Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 11 maart 2021, in de strafzaak met parketnummer 03-276561-20 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het onder 3 tenlastegelegde en ter zake van:
1. poging tot zware mishandeling;
2. opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd,
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met aftrek van voorarrest. Tevens is hem de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen ontzegd voor de duur van 12 maanden. Daarnaast is beslist op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep, omdat door of namens de verdachte geen grieven zijn ingediend.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het hoger beroep van de verdachte is mede gericht tegen de vrijspraak door de politierechter van hetgeen aan de verdachte onder 3 ten laste is gelegd. Dat is in strijd met het bepaalde in artikel 404 van het Wetboek van Strafvordering, zodat de verdachte in zoverre niet ontvankelijk moet worden verklaard in het hoger beroep.
Voor het overige is het hof van oordeel dat, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, ook het door de verdachte ingestelde hoger beroep voor het overige niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven of een raadsman of raadsvrouw heeft gemachtigd dit namens hem te doen en het hof niet van oordeel is dat de strafzaak desalniettemin onderzocht dient te worden.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep, voor zover gericht tegen de vrijspraak van het onder 3 tenlastegelegde.
Verklaart ook voor het overige het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus gewezen door:
mr. M.L.P. van Cruchten, voorzitter,
mr. A.J.M. van Gink en mr. C.A. van Roosmalen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. H.M. Vos, griffier,
en op 15 december 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.