Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 23 april 2015 in de strafzaak met parketnummer
04-650063-06 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] [in het jaar] 1974,
thans verblijvende in Huis van Bewaring Roermond te Roermond.
Hoger beroep
Bij vonnis, waarvan beroep, heeft de rechtbank verdachte ter zake van feit 1 (het medeplegen van moord op [slachtoffer 1] op 11 mei 2006), feit 2 (het medeplegen van moord op [slachtoffer 2] op 11 mei 2006) en feit 3 (het medeplegen van het verbergen en wegmaken van de lijken van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in de periode van 11 mei 2006 tot en met 6 mei 2014), veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 jaren, met aftrek van voorarrest. Tevens heeft de rechtbank de vorderingen van de benadeelde partijen geheel toegewezen.
De rechtbank heeft ter zake feit 4 (het telen van hennep in de periode van 1 januari 2006 tot en met 11 mei 2006) het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de strafvervolging verklaard wegens verjaring van het recht tot strafvordering.
De verdachte heeft tegen voormeld vonnis onbeperkt hoger beroep ingesteld.
Nu de verdachte geen bezwaren heeft ingediend tegen de beslissing van de rechtbank met betrekking tot feit 4 en de advocaat-generaal heeft meegedeeld geen bezwaren te hebben tegen die beslissing, zal het hof het hoger beroep van de verdachte met betrekking tot feit 4 niet-ontvankelijk verklaren op de voet van art. 416 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 1 en 6 februari 2017.
Het onderzoek is gesloten op 27 februari 2017. Op dezelfde dag is dit arrest in het openbaar uitgesproken.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens verdachte naar voren is gebracht. Voorts heeft het hof kennis genomen van hetgeen door de advocaat van de benadeelde partijen naar voren is gebracht, alsmede van hetgeen in het kader van het spreekrecht door een tweetal nabestaanden naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende bewezen zal verklaren hetgeen aan verdachte onder feit 1 primair, feit 2 primair en feit 3 is ten laste gelegd en verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 25 jaren, met aftrek van voorarrest. Met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het hof deze geheel zal toewijzen, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft:
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging ter zake van feit 3
De tenlastelegging is toegesneden op art. 151 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en houdt in het ‘verbergen en/of wegvoeren en/of wegmaken en/of vernietigen’ van de lijken van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat het recht tot strafvordering met betrekking tot het ten laste gelegde, voor zover inhoudende het wegvoeren en vernietigen van de lijken van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , is verjaard. Anders dan de rechtbank, is het hof van oordeel dat dit tevens geldt voor het wegmaken van de lijken van voornoemde slachtoffers.
Het hof overweegt daartoe als volgt.
Op overtreding van art. 151 Sr staat een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren.
Het recht tot strafvordering vervalt door verjaring in zes jaren voor de misdrijven waarop gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld (art. 70 lid 1, onder 2, Sr).
Deze verjaringstermijn vangt aan op de dag na die waarop het feit is gepleegd (art. 71 Sr).
De begrippen ‘wegvoeren’, ‘wegmaken’ en ‘vernietigen’ als bedoeld in art. 151 Sr zijn naar hun taalkundige betekenis en strekking aflopend van aard. Het feit is gepleegd zodra het lijk is weggevoerd, weggemaakt of vernietigd. Dat is in dit geval geweest op 11 mei 2006.
Dit geldt niet voor het begrip ‘verbergen’. Dit begrip behelst naar zijn aard en gelet op de strekking van art. 151 Sr tevens het ‘verborgen houden’. Dit is dus een zogenaamd voortdurend delict, dat pas afloopt zodra het lijk niet meer verborgen wordt gehouden. In dit geval is dat het moment waarop verdachte [verdachte] tegen de politie heeft verteld waar de stoffelijke overschotten van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] waren begraven (18 april 2014), dan wel het moment waarop de stoffelijke overschotten zijn aangetroffen door de politie (6 mei 2014).
Dit heeft tot gevolg dat het recht tot strafvordering met betrekking tot feit 3, voor zover inhoudende het wegvoeren, wegmaken en vernietigen van de lijken, is verjaard zes jaren na 11 mei 2006, derhalve op 12 mei 2012. Van een handeling vanwege het openbaar ministerie waardoor deze verjaring zou zijn gestuit, is niet gebleken.
Voor zover is ten laste gelegd het verbergen van de lijken, is het recht tot strafvordering niet verjaard en is het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis, voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging – en aldus de grondslag van het onderzoek – is gewijzigd.
Tenlastelegging
Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep én voor zover nog aan de orde – ten laste gelegd dat:
1. hij op of omstreeks 11 mei 2006 in de gemeente Venray tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade
[slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen een of meer kogel(s) in het lichaam van die [slachtoffer 1] geschoten en/of zodanig geweld tegen die [slachtoffer 1] toegepast, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;
subsidiair, althans, indien ter zake van het vorenstaande onder 1 geen veroordeling zou volgen:
hij op of omstreeks 11 mei 2006 in de gemeente Venray tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet met een vuurwapen een of meer kogel(s) in het lichaam van die [slachtoffer 1] geschoten en/of zodanig geweld tegen die [slachtoffer 1] toegepast, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;
meer subsidiair, althans, indien ter zake van het vorenstaande onder 1 geen veroordeling zou volgen:
[medeverdachte] op of omstreeks 11 mei 2006 in de gemeente Venray opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft [medeverdachte] met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen een of meer kogel(s) in het lichaam van die [slachtoffer 1] geschoten en/of zodanig geweld tegen die [slachtoffer 1] toegepast, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden
tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 11 mei 2006 in de gemeente Venray, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door
die [medeverdachte] in kennis te stellen dat er onraad was in zijn hennepkwekerij en/of
in afwachting van die [medeverdachte] bij de hennepkwekerij op de uitkijk te staan en/of
die [medeverdachte] toegang tot de hennepkwekerij te verschaffen en/of
eventuele vluchtmogelijkheden van voornoemde [slachtoffer 1] te belemmeren;
meest subsidiair, althans, indien ter zake van het vorenstaande onder 1 geen veroordeling zou volgen:
[medeverdachte] op of omstreeks 11 mei 2006 in de gemeente Venray opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft [medeverdachte] met dat opzet met een vuurwapen een of meer kogel(s) in het lichaam van die [slachtoffer 1] geschoten en/of zodanig geweld tegen die [slachtoffer 1] toegepast, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden
tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 11 mei 2006 in de gemeente Venray, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door
- die [medeverdachte] in kennis te stellen dat er onraad was in zijn hennepkwekerij en/of
- in afwachting van die [medeverdachte] bij de hennepkwekerij op de uitkijk te staan en/of
- die [medeverdachte] toegang tot de hennepkwekerij te verschaffen en/of
- eventuele vluchtmogelijkheden van voornoemde [slachtoffer 1] te belemmeren;
2. hij op of omstreeks 11 mei 2006 in de gemeente Venray tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen een of meer kogel(s) in het lichaam van die [slachtoffer 2] geschoten en/of zodanig geweld tegen die [slachtoffer 2] toegepast, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden;
subsidiair, althans, indien ter zake van het vorenstaande onder 2 geen veroordeling zou volgen:
hij op of omstreeks 11 mei 2006 in de gemeente Venray tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet met een vuurwapen een of meer kogel(s) in het lichaam van die [slachtoffer 2] geschoten en/of zodanig geweld tegen die [slachtoffer 2] toegepast, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden;
meer subsidiair, althans, indien ter zake van het vorenstaande onder 2 geen veroordeling zou volgen:
[medeverdachte] op of omstreeks 11 mei 2006 in de gemeente Venray opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers heeft [medeverdachte] met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen een of meer kogel(s) in het lichaam van die [slachtoffer 2] geschoten en/of zodanig geweld tegen die [slachtoffer 2] toegepast, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden
tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 11 mei 2006 in de gemeente Venray, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door
- die [medeverdachte] in kennis te stellen dat er onraad was in zijn hennepkwekerij en/of
- in afwachting van die [medeverdachte] bij de hennepkwekerij op de uitkijk te staan en/of
- die [medeverdachte] toegang tot de hennepkwekerij te verschaffen en/of
- eventuele vluchtmogelijkheden van voornoemde [slachtoffer 2] te belemmeren;
meest subsidiair, althans, indien ter zake van het vorenstaande onder 2 geen veroordeling zou volgen:
[medeverdachte] op of omstreeks 11 mei 2006 in de gemeente Venray opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers heeft [medeverdachte] met dat opzet met een vuurwapen een of meer kogel(s) in het lichaam van die [slachtoffer 2] geschoten en/of zodanig geweld tegen die [slachtoffer 2] toegepast, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden
tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 11 mei 2006 in de gemeente Venray, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door
- die [medeverdachte] in kennis te stellen dat er onraad was in zijn hennepkwekerij en/of
- in afwachting van die [medeverdachte] bij de hennepkwekerij op de uitkijk te staan en/of
- die [medeverdachte] toegang tot de hennepkwekerij te verschaffen en/of
- eventuele vluchtmogelijkheden van voornoemde [slachtoffer 2] te belemmeren;
3. hij in of omstreeks de periode van 11 mei 2006 tot en met 18 april 2014 in de gemeente Venray, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (een) lijk(en), te weten het stoffelijk overschot van (een) overledene(n) in leven genaamd [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] heeft verborgen met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden te verhelen door de/het stoffelijk(e) overschot(ten) van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] , vanuit een pand gelegen aan de Patersstraat (no 9), te laten verdwijnen.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. Voorts heeft het hof ten aanzien van het laatste gedachtestreepje van zowel het onder 2 meer subsidiair ten laste gelegde als het onder 2 meest subsidiair ten laste gelegde de naam
[slachtoffer 1] verbeterd gelezen als [slachtoffer 2] , gelet op de overige inhoud van de tenlastelegging. De verdachte is hierdoor niet geschaad in de verdediging.
Feiten en omstandigheden
Op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.
In algemene zin merkt het hof op dat aan de ontkennende verklaringen van medeverdachte [medeverdachte] – verder te noemen [medeverdachte] – geen geloof wordt gehecht, nu deze in strijd zijn met de verklaringen van verdachte [verdachte] – verder te noemen [verdachte] – en de verklaring en aantekeningen van de getuige [getuige 1] , die enige tijd tegelijk met [medeverdachte] gedetineerd heeft gezeten in een Duitse gevangenis en toen van [medeverdachte] zelf één en ander te horen heeft gekregen. De verklaringen van [verdachte] daarentegen worden geloofwaardig geacht – behoudens zijn verklaringen met betrekking tot het schietincident zelf – nu zij op zeer veel punten gesteund worden door objectief bewijsmateriaal.
34. De verklaring van [verdachte] in het verhoor van 14 mei 2014 houdt onder meer in:- één van de twee jongens wilde, op het moment dat hij ons zag, gaan bellen; wij hebben toen gezegd dat hij niet moest bellen; dit was niet de jongen die gewond was aan zijn arm maar de andere jongen (p. 7434);- ik herinner mij nu dat, toen ik daar voor de eerste keer was en [medeverdachte] nog niet, ik steentjes tegen de luiken (het buitenluik; hof) heb gegooid. Ik wilde laten merken dat ze ontdekt waren en dat ze wegwaren voordat [medeverdachte] kwam; toen schoot mij te binnen dat er mogelijk mensen naar buiten zouden komen en ik daar met lege handen zou staan (p. 7436);- [medeverdachte] is achter (buiten) gaan staan. Ik neem aan dat ik van hem de opdracht heb gekregen om het luik naar de bovenverdieping (het binnenluik; hof) te openen; ik maakte daarbij geluid en hoopte dat zij zouden horen dat er iemand was (p. 7436);- vraag: wat wilde je hiermee bereiken?antwoord: ik weet het niet, er is altijd gezegd dat de jongens klappen zouden krijgen (p. 7437);- volgens mij had ik het pistool dat [medeverdachte] mij gegeven had in mijn handen toen wij de voordeur hebben opengemaakt, maar had ik het niet meer in mijn handen toen ik het luik naar boven geopend heb (p. 7437).
34. De verklaring van [verdachte] in het verhoor van 21 mei 2014 houdt onder meer in:- vraag: waar werden de jongens geraakt?antwoord: een jongen werd één keer geraakt en de andere twee keer; voor mijn gevoel werd de jongen die al gewond was één keer geraakt (p. 7449);- het gevoel dat die jongens direct dood waren komt meer door de plaats waar ze geraakt waren door de kogels, maar als jullie vragen waar die jongens geraakt werden moet ik zeggen dat ik dat niet weet, ik denk door die blokkade (p. 7449);- vraag: kun je aangeven hoe [medeverdachte] het wapen vast had?antwoord: beneden had hij iets uitgeklapt of uitgeschoven dat hij tegen zijn schouder zette. Van boven heb ik hetzelfde beeld. Hieruit bleek meteen de geoefendheid van [medeverdachte] in de omgang met vuurwapens (p. 1450);- vraag: wat weet je van [medeverdachte] in relatie tot vuurwapens?antwoord: in principe dat hij de sport een behoorlijke tijd beoefend heeft. Dit was [medeverdachte] zijn sport en hij heeft hierin ook aan wedstrijden deel genomen (p. 7450).
34. De verklaring van [verdachte] in het verhoor van 22 mei 2014 houdt onder meer in:- voorop het vuurwapen van [medeverdachte] zat een demper (p. 7462); - vraag: op het moment van het schieten, wat deden de jongens, keken ze jullie aan of wendden ze zich af?antwoord: ik heb de hele tijd het idee gehad dat er tenminste één naar ons keek en frontaal naar ons toestond. Dit was de jongen die wilde bellen. Die gewonde jongen stond gericht op de andere jongen; toen wij de jongen met de telefoon toeriepen haalde hij de telefoon weg bij zijn oor en deed hier nog een handeling mee (p. 7463).
34. Ter terechtzitting in hoger beroep (1 februari 2017) heeft verdachte verklaard:- ik was iets voor 4.00 uur in Venray en ik had mijn auto geparkeerd op de Julianasingel. Ik ben toen de Poststraat ingelopen, dat is het steegje achter de loods, om te kijken wat er aan de hand was. Ik zag dat de luiken opengebroken waren en ik dacht stemmen te horen. Ik heb geprobeerd om met stenen te gooien naar het luik, om zo te laten merken dat ze ontdekt waren. Ik dacht door stenen te gooien laat ik merken dat ik er ben. Ik wist niet hoeveel mensen er binnen waren en ik bedacht mij, dat als zij naar buiten zouden komen, ik maar alleen was en met lege handen zou staan. Dus ik ben weggelopen, de Poststraat in. Ondertussen heb ik contact gehad met de medeverdachte en heb ik mij verstopt tussen een aantal geparkeerde auto’s; - omdat zij de hennepkwekerij ripten, hadden zij wellicht ook wapens mee;- toen heb ik toch het wapen aangepakt. [medeverdachte] heeft overredingskracht, hij accepteert geen nee;- ik denk dat de medeverdachte gezegd heeft dat zij ook gewapend zouden kunnen zijn;- in de loods in Tegelen hebben we niet echt gesproken. Ik geloof dat ik [medeverdachte] daar nog heb gevraagd waarom die jongens dood moesten. (…) Hij maakte mij duidelijk dat ik in hetzelfde schuitje zat en dat ik er met niemand over mocht praten. Ik moest naar hem luisteren en doen wat hij zei, dan zou ik geen problemen met hem krijgen. Op zijn manier maakte hij dat duidelijk. Hij zegt iets niet, het is soort commando. Hij duldt geen tegenspraak. Als je niet doet wat hij zegt, dan krijg je problemen.- [medeverdachte] ’s wil is wet.
Aan de hand van het vorenstaande en op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen overweegt het hof het volgende.
Gang van zaken op 11 mei 2006
[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn de kwekerij binnengedrongen door het buitenluik te forceren en daardoor naar binnen te gaan; zij kwamen aldus in de voorruimte op de bovenverdieping. Om 03:26 uur stuurt de camera in de voorruimte een alarm-sms naar [verdachte] . Na overleg met [medeverdachte] gaat [verdachte] vanuit zijn woonplaats [woonplaats] naar de kwekerij in Venray. Om 03:50 uur belt hij vanuit Venray naar [medeverdachte] . [medeverdachte] komt ook naar Venray. Om 04:30 uur belt [medeverdachte] , dan in Venray, naar [verdachte] . [medeverdachte] en [verdachte] treffen elkaar. [medeverdachte] pakt uit zijn auto een pistool, waarin hij een patroonhouder stopt, en geeft dat aan [verdachte] . [medeverdachte] pakt voor zichzelf een vuurwapen waaraan een schoudersteun zit en waarop een demper zit. [medeverdachte] en [verdachte] gaan vervolgens via de Patersstraat de kwekerij aan de voorzijde naar binnen. In de kwekerij lopen ze eerst – op de begane grond – naar achteren. De achterdeur wordt geopend. [medeverdachte] gaat onder het buitenluik staan, schoudert zijn vuurwapen en richt dat op de opening achter het luik. [verdachte] gaat terug naar binnen en opent het (afgesloten) binnenluik. Om 04:50 uur stuurt camera 4 bij de trap naar de bovenverdieping een alarm-sms naar (een telefoon van) [verdachte] . Dit moet het moment zijn waarop [medeverdachte] en [verdachte] binnendoor naar achteren lopen, dan wel het moment waarop [verdachte] de trap oploopt om het binnenluik te openen. [verdachte] loopt de bovenverdieping op en komt via de kweekruimte in de voorruimte. [medeverdachte] komt bijna gelijktijdig met [verdachte] de voorruimte binnen. In de voorruimte staan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Zij worden doodgeschoten. Om 05:02 uur bellen [medeverdachte] en [verdachte] met elkaar, zodat kan worden aangenomen dat zij toen de voorruimte weer hadden verlaten. Het fatale schietincident heeft zich dus afgespeeld tussen 04:50 en 05:02 uur.
[verdachte] en [medeverdachte] verlaten Venray – elk met zijn eigen auto – en treffen elkaar in Tegelen bij de loods van [medeverdachte] . Zij gaan vervolgens terug naar Venray met hun Ford bus. In Venray worden, aan de achterkant van de kwekerij, de lichamen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] uit de voorruimte gehaald en via het platte dak naar beneden gelaten en in de Ford bus gelegd. De Ford bus met de lichamen wordt vervolgens naar Tegelen gereden en geparkeerd in één van de loodsen van [medeverdachte] in Tegelen. Daarna wordt in opdracht van [medeverdachte] de kwekerij in Venray nog geoogst en ontmanteld (in ieder geval door [verdachte] , [getuige 3] en [getuige 4] ). De hennep wordt die dag nog geknipt. [medeverdachte] en [verdachte] hebben een plek uitgezocht om de lichamen van de slachtoffers te verbergen. Om 17:05 uur kopen zij hiervoor spullen bij de Boerenbond te Velden. In de daaropvolgende nacht van 11-12 mei 2006 hebben zij de lichamen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in dekzeil gewikkeld en in een door hen gegraven diepe kuil gelegd en de kuil met zand dichtgemaakt.De verklaringen van [verdachte] over het weghalen (uit de kwekerij in Venray) en later begraven (in een kuil in Arcen) van de stoffelijke overschotten van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] vinden steun in de bloedsporen van de slachtoffers buiten de kwekerij (nr. 30), de bon van de Boerenbond volgens welke onder meer twee spaden en twee paar laarzen zijn gekocht (nr. 25) en het op aanwijzing van [verdachte] aantreffen van de stoffelijke overschotten in een kuil te Arcen.
[medeverdachte] heeft reeds van buiten af geschoten en toen [slachtoffer 2] geraakt
Het hof neemt op grond van de verklaring van [verdachte] (nr. 33) aan dat [medeverdachte] degene is geweest die in de voorruimte op de slachtoffers heeft geschoten. Gelet op het feit dat:
- [slachtoffer 2] schotletsel had aan zijn rechterarm (nr. 28),
- [verdachte] een bloedende verwonding heeft gezien voordat de slachtoffers in de voorruimte zijn beschoten (nr. 33),
- is vastgesteld dat alle aangetroffen hulzen, zowel de hulzen die op het achtererf buiten als die in de voorruimte binnen zijn aangetroffen, uit hetzelfde wapen zijn verschoten (nr. 29-31) en
- gelet op de schotresten op de achtergevel (nr. 30) op de plaats waar [medeverdachte] zich volgens [verdachte] had geposteerd met zijn vuurwapen gericht op het buitenluik (nr. 33),
concludeert het hof dat [medeverdachte] toen hij op het achtererf stond, minstens twee maal heeft geschoten en daarbij [slachtoffer 2] heeft geraakt in diens rechterarm.
Geloofwaardigheid van [verdachte] over het schietincident in de voorruimte
[verdachte] stelt dat hij weinig herinnering heeft aan het schietincident in de voorruimte. Hij stelt dat hij er geen herinnering aan heeft dat de slachtoffers van achteren zijn neergeschoten. Of dit geveinsd geheugenverlies is of authentiek geheugenverlies kan op grond van het deskundigenrapport van dr. M. Jelicic van 2 mei 2016 niet met zekerheid worden vastgesteld, ofschoon er volgens deze deskundige duidelijke aanwijzingen zijn dat [verdachte] partieel geheugenverlies voor het schietincident op 11 mei 2006 en de uren daarna veinst.
Maar het hof stelt wel het volgende vast. Beide slachtoffers zijn gedood met een nekschot (nr. 27 en 28) waaruit volgt dat ze van achteren zijn beschoten. Van één kogel is de schotbaan gereconstrueerd als schuin van boven naar beneden met een beschadiging in de wand op kniehoogte (nr. 29). Het is niet aannemelijk dat de slachtoffers spontaan in een positie zijn gaan staan/knielen (met het hoofd voorover gebogen) waarin ze een nekschot konden krijgen, zodat ervan mag worden uitgegaan dat ze in een dergelijke positie gedwongen zijn. In ieder geval hecht het hof geen geloof aan de verklaring van [verdachte] dat [medeverdachte] bijna meteen na binnenkomst in de voorruimte, terwijl de slachtoffers frontaal of (enigszins) zijwaarts naar hen toegekeerd stonden, heeft geschoten. De verklaring van [verdachte] op dit punt is in strijd met het geconstateerde letsel en de schotbaanreconstructie.
Verder gelooft het hof [verdachte] niet waar deze verklaart dat hij niet weet waar de jongens zijn geraakt, immers [verdachte] verklaart in één moeite door dat zijn gevoel dat die jongens direct dood waren meer komt door de plaats waar ze geraakt waren door de kogels (nr. 35). Dit betekent dat [verdachte] weet waar de slachtoffers zijn geraakt, en van algemene bekendheid is dat een nekschot een probaat middel is om onmiddellijk de dood te veroorzaken.
Uit één en ander blijkt dat in de voorruimte veel meer is gebeurd dan [verdachte] zegt zich te herinneren, en voorts dat wat [verdachte] er over heeft verklaard niet geloofwaardig is. Er is sprake geweest van een liquidatie waarbij het niet anders kan zijn dan dat de slachtoffers gedwongen zijn een positie in te nemen waarin ze een nekschot konden krijgen. Hiermee moet enige tijd gemoeid zijn geweest, maar kennelijk heeft [verdachte] niet getracht om [medeverdachte] hiervan te weerhouden.
Voorbedachte raad van [medeverdachte]
Uit de omstandigheid dat [medeverdachte] de vuurwapens heeft meegebracht, dat hij op het achtererf is gaan staan met zijn vuurwapen – dat was voorzien van een geluiddemper – gericht op de enige plaats waarlangs de personen in de kwekerij konden ontkomen, dat hij [verdachte] het binnenluik heeft laten openen – de enige andere toegang tot de bovenetage –, dat hij vanaf het achtererf heeft geschoten kennelijk toen de slachtoffers langs die kant trachtten weg te komen en toen al één van de slachtoffers heeft geraakt, dat hij vervolgens naar binnen is gegaan en in de voorruimte de beide slachtoffers met een nekschot heeft doodgeschoten, blijkt dat [medeverdachte] heeft gehandeld met voorbedachte raad.
Het opzet van [verdachte] op de dood van de slachtoffers
[verdachte] ontkent dat hij opzet had op de dood van de slachtoffers. In de kern is zijn verweer dat hij dacht dat de door [medeverdachte] meegebrachte vuurwapens bedoeld waren ter zelfbescherming, dat hij ervan uitging dat de henneprippers slechts flinke klappen zouden krijgen en dat hij totaal verrast werd door het feit dat [medeverdachte] in de voorruimte meteen op de jongens schoot.
Het hof verwerpt dit verweer. [verdachte] ’ opzet was minst genomen in voorwaardelijke zin gericht op de dood van de slachtoffers. Hierbij neemt het hof het navolgende in aanmerking:
Uit het voorgaande volgt dat [verdachte] minst genomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat, mede ten gevolge van zijn eigen gedragingen, de slachtoffers zouden worden doodgeschoten.
Medeplegen van [verdachte] met [medeverdachte]
Uit het vorenstaande volgt dat [verdachte] en [medeverdachte] , na het ontdekken van indringers in de hennepkwekerij in Venray, samen naar die hennepkwekerij zijn gegaan, dat ze allebei een vuurwapen bij zich hadden, dat ze uitwaren op een gewapende confrontatie met de indringers, dat ze bovenverdieping van de kwekerij op een zodanige manier hebben benaderd dat de twee uitgangen – buitenluik en binnenluik – waren ‘afgedekt’, en dat ze samen de voorruimte zijn binnengegaan waar de slachtoffers met een nekschot zijn doodgeschoten. Daarna hebben ze samen de lijken van de slachtoffers weggehaald uit de kwekerij en deze in Arcen begraven.
[verdachte] en [medeverdachte] hebben dus zo nauw en bewust samengewerkt dat moet worden gesproken van medeplegen van alle drie de ten laste gelegde misdrijven.
Geen voorbedachte raad van [verdachte]
Anders dan bij [medeverdachte] kan het hof niet vaststellen dat ook bij [verdachte] voorbedachte raad aanwezig was. Het is meer zo dat [verdachte] is meegenomen door [medeverdachte] in diens kennelijke plan om de slachtoffers te gaan doodschieten en dat [verdachte] heeft geacteerd op aanwijzingen van [medeverdachte] . Van een gezamenlijk vooropgezet plan om de henneprippers dood te schieten is niet gebleken.
Dit brengt mee dat de gedragingen van [verdachte] zoals ten laste gelegd onder feit 1 en feit 2 niet kunnen worden gekwalificeerd als ‘medeplegen van moord’, maar als ‘medeplegen van doodslag’.
[verdachte] zal daarom worden vrijgesproken van het medeplegen van moord en worden veroordeeld voor het medeplegen van doodslag.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair, onder 2 subsidiair en het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1 subsidiair. hij op 11 mei 2006 in de gemeente Venray tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededader met dat opzet met een vuurwapen kogels in het lichaam van die
[slachtoffer 1] geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;
2 subsidiair. hij op 11 mei 2006 in de gemeente Venray tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededader met dat opzet met een vuurwapen een kogel in het lichaam van die [slachtoffer 2] geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden;
3. hij in de periode van 11 mei 2006 tot en met 18 april 2014 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander lijken, te weten het stoffelijk overschot van overledenen in leven genaamd [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , heeft verborgen met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden te verhelen door de stoffelijke overschotten van die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , vanuit een pand gelegen aan de Patersstraat (no 9), te laten verdwijnen.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Door het hof gebruikte bewijsmiddelen
De door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring en niet reeds hierboven zijn weergegeven, zijn opgenomen in een aangehechte aanvulling op dit arrest.
Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs
De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.
Ten aanzien van feit 3
Het hof acht bewezen dat verdachte, in de periode van 11 mei 2006 tot en met 18 april 2014 samen met medeverdachte [medeverdachte] de stoffelijke overschotten van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] heeft verborgen door deze vanuit de hennepkwekerij in het pand gelegen aan de Patersstraat 9 te Venray te laten verdwijnen. Het hof overweegt daartoe nog dat het verbergen een aanvang heeft genomen op het moment dat verdachte, samen met de medeverdachte, de twee stoffelijke overschotten uit het pand in Venray heeft laten verdwijnen, te weten op 11 mei 2006.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde levert op:
medeplegen van doodslag.
Het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde levert op:
medeplegen van doodslag.
Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:
medeplegen van een lijk verbergen met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
Strafbaarheid van de verdachte
Psycholoog drs. T. ’t Hoen heeft op 5 februari 2015 (en aanvullend op 17 mei 2016) over de persoon van verdachte gerapporteerd. De deskundige heeft geconcludeerd dat er bij verdachte geen sprake is van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en dat dit ook zo was tijdens de bewezen verklaarde feiten. Uit het rapport is niet gebleken dat bij verdachte sprake is van een verminderde toerekeningsvatbaarheid.
Het hof verenigt zich met de genoemde conclusies van de deskundige en gaat derhalve uit van volledige toerekenbaarheid van het bewezen verklaarde aan de verdachte.
Ook voor het overige zijn er geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.
De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.
Op te leggen straf
[verdachte] wordt niet veroordeeld voor moord, maar voor doodslag. Dit heeft tot gevolg dat de maximumstraf voor [verdachte] niet is de maximumstraf die past bij moord (art. 289 Sr: levenslang of tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste 30 jaren), maar de maximumstraf die past bij doodslag (art. 287 Sr: ten hoogste 15 jaren).
Bij meervoudige doodslag, zoals in dit geval, komt ingevolge de samenloopregeling van art. 57 Sr de maximale straf dan uit op 15 jaren plus 1/3 van 15 jaren, derhalve op 20 jaren.
Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals één en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
[verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van de doodslag op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . De slachtoffers waren destijds 23 respectievelijk 19 jaar oud. Zij zijn daarmee beroofd van het meest fundamentele recht van een mens, namelijk het recht op leven. Voorts wordt door een dergelijk delict de rechtsorde zeer ernstig geschokt: het brengt in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg.
De enkele reden die [verdachte] en [medeverdachte] daarvoor hadden was het beschermen van hun financiële belangen bij een hennepkwekerij. Alleen om dié reden zijn [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op koelbloedige wijze door middel van een nekschot om het leven gebracht. Om hun daad te verbergen hebben [verdachte] en [medeverdachte] de stoffelijke overschotten uit het bedrijfspand weggehaald en in de daarop volgende nacht uiterst respectloos in een manshoge kuil in een bosperceel begraven.
Het koelbloedige en zakelijke handelen van verdachte en [medeverdachte] blijkt te meer uit de omstandigheid dat zij zich, korte tijd na het om het leven brengen van de jonge mannen en het weghalen van hun stoffelijke overschotten uit het bedrijfspand, onmiddellijk hebben bekommerd om hun zakelijke belangen ter plaatse: het (laten) oogsten van de hennepplanten in de kwekerij, het wegvoeren van de zakken met hennepplanten die de slachtoffers hadden geoogst en die zich nog op de eerste verdieping van het bedrijfspand bevonden en het vervolgens nog die dag laten knippen van de hennepplanten.
Het hof rekent verdachte vorenstaande zwaar aan.
Eerst in april 2014, nadat hij ook in 2006 en 2012 al was aangehouden in verband met een verdenking in deze zaak, heeft [verdachte] zijn zwijgen verbroken en openheid gegeven over de plaats waar de lichamen begraven lagen. Met betrekking tot dat jarenlange zwijgen van verdachte heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte uit vrees voor de medeverdachte al die tijd heeft gezwegen. Het hof ziet hierin, zo al juist, geen strafmatigende omstandigheid, nu het immers de eigen keus van verdachte is geweest om zich destijds met de medeverdachte en het criminele milieu in te laten. Daarnaast had verdachte er zelf ook baat bij om te zwijgen gelet op een mogelijke strafrechtelijke vervolging. Dat ook verdachte zich daar van bewust was volgt uit het feit dat hij niet spontaan openheid van zaken heeft gegeven over de plaats waar de lichamen begraven lagen, maar dat hij daar eerst over heeft verklaard nadat hij had gehoord dat [medeverdachte] over het gebeuren had gesproken met een derde en daarbij ook zijn, [verdachte] ’, naam had genoemd.
Het jarenlang (bijna 8 jaar) in onzekerheid laten van de nabestaanden over het lot van hun dierbaren getuigt niet van enige piëteit voor die nabestaanden.
Het behoeft geen betoog dat het overlijden van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , het jarenlang in onzekerheid verkeren over hun lot en nu ook de bekendheid met de feiten en omstandigheden aangaande hun overlijden, onherstelbaar leed bij de nabestaanden teweeg heeft gebracht. Uit de schriftelijke slachtofferverklaringen, zoals voorgelezen ter terechtzitting in hoger beroep, blijkt van de enorme impact en de ontwrichtende werking die dit alles op het leven van de familieleden van de jonge mannen heeft gehad.
Naar het oordeel van het hof kan gelet op vorenstaande niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt en wel de in onderhavige strafzaak maximaal op te leggen gevangenisstraf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren met aftrek van voorarrest.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
De benadeelde partij [benadeelde partij 1] (zus van slachtoffer [slachtoffer 1] ) heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een totaalbedrag van € 2.256,12. Dit bedrag bestaat uit vergoeding van € 1.786,40 voor gemaakte reiskosten en € 469,72 voor verletkosten, teneinde de zittingen in eerste aanleg te kunnen bijwonen. Voorts heeft de benadeelde partij verzocht om de vordering te vermeerderen met de wettelijke rente (respectievelijk vanaf 11 mei 2006 en 8 november 2014) en de schadevergoedingsmaatregel toe te passen. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep geheel toegewezen.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de vordering geheel zal toewijzen, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft de vordering van de benadeelde partij niet betwist. Wel is aangevoerd dat vermeerdering met de wettelijke rente ter zake van de onderhavige posten pas kan plaatsvinden vanaf het moment dat de kosten zijn gemaakt en niet al vanaf het moment dat de onrechtmatige daad heeft plaatsgevonden.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Nu de vordering – behoudens de ingangsdatum van de wettelijke rente – uitdrukkelijk niet is betwist, zal het hof deze volledig toewijzen.
Door de rechtbank is de wettelijke rente toegewezen vanaf 11 mei 2006. De wettelijke rente is eerst verschuldigd vanaf het moment van het ontstaan van de schade. In de onderhavige zaak heeft de wettelijke rente per schadepost een andere aanvangsdatum. Het hof zal de beslissing van de rechtbank derhalve op dit punt niet volgen en een andere ingangsdatum bepalen. Het hof is van oordeel dat om redenen van efficiency de wettelijke rente dient te worden berekend vanaf 26 februari 2015, zijnde de datum waarop de vordering van de benadeelde partij ter terechtzitting is ingediend.
Het hof ziet tevens aanleiding te dezer zake de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.
Verdachte en zijn mededader zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.
Vordering van de benadeelde partijen [benadeelde partijen 2]
De benadeelde partijen [benadeelde partijen 2] (ouders van slachtoffer [slachtoffer 2] ) hebben in eerste aanleg een gezamenlijke vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een totaalbedrag van € 10.498,40. Dit bedrag bestaat uit vergoeding van € 8.500,00 voor begrafeniskosten, € 1.366,20 voor reiskosten voor de ter aardebestelling en € 632,20 voor reiskosten in het kader van het strafproces. Voorts hebben de benadeelde partijen verzocht om de vordering te vermeerderen met de wettelijke rente (voor de abstract berekende schade vanaf 11 mei 2006 en voor de concreet berekende schade vanaf de betaaldatum) en de schadevergoedingsmaatregel toe te passen. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep geheel toegewezen.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de vordering geheel zal toewijzen, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft de vordering van de benadeelde partijen niet betwist. Wel is aangevoerd dat vermeerdering met de wettelijke rente ter zake van de onderhavige posten pas kan plaatsvinden vanaf het moment dat de kosten zijn gemaakt en niet al vanaf het moment dat de onrechtmatige daad heeft plaatsgevonden.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Nu de vordering – behoudens de ingangsdatum van de wettelijke rente – uitdrukkelijk niet is betwist, zal het hof deze volledig toewijzen.
Door de rechtbank is de wettelijke rente toegewezen vanaf 11 mei 2006. De wettelijke rente is eerst verschuldigd vanaf het moment van het ontstaan van de schade. In de onderhavige zaak heeft de wettelijke rente per schadepost een andere aanvangsdatum. Het hof zal de beslissing van de rechtbank derhalve op dit punt niet volgen en een andere ingangsdatum bepalen. Het hof is van oordeel dat om redenen van efficiency de wettelijke rente dient te worden berekend vanaf 26 februari 2015, zijnde de datum waarop de vordering van de benadeelde partij ter terechtzitting is ingediend.
Anders dan de raadsman van de benadeelde partij, is het hof van oordeel dat ook in het geval van de begrafeniskosten sprake is van concrete schade die pas is ontstaan toen deze kosten zijn gemaakt in 2014, ook al gaat het daarbij om een geschat bedrag.
Het hof ziet tevens aanleiding te dezer zake de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.
Verdachte en zijn mededader zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 36f, 47, 57, 60a, 63, 151 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte ter zake van het onder feit 3 ten laste gelegde voor zover inhoudende het wegvoeren, wegmaken en vernietigen van lijken.
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing van de eerste rechter ter zake van het onder 4 ten laste gelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 1 subsidiair en 3 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.256,12 (tweeduizend tweehonderdzesenvijftig euro en twaalf cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.
Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 26 februari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.
Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het onder 1 subsidiair en 3 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 2.256,12 (tweeduizend tweehonderdzesenvijftig euro en twaalf cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 32 (tweeëndertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.
Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 26 februari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.
Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.
Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.
Vordering van de benadeelde partijen [benadeelde partijen 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [benadeelde partijen 2] ter zake van het onder 2 subsidiair en 3 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 10.498,40 (tienduizend vierhonderdachtennegentig euro en veertig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.
Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 26 februari 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.
Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de slachtoffers, genaamd [benadeelde partijen 2] , ter zake van het onder 2 subsidiair en 3 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 10.498,40 (tienduizend vierhonderdachtennegentig euro en veertig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 87 (zevenentachtig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van de slachtoffers niet opheft.
Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.
Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 26 februari 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.
Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.
Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.
Aldus gewezen door
mr. J.C.A.M. Claassens, voorzitter,
mr. A.J.M. van Gink en mr. O.A.J.M. Lavrijssen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N.S. Willems Ettori-Oort, griffier,
en op 27 februari 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.