23. .Het tweede middelklaagt over de bewezenverklaring van feit 1.
24. Ten laste van verdachte is onder 1 (primair) bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 13 februari 2003 tot en met 6 juni 2003, in Nederland, te Curaçao en te Jamaica tezamen en in vereniging met anderen van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders van voorwerpen, te weten geldbedragen tot een totaal van € 2.119.843,-, door middel van 381 stuks money transfers, namelijk
op 13 februari 2003 (17 stuks totaal) € 85.000,- en
op 1 maart 2003 (13 stuks totaal) € 43.000,- en
op 8 maart 2003 (2 stuks totaal) € 10.000,- en
op 12 maart 2003 (10 stuks totaal) € 47.480,- en
op 15 maart 2003 (10 stuks totaal) € 47.500,- en
op 19 maart 2003 (6 stuks totaal) € 28.500,- en
op 27 maart 2003 (21 stuks totaal) 105.000,- en
op 28 maart 2003 (22 stuks totaal) € 110.000,- en
op 29 maart 2003 (16 stuks totaal) € 80.000,- en
op 31 maart 2003 (1 stuks totaal) € 3.000,- en
op 1 april 2003 (19 stuks totaal) € 95.000,- en
op 5 april 2003 (24 stuks totaal) € 120.500,- en
op 15 april 2003 (19 stuks totaal) € 95.000,- en
op 19 april 2003 (38 stuks totaal) € 190.000,- en
op 22 april 2003 (4 stuks totaal) € 22.300,- en
op 29 april 2003 (1 stuks totaal) € 1.850,- en
op 2 mei 2003 (4 stuks totaal) € 24.000,- en
op 16 mei 2003 (14 stuks totaal) € 84.000,- en
op 17 mei 2003 (40 stuks totaal) € 240.000,- en
op 19 mei 2003 (18 stuks totaal) € 116.702,50 en
op 22 mei 2003 (4 stuks totaal) € 23.360,50 en
op 24 mei 2003 (17 stuks totaal) € 118.750,- en
op 27 mei 2003 (27 stuks totaal) € 190.000,- en
op 5 juni 2003 (25 stuks totaal) € 175.000,- en
op 6 juni 2003 (9 stuks totaal) € 63.900,-,
de herkomst verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op die geldbedragen was, terwijl hij en zijn mededaders wisten dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.”
25. Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsvoering zoals opgenomen in de bijlage bij het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a Sv. Op grond van de daarin opgenomen bewijsmiddelen gaat het hof uit van de hierna geschetste gang van zaken:
“J.2
Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen zijn in de periode van 13 februari 2003 tot en met 6 juni 2003 vanuit het postkantoor aan de Heksenakker 74 t/m 78 te Breda door middel van 381 money transfers op naam van [betrokkene 1] geldbedragen tot een totaalbedrag van € 2.119.843,- verzonden door [betrokkene 2] . Van deze money transfers zijn op 1 maart 2003 en 31 maart 2003 in totaal 9 money transfers, tot een totaalbedrag van € 23.000,00, verzonden naar Curaçao, alwaar de geldbedragen zijn opgehaald door [betrokkene 3] , [betrokkene 4] , [betrokkene 5] en [betrokkene 6] . De overige money transfers zijn verzonden naar Jamaica, alwaar de geldbedragen zijn opgehaald.
J.3
Ten aanzien van de naar Curaçao verzonden money transfers heeft [betrokkene 3] , ex-vriendin van de verdachte en moeder van een kind van verdachte, verklaard dat het geld voor haar bestemd was, dat het afkomstig was van verdachte en dat het bedoeld was als alimentatie voor hun kind. Deze verklaring vindt steun in de overige bewijsmiddelen.
Het hof heeft voorts in het bijzonder acht geslagen op de gang van zaken met betrekking tot de money transfer met MTCN 7699739300. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen was deze money transfer op 1 maart 2003 verzonden naar de ontvanger [betrokkene 4] . Daarna is door [betrokkene 7] , medewerkster van het postkantoor aan de Heksenakker 74 t/m 78 te Breda, middels een ‘service request’ verzocht de achternaam van de ontvanger te wijzigen in [betrokkene 3] , aangezien de achternaam onjuist was. [betrokkene 3] heeft het geld vervolgens op Curaçao opgehaald. [betrokkene 3] heeft met betrekking tot deze money transfer verklaard dat: zij het geld niet kon ophalen, omdat de naam van de begunstigde onjuist was; zij verdachte heeft gebeld en hem heeft gezegd dat zij het geld niet uitbetaald kreeg; verdachte tegen haar heeft gezegd dat hij er voor zou zorgen dat de naam gewijzigd werd; verdachte haar korte tijd later heeft gebeld en haar heeft gezegd dat de naam in [betrokkene 3] was gewijzigd.
Het hof trekt uit het vorenstaande de conclusie dat verdachte het van hem afkomstige geld door [betrokkene 2] naar [betrokkene 3] heeft laten sturen.
J.4
Ten aanzien van de naar Jamaica verzonden money transfers leidt het hof uit de gebezigde bewijsmiddelen het volgende af.
Op 13 februari 2003 zijn door [betrokkene 2] zeventien money transfers op naam van [betrokkene 1] verzonden naar Montego Bay in Jamaica, waaronder twee naar [betrokkene 8] , drie naar [betrokkene 9] en twee naar [betrokkene 10] . Voorts heeft [betrokkene 2] op 19 maart 2003 een money transfer op naam van [betrokkene 1] verzonden naar [betrokkene 8] in Montego Bay.
[betrokkene 11] heeft op 5 februari 2003 twee money transfers verzonden naar Montego Bay te Jamaica, namelijk naar [betrokkene 8] en [betrokkene 10] . Tevens heeft zij op 6 februari 2003 een money transfer verzonden naar [betrokkene 9] te Montego Bay, Jamaica. [betrokkene 11] heeft hierover verklaard dat:
- het verstuurde geld van verdachte was;
- het verstuurde geld bestemd was voor verdachte;
- verdachte haar zei hoeveel geld zij over moest maken en op wiens naam;
- zij de namen van [betrokkene 8] , [betrokkene 9] en Gray van verdachte kreeg.
Voorts heeft zij verklaard dat een Jamaicaan met de bijnaam [betrokkene 8] of [betrokkene 8] een soort hulp van verdachte op Jamaica was.
Op 20 juni 2003 hebben [betrokkene 3] , [betrokkene 5] en [betrokkene 4] op Curaçao middels money transfers geld ontvangen van [betrokkene 8] uit Jamaica. Dit geld was bestemd voor [betrokkene 3] , en evenals het geld dat zij uit Nederland ontving, afkomstig van verdachte. [betrokkene 3] heeft voorts verklaard dat:
- zij op verzoek van verdachte geld vanaf Curaçao heeft verstuurd naar Jamaica, welk geld afkomstig was van en bestemd was voor verdachte;
- zij de namen van de personen naar wie zij het geld moest sturen, kreeg van verdachte;
- zij geld van verdachte had gekregen op naam van [betrokkene 8] en [betrokkene 9] ;
- [betrokkene 8] , bijnaam [...] , een loopjongen van verdachte is;
- [betrokkene 9] een vriend van [betrokkene 8] is.
J.5
Uit het voorhanden bewijs kan niet rechtstreeks worden afgeleid dat verdachte betrokken was bij het versturen van de money transfers naar Jamaica. Gelet evenwel op het hiervoor onder J.4 weergegevene alsmede de omstandigheid dat de wijze van verzenden van de money transfers naar Jamaica identiek is aan de wijze van verzenden van de money transfers naar Curaçao trekt het hof de conclusie dat verdachte [betrokkene 2] niet alleen, zoals hiervoor overwogen, de money transfers naar Curaçao heeft laten versturen, maar hem ook de money transfers naar Jamaica heeft laten versturen. Het hof is dan ook van oordeel dat verdachte alle bewezen verklaarde money transfers heeft laten versturen door [betrokkene 2] .
J.6
Het hof leidt uit het vorenoverwogene, bezien in onderlinge samenhang met de gebezigde bewijsmiddelen, af dat:
verdachte [betrokkene 2] de money transfers heeft laten versturen;
het verzonden geld afkomstig was van verdachte;
het naar Jamaica verzonden geld bestemd was voor verdachte.
Onder deze omstandigheden kan het niet anders zijn dan dat het verdachte is geweest die [betrokkene 2] de te vermelden namen van de ontvangers van de money transfers heeft aangeleverd, zulks terwijl hij wist dat:
de naar Jamaica verzonden geldbedragen voor hemzelf bestemd waren; de naar Curaçao verzonden geldbedragen voor [betrokkene 3] bestemd waren, terwijl een deel van de naar haar verzonden geldbedragen in werkelijkheid zijn verzonden naar [betrokkene 5] , [betrokkene 6] en [betrokkene 4] , welke namen [betrokkene 3] aan verdachte heeft opgegeven.
Verdachte heeft bovendien blijkens de gebezigde bewijsmiddelen aan [betrokkene 3] doorgegeven op wiens naam de money transfers waren verzonden. Verdachte wist aldus dat de money transfers die hij [betrokkene 2] liet versturen, werden verzonden op naam van [betrokkene 1] , zulks terwijl het geld van verdachte afkomstig was.
Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen de herkomst van de middels de bewezen verklaarde money transfers verzonden geldbedragen heeft verborgen en heeft verhuld wie de rechthebbende was op deze bedragen.
J.7
Het hof verwerpt het tot vrijspraak strekkend verweer van het onder 1. ten laste gelegde.”
26. Het middel richt zich niet tegen de bewezenverklaarde money transfers van Nederland naar Curaçao, maar enkel tegen de bewezenverklaarde money transfers van Nederland naar Jamaica. Uit de bewijsmiddelen zou niet kunnen worden opgemaakt dat verdachte een rol heeft gespeeld bij laatstgenoemde money transfers. Het middel richt zich in het bijzonder tegen de overweging van het hof ‘dat de wijze van verzenden van de money transfers naar Jamaica identiek is aan de wijze van verzenden van de money transfers naar Curaçao’ (hiervoor onder 15, overweging J.5) en voert daartoe aan dat aan money transfers op zichzelf geen onderscheidend kenmerk valt toe te kennen. Uit de omstandigheid dat de verzender van de money transfers steeds dezelfde persoon was en steeds dezelfde naam gebruikte kan niet meer worden opgemaakt dan dat [betrokkene 2] (en dus niet verdachte) bij zowel de money transfers naar Curaçao als bij die naar Jamaica een rol heeft gespeeld.
27. Uit de door het hof gebezigde bewijsconstructie kan het volgende worden opgemaakt. In de periode van 13 februari 2003 tot en met 6 juni 2003 zijn er vanuit het postkantoor aan de Heksenakker 74 t/m 78 te Breda money transfers verricht door [betrokkene 2] naar Curaçao en Jamaica (bewijsmiddelen 3 t/m 6). De money transfers werden door [betrokkene 2] op naam gezet van [betrokkene 1] (bewijsmiddelen 4 en 5). [betrokkene 1] verklaart echter dat hij de money transfers niet heeft verricht en dat het geld niet van hem afkomstig is (bewijsmiddelen 9 en 10). Uit de verklaringen van [betrokkene 2] kan weliswaar worden opgemaakt dat hij de money transfers niet voor zichzelf verrichte, maar hij verklaart niet voor wie hij dat deed (bewijsmiddelen 3 t/m 6). Over de money transfers van Nederland naar Curaçao heeft [betrokkene 3] , de ex-vriendin van verdachte en moeder van een kind van verdachte, verklaard dat het geld voor haar bestemd was en dat dit afkomstig was van verdachte (bewijsmiddel 11). Daarnaast verklaart [betrokkene 3] dat zij [betrokkene 4] , [betrokkene 6] en [betrokkene 5] heeft gevraagd geld afkomstig van verdachte voor haar op te halen waarna zij deze namen doorgaf aan verdachte (bewijsmiddel 11). Door [betrokkene 4] , [betrokkene 6] en [betrokkene 5] wordt dit bevestigd (bewijsmiddelen 13 t/m 16). [betrokkene 3] verklaart dat verdachte zowel vanuit Nederland als vanuit Jamaica geldbedragen naar haar verstuurde door middel van money transfers (bewijsmiddelen 11 en 12). Ook heeft zij zelf money transfers verstuurd van Curaçao naar Jamaica, die bestemd waren voor verdachte (bewijsmiddel 11).
28. Een deel van de money transfers van Nederland naar Jamaica werden eveneens verricht door [betrokkene 2] en op naam van [betrokkene 1] (bewijsmiddelen 4 t/m 6 en 27). Daarnaast werden door [betrokkene 11] money transfers verricht van Nederland naar Jamaica (bewijsmiddelen 25 en 27). [betrokkene 11] verklaart hierover dat het geld afkomstig was van verdachte en bestemd was voor verdachte. Het geld werd door een vriend van verdachte naar [betrokkene 11] gebracht waarna zij het verzond naar de personen waarvan zij telefonisch de namen doorkreeg van verdachte (bewijsmiddel 25).
29. Er is dus wel meer aan de hand dan - zoals de steller van het middel betoogt - enkel een naam die overeenkomt, op basis waarvan het hof tot een veroordeling van witwassen voor wat betreft de money transfers naar Jamaica is gekomen. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de money transfers van Nederland naar Jamaica (voor een gedeelte) werden verricht door dezelfde persoon ( [betrokkene 2] ) en op dezelfde naam ( [betrokkene 1] ) als de money transfers van Nederland naar Curaçao. Voor wat betreft de money transfers van Nederland naar Jamaica die op naam van [betrokkene 11] werden verricht (bewijsmiddel 17), heeft [betrokkene 11] verklaard dat de daarmee gemoeide geldbedragen zowel van verdachte afkomstig als voor hem bestemd waren. Voorts geldt dat [betrokkene 11] en [betrokkene 2] money transfers hebben gestuurd naar dezelfde personen in Jamaica. Vervolgens zijn op naam van één van deze personen, te weten [betrokkene 8] , money transfers verricht van Jamaica naar Curaçao, waarvan [betrokkene 3] wederom verklaart dat het geld voor haar bestemd was en afkomstig was van verdachte (bewijsmiddel 11), terwijl de namen van de personen naar wie de money transfers werden verstuurd overeenkomen met de namen van de money transfers die vanuit Nederland naar Curaçao werden verstuurd (bewijsmiddel 17).
30. Gelet op het voorgaande heeft het hof uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen door middel van money transfers van zowel Nederland naar Curaçao als Nederland naar Jamaica en is dat oordeel gelet op hetgeen het hof hieromtrent heeft overwogen toereikend gemotiveerd.
31. Het tweede middelfaalt eveneens.
32. Het derde middel behelst de klacht dat het hof bij zijn beoordeling of een inbreuk is gemaakt op het recht van de verdachte op behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd.
33. Ten aanzien van de overschrijding van de redelijke termijn heeft het hof het volgende overwogen:
“G.4.2
Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.
Op 11 oktober 2010 is door de rechtbank vonnis gewezen in de onderhavige zaak. De officier van justitie heeft op 22 oktober 2010 hoger beroep ingesteld. Het hof heeft vervolgens uitspraak gedaan meer dan 2 jaar na de datum waarop hoger beroep is ingesteld, namelijk op 16 november 2012, terwijl het hof geen bijzondere omstandigheden aanwezig acht die een periode van deze duur rechtvaardigen. Een en ander brengt met zich mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in deze fase van de procedure is overschreden.
Het hof is van oordeel dat het tijdsverloop in de overige fasen van de procedure niet van dien aard is dat geoordeeld moet worden dat in die fasen de redelijke termijn eveneens is overschreden.
G.4.3
Overschrijding van de redelijke termijn leidt niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Het hierop gebaseerde beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wordt dan ook verworpen.
G.4.4
De overschrijding van de redelijke termijn, te weten minder dan één maand, is dermate gering dat er naar het oordeel van het hof geen aanleiding is om aan dat oordeel enig rechtsgevolg te verbinden. Het zal daarom met deze constatering volstaan.
Bij dit oordeel heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak, de vraag of verdachte al dan niet preventief is gedetineerd en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.”
34. Uit de stukken die aan de Hoge Raad zijn toegezonden blijkt het volgende procesverloop in eerste aanleg en hoger beroep:
(i) Verdachte is nadat zijn woning in de Dominicaanse Republiek op 8 januari 2009 is doorzocht en hij op 10 januari 2009 was overgedragen aan de Nederlandse autoriteiten op 11 januari 2009 in Nederland aangehouden en in verzekering gesteld.
(ii) De inleidende dagvaarding is op 12 maart 2009 aan de verdachte uitgereikt.
(iii) Op 2 april 2009 heeft een eerste zitting plaatsgevonden bij de rechtbank, waarna de zaak is verwezen naar de rechter-commissaris voor het horen van een viertal getuigen op verzoek van de verdediging. Vervolgens hebben er op 23 juni 2009, 16 september 2009, 8 november 2009 en op 3 maart 2010 (regie/pro forma) zittingen plaatsgevonden bij de rechtbank waarbij het onderzoek ter terechtzitting telkens is geschorst en de zaak naar de rechter-commissaris is verwezen voor het horen van getuigen.
(iv) Op 27 en 28 september 2010 heeft de inhoudelijke behandeling van de strafzaak plaatsgevonden bij de rechtbank.
(v) Op 11 oktober 2010 heeft de rechtbank uitspraak gedaan, waarbij het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is verklaard in de vervolging.
(vi) Het openbaar ministerie heeft op 22 oktober 2010 hoger beroep ingesteld.
(vii) Op 2 november 2012 heeft de behandeling van de strafzaak plaatsgevonden bij het hof.
(viii) Het hof heeft op 16 november 2012 arrest gewezen strekkende tot vernietiging van het vonnis terugwijzing van de zaak naar de rechtbank.
(ix) Op 2 april 2014, 7 mei 2014 en 20 augustus 2014 heeft de (inhoudelijke) behandeling van de strafzaak plaatsgevonden bij de rechtbank.
(x) Op 21 mei 2014 heeft rechtbank uitspraak gedaan, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar en zes maanden.
(xi) De verdachte heeft op 28 mei 2014 hoger beroep ingesteld.
(xii) Op 11 december 2014 heeft een eerste zitting plaatsgevonden bij het hof. Vervolgens wordt het onderzoek ter terechtzitting op 19 maart 2015 opnieuw aangevangen, waarbij de door de advocaat-generaal gevorderde wijzigingen van de tenlastelegging worden toegewezen en de behandeling van de zaak op verzoek van de raadsman van verdachte wordt aangehouden.
(xiii) Op 29 oktober 2015 stond de inhoudelijke behandeling van de zaak gepland, maar is het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst wegens ziekte van de raadsman van verdachte. Vervolgens stond 19 januari 2016 de inhoudelijke behandeling van de zaak gepland, maar is het onderzoek wederom geschorst wegens ziekte van de raadsman van verdachte,
(xiv) Op 14 en 28 april 2016 heeft de inhoudelijke behandeling van de strafzaak plaatsgevonden bij het hof.
(xv) Op 12 mei 2016 heeft het hof het bestreden arrest gewezen.
35. In de hiervoor weergegeven overwegingen heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat de redelijke termijn in de (eerste) appelfase is overschreden met minder dan één maand. Daarbij heeft het hof terecht als startpunt van de redelijke termijn voor de procedure in hoger beroep de datum van het instellen van hoger beroep (22 oktober 2010) genomen. Het hof heeft de datum van het instellen van hoger beroep dus niet gebruikt als startpunt van de redelijke termijn in de strafzaak in eerste aanleg en/of voor de procedure als geheel, waarvoor als maatstaf geldt het moment dat jegens verdachte een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald feit een strafvervolging zal worden ingesteld. Voor zover het middel daarover klaagt, berust het dus op een onjuiste lezing van het bestreden arrest.
36. Voorts klaagt het middel dat het oordeel van het hof dat de overschrijding van de redelijke termijn in de appelfase dermate gering is dat het geen aanleiding ziet om daaraan enig rechtsgevolg te verbinden en het daarom zal volstaan met de constatering daarvan, onbegrijpelijk is omdat uit het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad volgt dat bij een overschrijding van de redelijke termijn met zes maanden of minder het onvoorwaardelijke gedeelte van de gevangenisstraf met 5% wordt verminderd. De steller van het middel miskent dat het de rechter vrijstaat om - na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden, waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn - te volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM. Gelet op de geringe ernst van de overschrijding (minder dan één maand) is het oordeel van het hof dat het volstaat met de constatering daarvan niet onbegrijpelijk en behoefde dit oordeel geen nadere motivering.
37. Voor zover het middel tot slot poogt te klagen dat het hof ten onrechte geen schending van de redelijke termijn heeft aangenomen voor wat betreft de totale duur van het strafproces in feitelijke instantie, faalt het middel evenzeer. Allereerst geldt hier dat die stelling door de verdediging in feitelijke aanleg niet is betrokken, zodat er voor het hof geen enkele aanleiding bestond om aan de volledige duur van het procesverloop enige bijzondere aandacht te besteden. Overigens lijkt mij in de beoordeling door het hof besloten te liggen dat er gelet op de volledige duur van de procedure ook geen aanleiding bestond te concluderen tot overschrijding van de redelijke termijn. Dat oordeel is in het licht van het hierboven geschetste procesverloop niet onbegrijpelijk.
38. Het derde middelfaalt eveneens.
39. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
40. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
41. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG