GERECHTSHOF DEN HAAG
Uitspraak van 22 juli 2026
[X] te [Z] , belanghebbende,
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/1104
in het geding tussen:
en
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 16 december 2025, nummer SGR 25/1620.
Procesverloop
Aan belanghebbende is voor het jaar 2021 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.860 (de aanslag).
Belanghebbende heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt bij de Inspecteur. Bij uitspraak op bezwaar is de aanslag gehandhaafd.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep is een griffierecht van € 53 geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 143. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 8 juli 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces verbaal opgemaakt.
Feiten
Belanghebbende heeft op 1 maart 2022 voor het belastingjaar 2021 aangifte IB/PVV gedaan. Daarbij heeft belanghebbende, rekening houdend met het drempelbedrag, € 409 in aanmerking genomen als aftrek voor specifieke zorgkosten en € 1.500 als restant persoonsgebonden aftrek.
Met dagtekening 24 januari 2023 heeft de Inspecteur aan belanghebbende de definitieve aanslag IB/PVV 2021 opgelegd. De Inspecteur is daarbij afgeweken van de door belanghebbende ingediende aangifte en heeft geen rekening gehouden met de door belanghebbende opgegeven specifieke zorgkosten en het restant persoonsgebonden aftrek.
Op 21 februari 2023 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de definitieve aanslag, omdat geen rekening is gehouden met door belanghebbende gemaakte rentekosten. Tijdens het hoorgesprek op 30 augustus 2024 zijn ook de specifieke zorgkosten en het restant persoonsgebonden aftrek ter sprake gekomen.
Na het uitblijven van nadere gegevens van belanghebbende heeft de Inspecteur op 28 januari 2025 het bezwaar ongegrond verklaard.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, overwogen en geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“7. Op grond van artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onderdeel d, van de Wet IB 2001 in combinatie met artikel 6.17 van de Wet IB 2001 komen – voor zover hier van belang – de uitgaven die zijn gedaan voor tandheelkundige hulp voor aftrek in aanmerking. Deze kosten komen enkel voor aftrek in aanmerking, wanneer ze in het betreffende kalenderjaar, in dit geval 2021, op eiser drukten. De bewijslast om dit aannemelijk te maken rust op eiser.
8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aan de op hem rustende bewijslast voldaan. Tot de stukken van het geding behoren enkel de tandartsrekeningen van eiser van 2017, die optellen tot een bedrag van circa € 760. Met deze stukken heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat deze kosten in 2021 op hem hebben gedrukt dan wel dat de aftrekbare specifieke zorgkosten € 409 moeten bedragen. Eiser heeft verklaard zijn best te hebben gedaan betalingsbewijzen op te vragen bij zijn bank en facturen bij de tandartspraktijk, maar dat dit niet gelukt is. De rechtbank heeft hier ook begrip voor. Dat het niet gelukt is, dient evenwel voor rekening en risico van eiser te blijven. Verweerder heeft aldus terecht de specifieke zorgkosten niet voor aftrek in aanmerking genomen.
9. Gesteld noch gebleken is dat de in rekening gebrachte belastingrente tot een onjuist bedrag is vastgesteld, aangezien verweerder deze heeft vastgesteld conform de wettelijke bepalingen.
10. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.“
Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
In geschil is uitsluitend of belanghebbende recht heeft op een aftrek van specifieke zorgkosten (kosten tandarts).
Belanghebbende concludeert – zo begrijpt het Hof – tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar, en tot vermindering van de aanslag.
De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.
Beoordeling van het hoger beroep
Om kosten als uitgaven voor specifieke zorgkosten in aanmerking te kunnen nemen, moet worden voldaan aan de wettelijke vereisten. Zo vereist artikel 6.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) dat uitgaven voor specifieke zorgkosten op belanghebbende hebben gedrukt. Verder kunnen alleen de uitgaven in aanmerking worden genomen die limitatief zijn opgesomd in artikel 6.17 Wet IB 2001 en niet zijn uitgesloten op grond van artikel 6.18 Wet IB 2001 en de daarop gebaseerde Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001, en die ook verder aan alle daarin gestelde wettelijke voorwaarden voldoen. Daarbij geldt dat op belanghebbende de bewijslast rust om aannemelijk te maken dat hij terecht de uitgaven voor specifieke zorgkosten in aftrek heeft gebracht.
Belanghebbende heeft ook in hoger beroep van de door hem gestelde in 2021 door hem betaalde tandartskosten geen bewijsstukken overgelegd, zodat niet is komen vast te staan dat die kosten zijn gemaakt en op hem drukken.
Het vorenoverwogene leidt tot het oordeel dat de Rechtbank op goede gronden een juiste conclusie heeft getrokken. Belanghebbende heeft in hoger beroep niets aangevoerd dat een ander licht op de zaak werpt. Hij heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat hij terecht de uitgaven voor specifieke zorgkosten in aftrek heeft gebracht.
Slotsom
Het hoger beroep is ongegrond.
Proceskosten
6. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Beslissing
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door L.D.M.A. Reijs, P.J.J. Vonk en W. de Wit, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd.
De griffier, de voorzitter,
L. van den Bogerd L.D.M.A. Reijs
De beslissing is op 22 juli 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.