Onderzoek van de zaak
Rolnummer: 22-002469-25
Parketnummer: 10-254957-23
Datum uitspraak: 25 september 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 22 juli 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] (Dominicaanse Republiek) op [geboortedatum 1] 1966,
BRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en oplegging van bijzondere voorwaarden. Voorts is beslist op de vordering van de benadeelde partij, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 11 oktober 2016 tot en met 6 juli 2018 te Hoogvliet Rotterdam, gemeente Rotterdam, met een kind dat hij heeft verzorgd of heeft opgevoed als behorende tot zijn gezin en/of een aan zijn zorg, opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [het slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2003, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [het slachtoffer] , te weten het meermalen, althans eenmaal
- met de vinger(s) wrijven over de vagina en/of de clitoris en/of bij en/of tussen de schaamlippen en/of
- brengen en/of houden van zijn, verdachtes, tong bij en/of tussen de schaamlippen van de vagina en/of
- likken van/aan de borsten en/of van/aan de tepels en/of zuigen aan de borst(en) en/of
- houden van de penis tegen de anus en/of wrijven over de anus en/of
- brengen/houden van de penis in de anus;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 11 oktober 2016 tot en met 6 juli 2018 te Hoogvliet Rotterdam, gemeente Rotterdam, met een kind dat hij heeft verzorgd of heeft opgevoed als behorende tot zijn gezin en/of een aan zijn zorg, opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, [het slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2003, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het (telkens bij die [het slachtoffer] ) meermalen, althans eenmaal
- met de vinger(s) wrijven over de vagina en/of de clitoris en/of
- brengen en/of houden van zijn, verdachtes, vinger(s) en/of tong bij en/of tussen de schaamlippen van de vagina en/of
- likken van/aan de borsten en/of van/aan de tepels en/of zuigen aan de borst(en) en/of
- houden van de penis tegen de anus en/of wrijven over de anus en/of
- brengen en/of houden van zijn, verdachtes penis in de anus;
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, met uitzondering van de opgelegde straf en met aanvulling van gronden. In plaats daarvan heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte zal worden opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en oplegging van bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Vrijspraak
Het hof stelt voorop dat zedenzaken als de onderhavige zich doorgaans laten kenmerken door het gegeven dat bij de ten laste gelegde seksuele handelingen slechts twee personen aanwezig waren, de aangever of aangeefster en de verdachte. Bij een ontkennende verdachte brengt dit in veel gevallen mee dat slechts de verklaringen van de aangever of aangeefster als wettig bewijsmiddel voorhanden zijn. Op grond van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter echter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.
Het hof ziet zich in de onderhavige zaak dan ook voor de vraag gesteld of er voldoende steunbewijs is voor hetgeen de aangeefster heeft verklaard.
[het slachtoffer] (hierna: aangeefster) heeft op 3 maart 2021, na een informatief gesprek zeden, bij de politie aangifte gedaan van ontucht gepleegd door haar stiefvader. Aangeefster heeft verklaard dat de verdachte haar vanaf oktober 2016 gedurende een periode van ongeveer zes maanden seksueel heeft misbruikt. Het misbruik begon vlak voor haar eerste menstruatie, toen zij dertien jaar oud was. De seksuele handelingen bestonden uit het met zijn vingers aanraken en het likken van haar vagina en clitoris en het brengen van zijn penis in haar anus. De aangeefster heeft voorts verklaard dat zij een opname heeft gemaakt van een gesprek met de verdachte waarin zij hem confronteert met het seksueel misbruik.
|Uit de verklaringen van de verdachte tegenover de politie en ter terechtzitting volgt dat hij de tenlastegelegde handelingen telkens stellig ontkend.
In het dossier bevinden zich verder de verklaringen van het vriendje, het buurmeisje en de moeder van de aangeefster. Deze verklaringen houden telkens – kort gezegd – in dat de aangeefster in 2020, dan wel 2021, naar hen toe is gekomen en hen heeft verteld over het seksueel misbruik dat ongeveer vier jaar daarvoor had plaatsgevonden. De verklaringen van het vriendje, het buurmeisje en de moeder dienen op dit punt aangemerkt te worden als een weergave van hetgeen de aangeefster zelf heeft verklaard. Derhalve zijn de getuigenverklaringen voor zover terug te voeren naar dezelfde bron als de aangifte, te weten naar de aangeefster. Voorzover de genoemde getuigen al hebben verklaard over de emotie die zij destijds bij de aangeefster hebben waargenomen toen zij over het seksueel misbruik vertelde, oordeelt het hof dat dit van onvoldoende gewicht is om als doorslaggevend steunbewijs te gebruiken. Hierbij weegt het hof mee dat de getuigen niets hebben verklaard over emoties of gedragsveranderingen bij de aangeefster rond de tenlastegelegde periode, maar dat zij enkel hebben verklaard over emoties die zij jaren later bij haar hebben waargenomen.
Het dossier bevat voorts een proces-verbaal van bevindingen waarin de spraakopname van het gesprek tussen de aangeefster en de verdachte is uitgewerkt.
Uit de uitwerking volgt dat het gesprek 30 minuten duurde en dat de verdachte in het gesprek een aantal keren ‘sorry’ en ‘het spijt me’ zegt. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat hieruit niet kan worden afgeleid dat de verdachte dit zegt vanwege zijn eigen handelen en dat hij hiermee - zo begrijpt het hof het vonnis van de rechtbank - zou erkennen dat hij het gestelde misbruik heeft gepleegd. Uit de uitwerking volgt ten eerste dat de verdachte al aan het begin van het gesprek ontkent dat hij het misbruik heeft gepleegd en dat hij dit daarna tot aan het einde van het gesprek meerdere keren herhaalt. Ook antwoordt de verdachte ontkennend op vragen of hij het zich herinnert en zegt hij dat hij zich dingen niet herinnert door zijn suiker. Verder kan uit de context waarin de verdachte op vragen van de aangeefster een aantal keren ‘sorry’ en ‘het spijt me’ heeft gezegd, niet worden afgeleid dat hij excuses aanbiedt voor zijn eigen handelen. Zo zegt de verdachte nadat aangeefster hem confronteert met het misbruik: “Het spijt me, heel heel erg .... wat is met jou gedaan.” En ook: “Het spijt me, ik zeg sorry als ik zo iets bij jou heb gedaan.” [onderstreping Hof]
En op de vraag van de aangeefster waarom de verdachte ‘sorry’ zegt, antwoordt hij: “Omdat jij zeg dat ik dat heb gedaan.”
Het hof is verder – anders dan de rechtbank - van oordeel dat ook uit de verklaring van de moeder van aangeefster waaruit volgt dat de verdachte tegen haar heeft gezegd “sorry, ik denk dat ik hulp moeten zoeken bij een kerk” niet zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte het misbruik tegenover haar heeft erkend.
Alles afwegend komt het hof tot de conclusie dat onvoldoende steunbewijs voorhanden is, zodat niet wettig en overtuigend bewezen is hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Daarmee komt het hof niet toe aan een beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster.
Vordering tot schadevergoeding [het slachtoffer]
In het onderhavige strafproces heeft [het slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 10.500,00.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 10.000,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.
Nu de verdachte ter zake van het tenlastegelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.
Gelet op het voorgaande dient de benadeelde partij te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Vordering van de benadeelde partij [het slachtoffer]
Verklaart de benadeelde partij [het slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.
Dit arrest is gewezen door mr. B. Stapert, als voorzitter, mr. A.M.H. van der Poort-Schoenmakers en mr. A. de Lange, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 25 september 2026.