft een taxatie van railramen en dwarsliggers. Wederom is onduidelijk welk bewijs hieraan zou moeten worden ontleend. Enig verband met een gift van belanghebbende aan de Stichting kan – zonder nadere toelichting die ontbreekt – niet worden gelegd. Bij de handelingen onder r.o. 2.8, 2.10 en 2.11 is ook onbekend of belanghebbende in privé of namens de Stichting is opgetreden, in welk laatste geval van een gift van belanghebbende aan de Stichting reeds daarom geen sprake kan zijn. Tot slot merkt het Hof op dat in de jaarstukken van de Stichting in 2018 en 2019 slechts een bedrag van € 1.700 aan activa is opgenomen. Voor zover belanghebbende heeft betoogd dat in 2016, 2017 en/of 2018 giften in natura aan de Stichting zijn verstrekt zou toch mogen worden verwacht dat deze in die jaren ook in de jaarstukken zijn opgenomen. Zonder nadere toelichting die ontbreekt is het immers onwaarschijnlijk dat deze de Stichting alweer hebben verlaten.

Voor zover belanghebbende stelt dat hij recht heeft op aftrek van de (periodieke) giften die hij aan het [naam goed doel] zou hebben gedaan, geldt dat belanghebbende evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat hij deze giften heeft gedaan. Belanghebbende heeft geen notariële of onderhandse akte van schenking overgelegd waaruit blijkt dat hij de verplichting is aangegaan om gedurende vijf of meer jaren jaarlijks uitkeringen of verstrekkingen te doen aan het [naam goed doel] en ook overigens geen andere schriftelijke bescheiden heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij deze giften heeft gedaan.

Het Hof merkt tot slot nog op dat het - in weerwil van hetgeen belanghebbende in dit verband heeft aangevoerd en zonder verifieerbare onderbouwing - niet geloofwaardig acht dat belanghebbende met een gezin met vier kinderen en een bruto gezinsinkomen van € 60.953 (2016), € 75.425 (2017) en € 64.713 (2018) en zonder noemenswaardig vermogen in staat is giften (al dan niet in natura) te doen van in totaal € 155.400 (€ 31.820 (2016), € 64.398 (2017 en € 59.722 (2018)).

Nu belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een periodieke gift of van een andere gift als bedoeld in artikel 6.32 Wet IB 2001, heeft de Inspecteur de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2016, 2017 en 2018 ter zake van de onder r.o. 2.1.1 t/m 2.1.3 vermelde giftenaftrek terecht gecorrigeerd.

Overige standpunten

Voor zover belanghebbende in zijn op 13 mei 2025 ingediende hogerberoepschrift stelt dat de zaaksbehandeling niet voldoet aan het EVRM, heeft belanghebbende deze stelling niet nader onderbouwd. Belanghebbendes grief kan reeds daarom niet slagen.

Voor zover belanghebbende stelt dat de aanslagen niet tijdig zijn opgelegd, is het Hof met de Rechtbank van oordeel dat deze tijdig zijn opgelegd. Het Hof sluit zich aan bij rechtsoverwegingen 33 tot en met 37 van de uitspraak van de Rechtbank en neemt de gronden daartoe over.

Voor zover belanghebbende met zijn verwijzing naar rechtsoverweging 24 van de uitspraak van de Rechtbank stelt dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er sprake was van een maximum bedrag aan periodieke gift, berust die stelling op een onjuiste lezing van die uitspraak. De Rechtbank oordeelt daarin immers niet dat de Nederlandse wet een maximum stelt aan die aftrek.

Belanghebbende heeft in zijn nadere stuk van 23 november 2025 nog gesteld dat geen grond voor naheffing bestaat, omdat geen sprake is van een nieuw feit. Dit standpunt kan reeds niet slagen, omdat geen sprake is van een navorderingsaanslag. Het al dan niet ontbreken van een nieuw feit doet dan niet ter zake.

Slotsom

Het hoger beroep gegrond is ongegrond.

Proceskosten

6. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door T.A. de Hek, Chr.Th.P.M. Zandhuis en P.C. van den Brink, in tegenwoordigheid van de griffier T.S.K.L. Tjon.

De griffier, de voorzitter,

T.S.K.L. Tjon T.A. de Hek

De beslissing is op 8 januari 2026 in het openbaar uitgesproken.

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NDFR Nieuws 2026/733
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand