GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
zaaknummer : 200.371.540/01
rekestnummer rechtbank : FA RK 26-3047
zaaknummer rechtbank : C/09/702244
beschikking van de meervoudige kamer van 10 augustus 2026
inzake
[de moeder] ,
wonende op een bij het hof bekend adres,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. G.J.P.M. Mooren te Tilburg,
tegen
[de vader] ,
wonende op een bij het hof bekend adres,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. H.P. Scheer te Utrecht.
Als belanghebbende is aangemerkt:
[de bijzondere curator] ,
in haar hoedanigheid van bijzondere curator over de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] , Polen en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2021 te [geboorteplaats] , Polen,
hierna te noemen: de bijzondere curator.
1. Het procesverloop in hoger beroep
De moeder is op 10 juli 2026 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank Den Haag van 25 juni 2026, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).
Bij (aangetekende) brief van 14 juli 2026 heeft het hof de moeder bericht dat het ingediende beroepschrift niet voldoet aan de wettelijke vereisten van een beroepschrift, nu het niet is ingediend door tussenkomst van een advocaat. De moeder heeft de gelegenheid gekregen dit verzuim te herstellen uiterlijk op 21 juli 2026. Tevens is in die brief vermeld dat het beroepschrift te laat is ingediend.
Bij mailbericht van 22 juli 2026 heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld om zich voor 29 juli 2026 uit te laten over de in de brief van 14 juli 2026 benoemde termijnoverschrijding.
Bij mailbericht van 28 juli 2026 heeft mr. G.J.P.M. Mooren zich gesteld als advocaat van de moeder, namens de moeder een beroepschrift ingediend en zich uitgelaten over de genoemde termijnoverschrijding.
Bij het hof is verder nog een mailbericht van de zijde van de vader van 24 juli 2026 binnengekomen.
Op 3 augustus 2026 is de ontvankelijk van het hoger beroep mondeling behandeld. Hierbij waren - via een online verbinding - aanwezig:
de moeder, bijgestaan door haar advocaat en [de tolk] , tolk in de Poolse taal;
de advocaat van de vader.
2. De ontvankelijkheid van het hoger beroep
De advocaat van de moeder stelt dat het hoger beroep door de moeder op 8 juli 2026 is verzonden met de post. De moeder mocht ervan uitgaan dat het beroepschrift 9 juli 2026 zou worden bezorgd. In dit kader wijst de moeder op een bericht van PostNL dat de postbezorgingstermijn per 11 juli 2026 naar twee dagen zou gaan en dat er dus op 8 juli 2026 nog een termijn van één dag gold. Het is de moeder verder niet bekend waarom het hof 10 juli 2026 als ontvangstdatum hanteert. Als al sprake zou zijn van 10 juli 2026 als ontvangstdatum is volgens de moeder sprake van verschoonbare termijnoverschrijding. De moeder stelt dat de termijnoverschrijding gering is, afgezet tegen de belangen die in deze zaak spelen. Daarnaast is de moeder pas kort in Nederland, spreekt niet de Nederlandse taal, is niet juridisch geschoold, noch onderleg en had geen advocaat.
De advocaat van de vader stelt dat de moeder niet-ontvankelijk dient te worden verklaard aangezien zij het beroepschrift na het verstrijken van de beroepstermijn heeft ingediend. Het feit dat de postbezorgingsdienst het stuk later heeft bezorgd, komt voor rekening van de moeder. Indien het hof de moeder wel ontvankelijk verklaart, stelt de vader dat de moeder alsnog niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, aangezien het door de advocaat van de moeder op 28 juli 2026 ingediende beroepschrift niet hetzelfde is als het door de moeder zelf op 10 juli 2026 ingediende beroepschrift.
Het hof overweegt als volgt. De bestreden beslissing is een eindbeslissing in een zogenoemde internationale kinderontvoeringszaak. Volgens artikel 13 lid 7 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering moet hoger beroep tegen een dergelijke eindbeslissing worden ingesteld binnen twee weken na de dagtekening van die beslissing. Aangezien de bestreden beschikking is gedagtekend op 25 juni 2026, liep de beroepstermijn af op 9 juli 2026. Het beroepschrift van de moeder is door het hof op 10 juli 2026 ontvangen, dus na het verstrijken van de beroepstermijn.
Tot uitgangspunt dient dat rechtsmiddeltermijnen van openbare orde zijn en door de rechter ambtshalve moeten worden toegepast. Voorts dient tot uitgangspunt dat in het belang van een goede rechtspleging duidelijkheid moet bestaan over het tijdstip waarop een termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel aanvangt en eindigt, en dat aan rechtsmiddeltermijnen strikt de hand moet worden gehouden. Op laatstgenoemd uitgangspunt kan slechts onder bijzondere omstandigheden een uitzondering worden gemaakt, zoals in het geval van zogenoemde apparaatsfouten (HR 21 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:413).
Op grond van wat in artikel 359 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is bepaald, wordt een hoger beroep ingesteld door indiening van een beroepschrift ter griffie van het gerechtshof. Dit kan gebeuren op de manier zoals in de wet en de op de wet gebaseerde regelingen is voorgeschreven. In beginsel moet, mede met het oog op de vereiste rechtszekerheid en hanteerbaarheid van het recht, worden uitgegaan van de juistheid van de datastempels waarmee de griffie van het hof op ingekomen stukken de datum van ontvangst door de griffie van het desbetreffende stuk vermeldt. Op het door de moeder zelf ingediende beroepschrift staat een stempel van de griffie van het hof met: “Ingekomen 10 juli 2026 Gerechtshof”, zodat het hof van die datum van ontvangst uitgaat. Er zijn door de advocaat van de moeder geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht, waaruit zou kunnen blijken dat die datum van ontvangst onjuist is. Daarnaast overweegt het hof dat de datum van binnenkomst van het beroepschrift bij het hof bepalend is voor de tijdigheid van de indiening, niet de datum van terpostbezorging. Vertragingen in de bezorging komen voor rekening en risico van de moeder. De omstandigheid dat op 8 juli 2026 volgens berichtgeving van PostNL nog een bezorgtermijn van één dag gold, maakt dit niet anders nu het een feit van algemene bekendheid is dat PostNL toegezegde bezorgtermijnen niet altijd weet te realiseren. Er is dus geen sprake van bijzondere omstandigheden die de termijnoverschrijding verschoonbaar maken en een uitzondering op de strikte regels inzake rechtsmiddeltermijnen rechtvaardigen. Het hof zal de moeder dan ook niet-ontvankelijk verklaren in haar hoger beroep vanwege de termijnoverschrijding.
3. De beslissing
Het hof:
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.S.F. de Nijs, E.B.J. van Elden en P.M.M. Mostermans, bijgestaan door mr. M.J. Meeusen als griffier, en is op 10 augustus 2026 uitgesproken door A.A.F. Donders in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.