ECLI:NL:GHSHE:2016:1865

ECLI:NL:GHSHE:2016:1865, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 12-05-2016, 20-001629-14

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 12-05-2016
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 20-001629-14
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBZWB:2014:5186
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2018:26
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 4 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854

Samenvatting

Verdachte wordt ter zake van medeplegen van (gewoonte)witwassen van in totaal € 2.619.843 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren en 6 maanden. Verwerping verweren met betrekking tot o.a. de geldigheid van de behandeling in eerste aanleg en de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Uitspraak

G.2 Met betrekking tot het hiervoor onder F. 2. gestelde:

G.2.1

Aan het verweer is ten grondslag gelegd – zakelijk weergegeven en op gronden als in de pleitnota verwoord – dat de raadsman door toedoen van [verbalisant 1] de toegang tot verdachte in het Huis van Bewaring is ontzegd.

G.2.2

Uit het dossier blijkt het volgende.

Op 11 januari 2009 is verdachte in verzekering gesteld. Vervolgens heeft de officier van justitie bevolen dat ten aanzien van de verdachte in het belang van het onderzoek beperkende maatregelen golden, welke maatregelen onder meer inhielden dat verdachte:

Op 13 januari 2009 is op last van de rechter-commissaris in opdracht van de voorzitter van de rechtbank mr. P.C. Nieuwenhuizen als raadsman aan verdachte toegevoegd.

Op 9 februari 2009 heeft mr. B.M. Beg verdachte bezocht in het Huis van Bewaring.

Op 12 februari 2009 werd verdachte door de politie gehoord. Tijdens dat verhoor heeft verdachte verklaard dat hij was bezocht door mr. Beg, dat hij geen andere raadsman had gekozen en dat hij nog steeds gebruik maakte van de diensten van mr. Nieuwenhuizen.

Bij faxbericht van 13 februari 2009 heeft mr. Beg zich gesteld als raadsman van verdachte. Dit faxbericht houdt onder meer in dat mr. Beg geen telefonisch contact meer kan krijgen met verdachte en dat mr. Beg vermoedt dat verdachte niet (meer) in de gelegenheid wordt gesteld telefonisch contact met mr. Beg dan wel zijn kantoor op te nemen.

Vervolgens heeft mr. Nieuwenhuizen bij faxbericht van 13 februari 2009 de rechtbank bericht dat verdachte door hem wenst te worden bijgestaan, hetgeen ook blijkt uit een aan het faxbericht gehechte verklaring van verdachte.

De aan verdachte opgelegde beperkende maatregelen zijn met ingang van 17 februari 2009 door de officier van justitie opgeheven.

Bij faxbericht van 22 april 2009 heeft mr. Beg zich (opnieuw) gesteld als raadsman van verdachte. De aan dit faxbericht gehechte brief d.d. 16 april 2009 houdt in dat verdachte aan mr. Nieuwenhuizen te kennen heeft gegeven dat hij wenst dat mr. Beg de zaak overneemt.

Vervolgens is op 23 april 2009 de last tot toevoeging gemuteerd, in die zin dat mr. Beg werd toegevoegd aan verdachte.

G.2.3

Gelet op hetgeen hiervoor onder G.2.2 is weergegeven, kon mr. Beg in elk geval tot 16 april 2009 niet gelden als de toegevoegde of gekozen raadsman van verdachte. Voorts constateert het hof ten aanzien van de periode vanaf 16 april 2009 dat verdachte nimmer heeft verklaard of anderszins te kennen heeft gegeven dat hem niet de gelegenheid is verschaft om zich met zijn toegevoegde of gekozen raadsman in verbinding te stellen, terwijl zulks ook overigens uit het dossier niet blijkt. Het hof komt dan ook tot het oordeel dat aan het verhandelde ter terechtzitting en uit de inhoud van het procesdossier geen enkele aanwijzing is te ontlenen dat een aan de verdachte toegevoegde dan wel een door verdachte gekozen raadsman in die hoedanigheid op enig moment de toegang tot verdachte is ontzegd. Gelet daarop ontbeert het verweer feitelijke grondslag.

G.3 Met betrekking tot het hiervoor onder F. 3. gestelde:

G.3.1

Aan het verweer is ten grondslag gelegd dat:

G.3.2

Uit het dossier blijkt dat de Jamaicaanse politie in augustus en september 2004 in het bijzijn van Nederlandse politieambtenaren contact heeft gehad met [getuige 1] en [getuige 2] . Naar aanleiding van deze contacten is [getuige 1] en [getuige 2] , blijkens hun schriftelijke verklaringen alsmede de verklaringen die zij ten overstaan van de rechter-commissaris hebben afgelegd, verzocht een schriftelijke verklaring op te stellen, aan welk verzoek zij hebben voldaan.

[getuige 3] heeft op verzoek van de Jamaicaanse politie eveneens een schriftelijke verklaring opgesteld.

G.3.3

Nog daargelaten de vraag in hoeverre het hof de rechtmatigheid van onderzoekshandelingen die in Jamaica hebben plaatsgevonden onder verantwoordelijkheid van de Jamaicaanse autoriteiten mag toetsen, is het hof van oordeel dat geen rechtsregel zich ertegen verzet dat een getuige wordt verzocht een schriftelijke verklaring op te stellen. Gelet daarop is geen sprake van het niet naleven van strafprocesrechtelijke geschreven of ongeschreven vormvoorschriften, zodat evenmin sprake is van een vormverzuim. Het bepaalde bij artikel 359a Sv mist derhalve toepassing. De niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging is – ook in dit verband – derhalve niet aan de orde.

G.4 Met betrekking tot het hiervoor onder F. 4. gestelde:

G.4.1

Aan het verweer is ten grondslag gelegd – zakelijk weergegeven – dat:

G.4.2

Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.

Op 11 oktober 2010 is door de rechtbank vonnis gewezen in de onderhavige zaak. De officier van justitie heeft op 22 oktober 2010 hoger beroep ingesteld. Het hof heeft vervolgens uitspraak gedaan meer dan 2 jaar na de datum waarop hoger beroep is ingesteld, namelijk op 16 november 2012, terwijl het hof geen bijzondere omstandigheden aanwezig acht die een periode van deze duur rechtvaardigen. Een en ander brengt met zich mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in deze fase van de procedure is overschreden.

Het hof is van oordeel dat het tijdsverloop in de overige fasen van de procedure niet van dien aard is dat geoordeeld moet worden dat in die fasen de redelijke termijn eveneens is overschreden.

G.4.3

Overschrijding van de redelijke termijn leidt niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Het hierop gebaseerde beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wordt dan ook verworpen.

G.4.4

De overschrijding van de redelijke termijn, te weten minder dan één maand, is dermate gering dat er naar het oordeel van het hof geen aanleiding is om aan dat oordeel enig rechtsgevolg te verbinden. Het zal daarom met deze constatering volstaan.

Bij dit oordeel heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak, de vraag of verdachte al dan niet preventief is gedetineerd en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.

H.

Naar het oordeel van het hof kunnen op grond van het bovenoverwogene de stellingen van de verdediging op zich, noch in samenhang met elkaar bezien, leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging. Evenmin zijn overigens gronden daartoe aannemelijk geworden.

Bijgevolg wordt het beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in al zijn onderdelen verworpen.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring zijn opgenomen in de bijlage bij dit arrest.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

I.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

J.1

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat hij moet worden vrijgesproken van het hem onder 1. ten laste gelegde, aangezien hij niet betrokken was bij de ten laste gelegde money transfers. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat:

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

J.2

Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen zijn in de periode van 13 februari 2003 tot en met 6 juni 2003 vanuit het postkantoor aan de [adres] te Breda door middel van 381 money transfers op naam van [medeverdachte 1] geldbedragen tot een totaalbedrag van € 2.119.843,- verzonden door [medeverdachte 2] . Van deze money transfers zijn op 1 maart 2003 en 31 maart 2003 in totaal 9 money transfers, tot een totaalbedrag van € 23.000,00, verzonden naar Curaçao, alwaar de geldbedragen zijn opgehaald door [getuige 4] , [getuige 5] , [getuige 6] en [getuige 7] . De overige money transfers zijn verzonden naar Jamaica, alwaar de geldbedragen zijn opgehaald.

J.3

Ten aanzien van de naar Curaçao verzonden money transfers heeft [getuige 4] , ex-vriendin van de verdachte en moeder van een kind van verdachte, verklaard dat het geld voor haar bestemd was, dat het afkomstig was van verdachte en dat het bedoeld was als alimentatie voor hun kind. Deze verklaring vindt steun in de overige bewijsmiddelen.

Het hof heeft voorts in het bijzonder acht geslagen op de gang van zaken met betrekking tot de money transfer met MTCN [nummer] . Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen was deze money transfer op 1 maart 2003 verzonden naar de ontvanger [naam] . Daarna is door [getuige 8] , medewerkster van het postkantoor aan de [adres] te Breda, middels een ‘service request’ verzocht de achternaam van de ontvanger te wijzigen in [getuige 4] , aangezien de achternaam onjuist was. [getuige 4] heeft het geld vervolgens op Curaçao opgehaald. [getuige 4] heeft met betrekking tot deze money transfer verklaard dat:

Het hof trekt uit het vorenstaande de conclusie dat verdachte het van hem afkomstige geld door [medeverdachte 2] naar [getuige 4] heeft laten sturen.

J.4

Ten aanzien van de naar Jamaica verzonden money transfers leidt het hof uit de gebezigde bewijsmiddelen het volgende af.

Op 13 februari 2003 zijn door [medeverdachte 2] zeventien money transfers op naam van [medeverdachte 1] verzonden naar Montego Bay in Jamaica, waaronder twee naar [naam] , drie naar [naam] en twee naar [naam] . Voorts heeft [medeverdachte 2] op 19 maart 2003 een money transfer op naam van [medeverdachte 1] verzonden naar [naam] in Montego Bay.

[medeverdachte 3] heeft op 5 februari 2003 twee money transfers verzonden naar Montego Bay te Jamaica, namelijk naar [naam] en [naam] . Tevens heeft zij op 6 februari 2003 een money transfer verzonden naar [naam] te Montego Bay, Jamaica. [medeverdachte 3] heeft hierover verklaard dat:

Voorts heeft zij verklaard dat een Jamaicaan met de [bijnaam] een soort hulp van verdachte op Jamaica was.

Op 20 juni 2003 hebben [getuige 4] , [getuige 6] en [getuige 5] op Curaçao middels money transfers geld ontvangen van [naam] uit Jamaica. Dit geld was bestemd voor [getuige 4] , en evenals het geld dat zij uit Nederland ontving, afkomstig van verdachte. [getuige 4] heeft voorts verklaard dat:

J.5

Uit het voorhanden bewijs kan niet rechtstreeks worden afgeleid dat verdachte betrokken was bij het versturen van de money transfers naar Jamaica. Gelet evenwel op het hiervoor onder J.4 weergegevene alsmede de omstandigheid dat de wijze van verzenden van de money transfers naar Jamaica identiek is aan de wijze van verzenden van de money transfers naar Curaçao trekt het hof de conclusie dat verdachte [medeverdachte 2] niet alleen, zoals hiervoor overwogen, de money transfers naar Curaçao heeft laten versturen, maar hem ook de money transfers naar Jamaica heeft laten versturen. Het hof is dan ook van oordeel dat verdachte alle bewezen verklaarde money transfers heeft laten versturen door [medeverdachte 2] .

J.6

Het hof leidt uit het vorenoverwogene, bezien in onderlinge samenhang met de gebezigde bewijsmiddelen, af dat:

Onder deze omstandigheden kan het niet anders zijn dan dat het verdachte is geweest die [medeverdachte 2] de te vermelden namen van de ontvangers van de money transfers heeft aangeleverd, zulks terwijl hij wist dat:

Verdachte heeft bovendien blijkens de gebezigde bewijsmiddelen aan [getuige 4] doorgegeven op wiens naam de money transfers waren verzonden. Verdachte wist aldus dat de money transfers die hij [medeverdachte 2] liet versturen, werden verzonden op naam van [medeverdachte 1] , zulks terwijl het geld van verdachte afkomstig was.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen de herkomst van de middels de bewezen verklaarde money transfers verzonden geldbedragen heeft verborgen en heeft verhuld wie de rechthebbende was op deze bedragen.

J.7

Het hof verwerpt het tot vrijspraak strekkend verweer van het onder 1. ten laste gelegde.

K.1

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat hij moet worden vrijgesproken van het hem onder 2. ten laste gelegde. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat de enige link tussen verdachte en het bij [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] aangetroffen geld de verklaring van [medeverdachte 3] is, een jaloerse rancuneuze ex-vriendin van verdachte, die aantoonbaar onjuistheden heeft verklaard.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

K.2

Naar het oordeel van het hof zijn geen omstandigheden gesteld of (anderszins) aannemelijk geworden op grond waarvan aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 3] , zoals gebezigd tot het bewijs, zou moeten worden getwijfeld. Voorts zijn deze verklaringen in de kern consistent en vinden zij in voldoende mate steun in de overige bewijsmiddelen.

De stelling van de verdediging dat [medeverdachte 3] een jaloerse rancuneuze ex-vriendin van verdachte zou zijn, kan aan het voorgaande niet afdoen. Het hof bezigt de verklaringen van [medeverdachte 3] dan ook tot het bewijs. Op grond van deze verklaringen, bezien in onderlinge samenhang met de overige bewijsmiddelen, komt het hof tot het oordeel dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen de herkomst en de verplaatsing van het geldbedrag van € 507.000 heeft verborgen en/of verhuld.

Het hof verwerpt het tot vrijspraak strekkende verweer van het onder 2. ten laste gelegde.

L.1

Ten slotte is namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep – op gronden als in de pleitnota verwoord – betoogd dat hij moet worden vrijgesproken van het hem onder 1. en 2. ten laste gelegde, aangezien niet wettig en overtuigend bewezen is dat de geldbedragen onmiddellijk of middellijk afkomstig waren uit enig misdrijf.

Dienaangaande overweegt het hof als volgt.

L.2

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van art. 420bis lid 1 onder a Sr opgenomen bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf” niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf.

Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp “uit enig misdrijf” afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Als uit het dossier feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp.

Indien de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van het voorwerp, dan ligt het op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het voorwerp.

Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

L.3

Met betrekking tot het onder 1. ten laste gelegde stelt het hof ten aanzien van in totaal 381 money transfers vast dat:

Voorts leidt het hof uit de gebezigde bewijsmiddelen af dat gekozen is voor een wijze van versturen van geld die aanmerkelijk duurder is dan het giraal overboeken van deze gelden naar Curaçao en Jamaica. Het hof is uit het verhandelde ter terechtzitting niet gebleken van een legale (economische) verklaring voor het overmaken van grote hoeveelheden contante bedragen middels money transfers.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat het vermoeden gerechtvaardigd is dat de middels de 381 money transfers verzonden geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Van verdachte mag derhalve worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van deze geldbedragen.

L.4

Ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde geldbedrag blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen dat bij de fouillering van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] op Schiphol bleek dat zij beiden twee broeken droegen waarin diverse pakketten met biljetten van € 500 waren verborgen. Bij telling bleek dat [medeverdachte 3] 514 biljetten van € 500 op haar lichaam droeg, terwijl [medeverdachte 4] 500 biljetten van € 500 op zijn lichaam droeg. Dit geldbedrag van € 507.000,- was afkomstig van verdachte en zou op verzoek van verdachte door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] naar Jamaica worden vervoerd.

Gelet op deze feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat het vermoeden gerechtvaardigd is dat het onder [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] aangetroffen geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is. Van verdachte mag derhalve worden verlangd dat hij eveneens een verklaring geeft voor de herkomst van dit geldbedrag.

L.5

Op 24 april 2009 is verdachte tijdens zijn verhoor bij de politie gevraagd naar:

Verdachte heeft zich toen beroepen op zijn zwijgrecht. Ook nadien heeft verdachte geen verklaring afgelegd omtrent de money transfers dan wel het onder [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] aangetroffen geld.

Verdachte heeft verklaard dat hij bij de verdeling van de erfenis van zijn vader meer heeft gekregen dan zijn broers en zussen, maar dat kan bezwaarlijk worden aangemerkt als een verklaring over de herkomst van de middels de 381 money transfers verzonden geldbedragen dan wel de herkomst van het onder [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] aangetroffen geldbedrag.

L.6

Het hof is gelet op het vorenstaande van oordeel dat – nu verdachte geen verklaring heeft gegeven voor de herkomst van voormelde geldbedragen – er geen andere conclusie mogelijk is dan dat het niet anders kan zijn dan dat deze geldbedragen onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat verdachte en zijn mededaders dat ook wisten.

Het hof verwerpt derhalve ook dit tot vrijspraak strekkend verweer.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1. primair en 2. primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij in de periode van 13 februari 2003 tot en met 6 juni 2003, in Nederland, te Curaçao en te Jamaica tezamen en in vereniging met anderen van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders van voorwerpen, te weten geldbedragen tot een totaal van € 2.119.843,-, door middel van 381 stuks money transfers, namelijk

op 13 februari 2003 (17 stuks totaal) € 85.000,- en

op 1 maart 2003 (13 stuks totaal) € 43.000,- en

op 8 maart 2003 (2 stuks totaal) € 10.000,- en

op 12 maart 2003 (10 stuks totaal) € 47.480,- en

op 15 maart 2003 (10 stuks totaal) € 47.500,- en

op 19 maart 2003 (6 stuks totaal) € 28.500,- en

op 27 maart 2003 (21 stuks totaal) 105.000,- en

op 28 maart 2003 (22 stuks totaal) € 110.000,- en

op 29 maart 2003 (16 stuks totaal) € 80.000,- en

op 31 maart 2003 (1 stuks totaal) € 3.000,- en

op 1 april 2003 (19 stuks totaal) € 95.000,- en

op 5 april 2003 (24 stuks totaal) € 120.500,- en

op 15 april 2003 (19 stuks totaal) € 95.000,- en

op 19 april 2003 (38 stuks totaal) € 190.000,- en

op 22 april 2003 (4 stuks totaal) € 22.300,- en

op 29 april 2003 (1 stuks totaal) € 1.850,- en

op 2 mei 2003 (4 stuks totaal) € 24.000,- en

op 16 mei 2003 (14 stuks totaal) € 84.000,- en

op 17 mei 2003 (40 stuks totaal) € 240.000,- en

op 19 mei 2003 (18 stuks totaal) € 116.702,50 en

op 22 mei 2003 (4 stuks totaal) € 23.360,50 en

op 24 mei 2003 (17 stuks totaal) € 118.750,- en op 27 mei 2003 (27 stuks totaal) € 190.000,- en

op 5 juni 2003 (25 stuks totaal) € 175.000,- en

op 6 juni 2003 (9 stuks totaal) € 63.900,-,

de herkomst verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op die geldbedragen was, terwijl hij en zijn mededaders wisten dat bovenomschreven voorwerpen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf;

2.

hij op 9 februari 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, van een voorwerp, te weten een geldbedrag van € 507.000, de herkomst en de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, terwijl hij en zijn mededaders wisten dat bovenomschreven voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1. bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

Het onder 2. bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van witwassen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op het voorgaande niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Bij het bepalen van de duur van deze straf heeft het hof aansluiting gezocht bij de straffen die gebruikelijk door dit gerechtshof in gevallen vergelijkbaar met de onderhavige worden opgelegd. Aan de hand daarvan acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren en 6 maanden in dit geval een passende en geboden reactie.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een straf als opgelegd door de rechtbank en gevorderd door de advocaat-generaal, omdat daarin de ernst van het bewezen verklaarde onvoldoende tot uitdrukking komt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 47, 57, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1. primair en 2. primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren en 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. P.M. Frielink, voorzitter,

mr. F. van Es en mr. J.M.G. Brughuis, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.F.S. ter Heide, griffier,

en op 12 mei 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. J.M.G. Brughuis is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?