Gang van zaken op 11 mei 2006
[slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zijn de kwekerij binnengedrongen door het buitenluik te forceren en daardoor naar binnen te gaan; zij kwamen aldus in de voorruimte op de bovenverdieping. Om 03:26 uur stuurt de camera in de voorruimte een alarm-sms naar [verdachte] . Na overleg met [betrokkene 1] gaat [verdachte] vanuit zijn woonplaats Tegelen naar de kwekerij in Venray. Om 03:50 uur belt hij vanuit Venray naar [betrokkene 1] . [betrokkene 1] komt ook naar Venray. Om 04:30 uur belt [betrokkene 1] , dan in Venray, naar [verdachte] . [betrokkene 1] en [verdachte] treffen elkaar. [betrokkene 1] pakt uit zijn auto een pistool, waarin hij een patroonhouder stopt, en geeft dat aan [verdachte] . [betrokkene 1] pakt voor zichzelf een vuurwapen waaraan een schoudersteun zit en waarop een demper zit. [betrokkene 1] en [verdachte] gaan vervolgens via de [a-straat 1] de kwekerij aan de voorzijde naar binnen. In de kwekerij lopen ze eerst – op de begane grond – naar achteren. De achterdeur wordt geopend. [betrokkene 1] gaat onder het buitenluik staan, schoudert zijn vuurwapen en richt dat op de opening achter het luik. [verdachte] gaat terug naar binnen en opent het (afgesloten) binnenluik. Om 04:50 uur stuurt camera 4 bij de trap naar de bovenverdieping een alarm-sms naar (een telefoon van) [verdachte] . Dit moet het moment zijn waarop [betrokkene 1] en [verdachte] binnendoor naar achteren lopen, dan wel het moment waarop [verdachte] de trap oploopt om het binnenluik te openen. [verdachte] loopt de bovenverdieping op en komt via de kweekruimte in de voorruimte. [betrokkene 1] komt bijna gelijktijdig met [verdachte] de voorruimte binnen. In de voorruimte staan [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] . Zij worden doodgeschoten. Om 05:02 uur bellen [betrokkene 1] en [verdachte] met elkaar, zodat kan worden aangenomen dat zij toen de voorruimte weer hadden verlaten. Het fatale schietincident heeft zich dus afgespeeld tussen 04:50 en 05:02 uur.
(…)
[betrokkene 1] heeft reeds van buiten af geschoten en toen [slachtoffer 1] geraakt
Het hof neemt op grond van de verklaring van [verdachte] (nr. 33) aan dat [betrokkene 1] degene is geweest die in de voorruimte op de slachtoffers heeft geschoten. Gelet op het feit dat:
- [slachtoffer 1] schotletsel had aan zijn rechterarm (nr. 28),
- [verdachte] een bloedende verwonding heeft gezien voordat de slachtoffers in de voorruimte zijn beschoten (nr. 33),
- is vastgesteld dat alle aangetroffen hulzen, zowel de hulzen die op het achtererf buiten als die in de voorruimte binnen zijn aangetroffen, uit hetzelfde wapen zijn verschoten (nr. 29-31) en
- gelet op de schotresten op de achtergevel (nr. 30) op de plaats waar [betrokkene 1] zich volgens [verdachte] had geposteerd met zijn vuurwapen gericht op het buitenluik (nr. 33),
concludeert het hof dat [betrokkene 1] toen hij op het achtererf stond, minstens twee maal heeft geschoten en daarbij [slachtoffer 1] heeft geraakt in diens rechterarm.
Geloofwaardigheid van [verdachte] over het schietincident in de voorruimte
[verdachte] stelt dat hij weinig herinnering heeft aan het schietincident in de voorruimte. Hij stelt dat hij er geen herinnering aan heeft dat de slachtoffers van achteren zijn neergeschoten. Of dit geveinsd geheugenverlies is of authentiek geheugenverlies kan op grond van het deskundigenrapport van dr. M. Jelicic van 2 mei 2016 niet met zekerheid worden vastgesteld, ofschoon er volgens deze deskundige duidelijke aanwijzingen zijn dat [verdachte] partieel geheugenverlies voor het schietincident op 11 mei 2006 en de uren daarna veinst.
Maar het hof stelt wel het volgende vast. Beide slachtoffers zijn gedood met een nekschot (nr. 27 en 28) waaruit volgt dat ze van achteren zijn beschoten. Van één kogel is de schotbaan gereconstrueerd als schuin van boven naar beneden met een beschadiging in de wand op kniehoogte (nr. 29). Het is niet aannemelijk dat de slachtoffers spontaan in een positie zijn gaan staan/knielen (met het hoofd voorover gebogen) waarin ze een nekschot konden krijgen, zodat ervan mag worden uitgegaan dat ze in een dergelijke positie gedwongen zijn. (…) Verder gelooft het hof [verdachte] niet waar deze verklaart dat hij niet weet waar de jongens zijn geraakt, immers [verdachte] verklaart in één moeite door dat zijn gevoel dat die jongens direct dood waren meer komt door de plaats waar ze geraakt waren door de kogels (nr. 35). Dit betekent dat [verdachte] weet waar de slachtoffers zijn geraakt, en van algemene bekendheid is dat een nekschot een probaat middel is om onmiddellijk de dood te veroorzaken.
Uit één en ander blijkt dat in de voorruimte veel meer is gebeurd dan [verdachte] zegt zich te herinneren, en voorts dat wat [verdachte] er over heeft verklaard niet geloofwaardig is. Er is sprake geweest van een liquidatie waarbij het niet anders kan zijn dan dat de slachtoffers gedwongen zijn een positie in te nemen waarin ze een nekschot konden krijgen. Hiermee moet enige tijd gemoeid zijn geweest, maar kennelijk heeft [verdachte] niet getracht om [betrokkene 1] hiervan te weerhouden.
Voorbedachte raad van [betrokkene 1]
Uit de omstandigheid dat [betrokkene 1] de vuurwapens heeft meegebracht, dat hij op het achtererf is gaan staan met zijn vuurwapen - dat was voorzien van een geluiddemper - gericht op de enige plaats waarlangs de personen in de kwekerij konden ontkomen, dat hij [verdachte] het binnenluik heeft laten openen - de enige andere toegang tot de bovenetage -, dat hij vanaf het achtererf heeft geschoten kennelijk toen de slachtoffers langs die kant trachtten weg te komen en toen al één van de slachtoffers heeft geraakt, dat hij vervolgens naar binnen is gegaan en in de voorruimte de beide slachtoffers met een nekschot heeft doodgeschoten, blijkt dat [betrokkene 1] heeft gehandeld met voorbedachte raad.
Het opzet van [verdachte] op de dood van de slachtoffers
[verdachte] ontkent dat hij opzet had op de dood van de slachtoffers. In de kern is zijn verweer dat hij dacht dat de door [betrokkene 1] meegebrachte vuurwapens bedoeld waren ter zelfbescherming, dat hij ervan uitging dat de henneprippers slechts flinke klappen zouden krijgen en dat hij totaal verrast werd door het feit dat [betrokkene 1] in de voorruimte meteen op de jongens schoot.
Het hof verwerpt dit verweer. [verdachte] ’ opzet was minst genomen in voorwaardelijke zin gericht op de dood van de slachtoffers. Hierbij neemt het hof het navolgende in aanmerking:
(i) In algemene zin is bekend - en dit was in 2006 niet anders - dat bij het rippen van hennep nogal eens dodelijk geweld wordt gebruikt als de rippers worden ontdekt;
(ii) Weliswaar is niet gebleken dat [betrokkene 1] en [verdachte] tevoren hadden afgesproken dat ze in voorkomende gevallen met potentieel dodelijk geweld zouden ingrijpen, maar [verdachte] , die de eerstverantwoordelijke was voor de bewaking van [betrokkene 1] ’ hennepkwekerijen, wist wel dat hij opereerde in een crimineel milieu van lucratieve hennepteelt op grote schaal, waarin geweld niet wordt geschuwd - zie (i) - en hij kende ook het bazige karakter van [betrokkene 1] (nr. 37) en wist dat [betrokkene 1] een geoefend schutter was;
(iii) [betrokkene 1] bracht vuurwapens mee waarvan hij er één aan [verdachte] heeft gegeven. [verdachte] heeft gezien dat het pistool dat hij kreeg voorzien was van munitie. Bij het verdelen van de vuurwapens is besproken dat de indringers ook bewapend zouden kunnen zijn. [betrokkene 1] en [verdachte] zijn vervolgens op zoek gegaan naar de personen in de kwekerij, zodat het ook voor [verdachte] duidelijk was dat [betrokkene 1] uit was op een gewapende confrontatie. [verdachte] heeft zich toen niet gedistantieerd maar is blijven meedoen met [betrokkene 1] ;
(iv) [verdachte] (nr. 34) heeft verklaard dat hij zich realiseerde - toen [betrokkene 1] er nog niet was - ‘dat er mogelijk mensen naar buiten zouden komen en ik daar dan met lege handen zou staan’;
(v) Bij het binnengaan via de voorkant van de kwekerij had [verdachte] het hem door [betrokkene 1] verstrekte vuurwapen in zijn hand. Hieruit blijkt de mentale bereidheid van [verdachte] om het vuurwapen te gebruiken;
(vi) [betrokkene 1] is op het achtererf buiten in een schietgerede positie gaan staan, richtend op de uitgang waarlangs de personen in de kwekerij zouden kunnen proberen weg te komen;
(vii) [betrokkene 1] droeg [verdachte] op het binnenluik te openen en naar de bovenverdieping te gaan. Het kan niet anders dan dat [verdachte] zich heeft gerealiseerd (a) dat [betrokkene 1] bereid was te schieten en (b) dat de twee uitgangen om de bovenverdieping te verlaten afgedekt waren, het buitenluik door [betrokkene 1] en het binnenluik door hemzelf, zodat feitelijk sprake was van het omsingelen dan wel insluiten van de personen op de bovenverdieping met wie de confrontatie werd aangegaan;
(viii) De verklaring van [verdachte] over wat zich in de voorruimte heeft afgespeeld is ongeloofwaardig. Met name is onjuist zijn verklaring dat [betrokkene 1] vrijwel meteen na het betreden van de voorruimte en voor hem, [verdachte] , totaal onverwacht drie maal op de slachtoffers heeft geschoten. [verdachte] heeft meteen bij binnenkomst gezien dat één van de jongens een bloedende verwonding had, waaruit hij heeft kunnen afleiden dat [betrokkene 1] had geschoten op de jongens kennelijk toen die via het buitenluik trachtten weg te komen. Er is nog gecommuniceerd met de jongens (‘niet bellen’) en de slachtoffers moeten in een positie zijn gemanoeuvreerd waarin ze een nekschot hebben gekregen. [verdachte] heeft hierbij [betrokkene 1] niet weerhouden hoewel de bedoeling van [betrokkene 1] voor [verdachte] onmiskenbaar moet zijn geweest.
Uit het voorgaande volgt dat [verdachte] minst genomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat, mede ten gevolge van zijn eigen gedragingen, de slachtoffers zouden worden doodgeschoten.
Medeplegen van [verdachte] met [betrokkene 1]
Uit het vorenstaande volgt dat [verdachte] en [betrokkene 1] , na het ontdekken van indringers in de hennepkwekerij in Venray, samen naar die hennepkwekerij zijn gegaan, dat ze allebei een vuurwapen bij zich hadden, dat ze uitwaren op een gewapende confrontatie met de indringers, dat ze bovenverdieping van de kwekerij op een zodanige manier hebben benaderd dat de twee uitgangen - buitenluik en binnenluik - waren ‘afgedekt’, en dat ze samen de voorruimte zijn binnengegaan waar de slachtoffers met een nekschot zijn doodgeschoten. Daarna hebben ze samen de lijken van de slachtoffers weggehaald uit de kwekerij en deze in Arcen begraven.
[verdachte] en [betrokkene 1] hebben dus zo nauw en bewust samengewerkt dat moet worden gesproken van medeplegen van alle drie de ten laste gelegde misdrijven.”
Het middel richt zich op het oordeel van het hof dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van doodslag van de twee slachtoffers en de aanname van het hof in dat kader dat de verdachte op zijn minst genomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat, mede ten gevolge van zijn eigen gedragingen, de slachtoffers zouden worden doodgeschoten. Gesteld wordt dat de bewijsmiddelen hiervoor onvoldoende steun bieden. Ik ontwaar in de schriftuur daarover vier klachten.
De eerste klacht betreft de overweging van het hof dat in algemene zin bekend is, en dat dit in 2006 niet anders was, dat bij het rippen van hennep nogal eens dodelijk geweld wordt gebruikt als de rippers worden ontdekt. Volgens de steller van het middel is dit geen feit van algemene bekendheid en houden de bewijsmiddelen niets in waaruit de juistheid van deze stelling kan worden afgeleid.
Ik kan er met de steller van het middel in meegaan dat het hof het gegeven dat bij het rippen van hennep nogal eens dodelijk geweld wordt gebruikt als de rippers worden ontdekt kennelijk als een feit van algemene bekendheid heeft aangemerkt. Over dat oordeel houdt de toelichting op het middel niet meer in dan dat volgens de steller van het middel daarvan geen sprake is. Voor zover erover wordt geklaagd dat deze overweging van het hof geen steun vindt in de bewijsmiddelen stelt het een eis die het recht niet kent, nu feiten van algemene bekendheid op grond van art. 339 lid 2 Sv geen bewijs behoeven. Maar ook al zou er geen sprake zijn van een feit van algemene bekendheid en de klacht terecht zijn, dan nog hoeft dit niet tot cassatie te leiden omdat de overige overwegingen het oordeel van het hof over het voorwaardelijk opzet zelfstandig kunnen dragen.
De tweede klacht houdt in dat de overweging van het hof dat het niet anders kan dan dat de verdachte zich heeft gerealiseerd dat [betrokkene 1] bereid was te schieten een deugdelijke onderbouwing ontbeert.
De bewijsoverwegingen van het hof houden onder meer in dat:
- de verdachte wist dat hij opereerde in een crimineel milieu van lucratieve hennepteelt op grote schaal, waarin geweld niet wordt geschuwd, en wist dat [betrokkene 1] een geoefend schutter was;
- de verdachte zich toen [betrokkene 1] er nog niet was heeft gerealiseerd dat er mogelijk mensen naar buiten zouden komen en hij daar dan met lege handen zou staan, waarop hij zich in afwachting van [betrokkene 1] heeft verstopt;
- de verdachte van [betrokkene 1] een geladen pistool heeft gekregen;
- de verdachte heeft verklaard: “toen wij bij [betrokkene 1] zijn auto stonden gaf [betrokkene 1] mij een pistool dat hij in zijn auto had liggen; ik vroeg hem wat ik hiermee moest; hij zei dat dit was om mijzelf te beschermen”;
- de verdachte en [betrokkene 1] bij het verdelen van de vuurwapens hebben besproken dat de indringers ook bewapend zouden kunnen zijn;
- de verdachte en [verdachte] vervolgens op zoek zijn gegaan naar de personen in de kwekerij, zodat het ook voor de verdachte duidelijk was dat [betrokkene 1] uit was op een gewapende confrontatie;
- [betrokkene 1] in een schietklare positie is gaan staan, zijn vuurwapen richtend op de uitgang waarlangs de personen in de kwekerij zouden kunnen proberen weg te komen op het moment dat de verdachte in opdracht van [betrokkene 1] via de enige andere toegang naar de bovenverdieping zou gaan.
Gelet hierop meen ik dat het hof zijn oordeel dat het niet anders kan dan dat de verdachte zich heeft gerealiseerd dat [betrokkene 1] bereid was te schieten toereikend heeft gemotiveerd, zodat het middel ook in zoverre niet slaagt. Daarbij neem ik in aanmerking dat in de overwegingen van het hof mijns inziens besloten ligt dat het hof de lezing van de verdachte dat hij dacht dat de vuurwapens ter afschrikking waren als ongeloofwaardig of niet aannemelijk terzijde heeft geschoven. Dat oordeel komt mij gelet op hetgeen hiervoor onder 5.7 is weergegeven geenszins onbegrijpelijk voor.
De derde klacht komt op tegen de motivering van het oordeel van het hof dat de verdachte uit de omstandigheid dat hij meteen bij binnenkomst in de voorruimte heeft gezien dat één van de jongens een bloedende verwonding had, heeft kunnen afleiden dat [betrokkene 1] had geschoten op de jongens.
Blijkens de bewijsoverwegingen heeft het hof op grond van verklaringen van de verdachte vastgesteld dat de verdachte meteen toen hij de voorruimte op de bovenverdieping binnenkwam een heel erg geschrokken jongen met een bloedende verwonding aan zijn arm of hand zag staan in de opening van het luik waar [betrokkene 1] zijn vuurwapen op gericht had gehouden toen de verdachte in opdracht van [betrokkene 1] via het binnenluik naar de bovenverdieping ging. Daarmee heeft het hof zijn oordeel dat de verdachte uit deze omstandigheid, heeft kunnen en, zo begrijp ik de overweging van het hof, moeten afleiden dat [betrokkene 1] had geschoten op de jongens toereikend gemotiveerd.
De vierde klacht houdt in dat de conclusie van het hof dat de slachtoffers in een positie zijn gemanoeuvreerd waarin ze een nekschot hebben gekregen geen steun vindt in de bewijsmiddelen.
In de hiervoor weergegeven bewijsoverwegingen heeft het hof onder 27 en 28 de korte inhoud weergegeven van de als bewijsmiddelen 5 en 6 gebezigde pathologische onderzoeksrapporten van het NFI en onder 29 de korte inhoud weergegeven van onder meer het als bewijsmiddel 7 gebezigde proces-verbaal sporenonderzoek. Daarnaast heeft het hof als bewijsmiddel 3 een radiologisch onderzoeksrapport van Maastricht UMC+ betreffende [slachtoffer 2] gebezigd dat, voor zover hier van belang, het volgende inhoudt:
“Hierbij worden er 2 schottrajecten in de schedel waargenomen zoals hieronder beschreven. De letsels zijn met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet verenigbaar met het leven
Traject
Inschot
Uitschot/Richting
Opmerkingen
(…)
(…)
(…)
(…)
B.
Achterhoofdbeen li
Geen uitschot; ricochet tegen voorhoofdsholte links (boven de linkeroogkas)
Projectiel ligt tegen het linker schedeldak aan de voorkant van de schedel”
Voorts heeft het hof als bewijsmiddel 4 een radiologisch onderzoeksrapport van Maastricht UMC+ betreffende [slachtoffer 1] gebezigd dat, voor zover hier van belang, het volgende inhoudt:
“Er is sprake van een tweetal cilindrische openingen in de schedel (…).
(…)
De twee defecten in de schedel zijn met elkaar te verbinden en vormen samen een traject. (…) Het is zeer waarschijnlijk dat het defect ter hoogte van het achterhoofd het inschot betreft en het defect ter hoogte van het voorhoofd het uitschot. Het traject in het lichaam verloopt dan van de onderzijde van het achterhoofd links naar het voorhoofd rechts; van achter naar voren, van beneden naar boven en van links naar rechts.”
In de overwegingen van het hof ligt besloten dat het gelet op de geconstateerde schotkanalen – kort gezegd vanaf het achterhoofd naar voren bij [slachtoffer 2] en van de onderzijde van het achterhoofd naar de bovenkant van het hoofd bij [slachtoffer 1] – en de vastgestelde schotbaan van één van de kogels niet aannemelijk heeft geacht dat de schotkanalen anders dan door een nekschot zijn veroorzaakt. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat niet aannemelijk is dat de slachtoffers spontaan in een positie zijn gaan staan/knielen (met het hoofd voorover gebogen) waarin ze een nekschot konden krijgen, zodat er naar het oordeel van het hof van mag worden uitgegaan dat ze in een dergelijke positie gedwongen zijn. Daarmee is de conclusie van het hof dat de slachtoffers met een nekschot zijn doodgeschoten toereikend gemotiveerd. Het middel faalt ook in zoverre.
Van belang voor het aannemen van voorwaardelijk opzet alsmede voor het medeplegen van de feiten zijn verder de bewijsoverwegingen van het hof dat de verdachte, terwijl hij wist dat [betrokkene 1] bereid was te schieten, zich niet heeft gedistantieerd maar samen met [betrokkene 1] een gewapende confrontatie heeft gezocht met de personen in de hennepkwekerij waarbij hij heeft bijgedragen aan het insluiten van de jongens en ook daarna, toen hij moet hebben geweten dat [betrokkene 1] op een van de jongens had geschoten, zich desondanks kennelijk niet heeft gedistantieerd en evenmin [betrokkene 1] heeft weerhouden van het lossen van de dodelijke schoten. Daaruit heeft het hof zonder meer kunnen afleiden dat er sprake is geweest van een voor het aannemen van medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking met [betrokkene 1] .
Gelet op het vorenstaande kom ik tot de slotsom dat het oordeel van het hof dat de verdachte minst genomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat, mede ten gevolge van zijn eigen gedragingen, de slachtoffers zouden worden doodgeschoten en dat hij deze feiten heeft medegepleegd geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
Het middel faalt in al zijn onderdelen.
6. Beide middelen falen. Het tweede middel kan naar mijn mening met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering worden afgedaan. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG