GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
zaaknummer : 200.308.978/01
zaaknummer rechtbank : C/01/357018 / FA RK 20-1347
beschikking van de meervoudige kamer van 7 september 2023
inzake
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat: eerder mr. P.P.J. de Bruijn, thans mr. A.M.W.A. Lhoëst-van de Ven,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: eerder mr. R. Kamphuis, thans mr. L.D.M. Rubens-Snijders.
1. Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 7 januari 2022, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2. Het geding in hoger beroep
De man is op 6 april 2022 in hoger beroep gekomen van genoemde beschikking van 7 januari 2022.
De vrouw heeft op 16 mei 2022 een verweerschrift ingediend.
Bij het hof zijn verder de volgende stukken ingekomen:
het journaalbericht van 6 september 2022 waaruit blijkt dat mr. L.D.M. Rubens-Snijders de zaak heeft overgenomen van haar kantoorgenoot mr. R. Kamphuis;
het journaalbericht van 13 december 2022 waaruit blijkt dat mr. P.P.J. de Bruijn zich heeft onttrokken als advocaat van de man;
het journaalbericht van 19 december 2022 waaruit blijkt dat mr. A.M.W.A. Lhoëst-van de Ven zich heeft gesteld als advocaat van de man;
de brief van de advocaat van de man van 26 april 2023 met producties 19 tot en met 22.
De mondelinge behandeling heeft op 10 mei 2023 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. De advocaat van de man heeft ter mondelinge behandeling een pleitnotitie overgelegd.
3. De feiten
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:
a. Partijen zijn op 16 augustus 1968 te [plaats] , België, met elkaar gehuwd, na het
maken van Belgische huwelijkse voorwaarden, inhoudende een uitsluiting van iedere
gemeenschap van goederen zonder enig verrekenbeding.
De man heeft de Nederlandse nationaliteit. De vrouw heeft de Belgische nationaliteit.
De vrouw is sinds 25 april 1980 eigenaar van de woning aan [adres] (hierna: de woning).
Partijen hebben op 10 december 2005 een schuldbekentenis opgesteld en ondertekend (productie 8 vws man eerste aanleg). Zij zijn daarbij het volgende overeengekomen:
“ [plaats] , 10 december 2005
Schuldbekentenis.
In goed overleg zijn [de vrouw] geboren [geboortedatum] 1946 en echtgenoot [de man] geboren [geboortedatum] 1943, gehuwd onder huwelijkse voorwaarden, het volgende overeengekomen:
Bij verkoop van het pand [adres] , kadastraal nummer [nummer] d.d. 25 april 1980, zal om welke reden dan ook 22% van de vraagprijs of minimaal euro 75.000.-- (vijf en zeventig duizend euro), direct betaald worden aan haar echtgenoot [de man] .
Ook indien een van de partijen eist of indien het gewenst is, dat het huis verkocht dient te worden i.v.m. bijvoorbeeld dat het huwelijk zal worden ontbonden, ook scheiding van tafel en bed, of anderszins, zal 22% van de vraagprijs of het minimale bedrag van euro 75.000.-- per direct aan hem betaald worden, ook als door eigenares dan bepaald wordt dat het pand dan niet wordt verkocht en zij erin blijft wonen of het gaat verhuren.
De taxatie dient te geschieden door een of twee erkende makelaars of indien partijen het wenselijk vinden, samen in goed overleg.
Alle kosten door [de man] gemaakt of te maken ten uitoefening of handhaving van bovengenoemde recht, komen voor rekening van [de vrouw] .
Alle betalingen dienen overhandigd te worden in handen van [de man] of op een door hem aan te wijzen rekening.
Bij overlijden van [de vrouw] vervalt uiteraard deze schuldbekentenis of als [de man] hiervan afziet.
Aldus opgemaakt in 2-voud
Voor accoord:
[de vrouw] [de man] ”
Op 31 maart 2020 heeft de vrouw het verzoek tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank Oost-Brabant. Daarop is bij de bestreden beschikking van 7 januari 2022 de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 6 mei 2022 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
4. De omvang van het geschil
Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, het volgende beslist:
“3.2. veroordeelt de man om helft van de waarde van de beleggingsportefeuille bij de [bedrijf 1] N.V., zijnde € 11.992,29 aan de vrouw te betalen;
veroordeelt de vrouw om ten titel van een vergoedingsrecht aan de man een bedrag van € 6.014,98 te betalen;
verklaart de beschikking, behalve voor zover het de echtscheiding betreft, uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat elke partij de eigen kosten van deze procedure draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.”
De man verzoekt het hof de bestreden beschikking van 7 januari 2022 (gedeeltelijk) te vernietigen en opnieuw rechtdoende:
“1. een erkende makelaar te benoemen die de vraagprijs van de woning te [adres] zal bepalen;
2. de vrouw te veroordelen tot het betalen van de kosten van de door uw gerechtshof te benoemen makelaar;
3. de vrouw te bevelen om binnen twee weken na de betekening van de door uw gerechtshof te wijzen beschikking haar volledige medewerking te verlenen aan het door de door uw gerechtshof te benoemen makelaar bepalen van de vraagprijs van de woning te [adres] , op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500 voor iedere dag of deel van een dag dat de vrouw, haar medewerking weigert;
4. de vrouw te veroordelen om, binnen veertien dagen na de dag waarop de beschikking wordt gewezen, aan de man het bedrag te betalen dat overeenkomt met 22% van de – door uw gerechtshof te benoemen makelaar bepaalde – vraagprijs van de woning te [adres] , met een minimum van € 75.000, en vermeerderd met de wettelijke rente over het door de vrouw aan de man verschuldigde bedrag, vanaf de dag waarop de vraagprijs is bepaald tot de dag der algehele voldoening, althans om aan de man het bedrag te voldoen zoals door uw gerechtshof in goede justitie te bepalen;
5. de vrouw te veroordelen om, binnen veertien dagen na de dag waarop de beschikking wordt gewezen, aan de man, uit hoofde van zijn vergoedingsrecht, het bedrag te betalen ad € 11.784,80, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de dag waarop de beschikking wordt gewezen tot de dag der algehele voldoening, althans om aan de man het bedrag te voldoen zoals door uw gerechtshof in goede justitie te bepalen.”
De vrouw heeft verweer gevoerd. Zij verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen en het hoger beroep van de man af te wijzen.
De man heeft in hoger beroep vijf grieven gericht tegen de bestreden beschikking. Zijn grieven zien op de volgende onderwerpen:
schuldbekentenis (grief 1 tot en met 3);
beleggingsportefeuille [bedrijf 1] N.V. (grief 4);
vergoedingsrecht (grief 5).
Het hof zal hierna de grieven per onderwerp bespreken.
5. De motivering van de beslissing
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat het verzoekschrift van de vrouw is ingediend na 29 januari 2019 (namelijk op 31 maart 2020), wordt de bevoegdheid van de Nederlandse rechter om van de verzoeken kennis te nemen, bepaald aan de hand van de Verordening (EU) 2016/1103 van de Raad van 24 juni 2016 tot uitvoering van de nauwere samenwerking op het gebied van de bevoegdheid, het toepasselijke recht en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van huwelijksvermogensstelsels (HuwVermVo). Aangezien de bevoegdheid van de Nederlandse rechter inzake de echtscheiding volgt uit het bepaalde in art. 3 lid 1 sub a eerste streepje Brussel II-bis (partijen hebben hun gewone verblijfplaats in Nederland) brengt rechtsmacht in de echtscheidingszaak op grond van art. 5 lid 1 HuwVermVo ook rechtsmacht mee met betrekking tot het verdelingsverzoek.
De rechtbank heeft Nederlands recht toegepast. Daartegen zijn geen grieven gericht, zodat ook het hof Nederlands recht zal toepassen (zie de conclusie van AG Vlas voor HR 27 april 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BV6684).
Schuldbekentenis (grief 1 tot en met 3)
De rechtbank heeft het volgende overwogen:
“2.7.22. De man heeft gesteld dat partijen in 2005 een schuldbekentenis zijn overeengekomen. Partijen zijn volgens de man tot deze schuldbekentenis gekomen, omdat zij in hun vrienden- en kennissenkring met echtscheidingen te maken kregen, waarbij een van de partijen grotendeels zonder enige financiële middelen uit de procedure kwam. Dat wilden partijen, zo begrijpt de rechtbank het door de man gestelde, voor hen beiden voorkomen reden waarom de vrouw een bedrag schuldig heeft erkend aan de man. Daar op dit moment sprake is van een verzoek tot echtscheiding is de vordering nu opeisbaar, aldus de man.
De vrouw heeft het bestaan van de schuldbekentenis niet betwist, maar onder meer gesteld dat deze schuldbekentenis in 2005 niet is opgesteld in verband met de ophanden zijnde echtscheiding nu, zo begrijpt de rechtbank het door de vrouw gestelde, er pas in 2020 een verzoek tot echtscheiding is ingediend. Gelet daarop is niet voldaan aan het gestelde in artikel 1:100 BW nu niet gesteld kan worden dat de overeenkomst is aangegaan in het licht van de echtscheiding reden waarom de overeenkomst nietig is.
De rechtbank overweegt als volgt.
Blijkens artikel 1:100 lid 1 BW kunnen echtgenoten met het oog op de aanstaande ontbinding van hun huwelijk een overeenkomst sluiten. Niet in geschil is dat op 10 december 2005 de overeenkomst is gesloten. Eerst op 31 maart 2020, bijna vijftien jaar later, wordt het verzoekschrift tot echtscheiding bij de rechtbank ingediend. De rechtbank is van oordeel dat daardoor niet kan worden geoordeeld dat de overeenkomst met het oog op de aanstaande ontbinding is gesloten. Daarvoor is de tijdspanne tussen de datum van ondertekening van de overeenkomst en de datum van indiening van het inleidend verzoekschrift tot echtscheiding te groot. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat de overeenkomst nietig is. De rechtbank heeft in de beoordeling tevens de omstandigheid betrokken dat de man, om voor de rechtbank niet goed te begrijpen redenen, niet eerder een beroep heeft gedaan op deze overeenkomst, terwijl die kennelijk in zijn optiek juist was bedoeld om een disbalans in vermogen tussen partijen na hun uiteengaan op te heffen. Het verzoek van de man zal dan ook worden afgewezen.”
De grieven 1 tot en met 3 van de man keren zich het oordeel van de rechtbank dat de door partijen op 10 december 2005 ondertekende schuldbekentenis (productie 8 vws man, eerste aanleg) nietig is. Hij voert het volgende aan. Artikel 1:100 BW is niet van toepassing. Partijen zijn niet in gemeenschap van goederen gehuwd, maar op huwelijkse voorwaarden. Evenmin is de schakelbepaling, destijds, van art. 1:122 BW van toepassing nu ten aanzien van de woning geen sprake is van een beperkte gemeenschap. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, ziet de schuldbekentenis niet alleen specifiek op de situatie van een echtscheiding. De schuldbekentenis ziet sec op de verschuldigdheid van het bedrag van € 75.000,-- van de vrouw aan de man en laat de reden voor de verschuldigdheid in het midden. De verschuldigdheid van het door de vrouw aan de man te betalen bedrag vloeit weliswaar voort uit het huwelijk van partijen, maar staat geheel los van de echtscheiding van partijen, zoals die thans speelt. Partijen zijn geen geldigheidsduur overeengekomen die het beroep op de overeenkomst beperkt. Het stond de man dan ook vrij om het moment te kiezen waarop hij dat zou doen. In hoger beroep heeft hij zijn verzoek gewijzigd. Met een beroep op de schuldbekentenis verzoekt hij het hof de vrouw te veroordelen om, binnen veertien dagen na de dag waarop de beschikking wordt gegeven, aan de man te betalen een bedrag dat overeenkomt met 22% van de – door het hof te benoemen makelaar bepaalde – vraagprijs van de woning, met een minimum van € 75.000,--, en vermeerderd met de wettelijke rente over het door de vrouw aan de man verschuldigde bedrag, vanaf de dag waarop de vraagprijs is bepaald tot de dag der algehele voldoening, althans om aan de man het bedrag te voldoen die het hof juist acht.
De vrouw heeft verweer gevoerd. Zij is het eens met het oordeel van de rechtbank dat de schuldbekentenis nietig is vanwege het bepaalde in art. 1:100 BW. De schuldbekentenis is daarnaast ook nietig op grond van art. 1:115 BW. Hetgeen partijen in de schuldbekentenis zijn overeengekomen moet worden aangemerkt als een huwelijkse voorwaarde nu deze verplichtingen bevat die afwijken van hetgeen partijen voorafgaand aan het huwelijk bij huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen. Een wijziging van huwelijkse voorwaarden tijdens het huwelijk dient te worden aangegaan bij notariële akte op straffe van nietigheid (art. 1:114 jo 1:115 BW). Dit is niet gebeurd. De schuldbekentenis is daarom nietig.
Verder beroept zij zich erop dat de inhoud van de schuldbekentenis geen grondslag biedt voor toewijzing van het verzoek van de man. Zij verwijst daarbij naar de tekst van de schuldbekentenis die luidt: “Ook indien een der partijen eist of indien het gewenst is, dat het huis verkocht dient te worden i.v.m. bijvoorbeeld dat het huwelijk zal worden ontbonden”. Volgens de vrouw kan de man hier geen beroep op doen, nu zij als eigenaar enkel bevoegd is tot het besluit de woning te verkopen, en zij heeft dit voornemen niet. Ook niet nu sprake is van een scheidingssituatie. De ontbinding van het huwelijk leidt dus niet tot verkoop van de woning en daarmee ontstaat er naar de letter van de schuldbekentenis geen vordering van de man.
Tot slot beroept de vrouw zich op vernietiging van de schuldbekentenis vanwege de aanwezigheid van het wilsgebrek ‘misbruik van omstandigheden’ (art. 3:44 BW). De schuldbekentenis is louter en alleen op initiatief van de man tot stand gekomen. Hij heeft deze bedacht en heeft de schuldbekentenis ook opgesteld. Dit zonder enig overleg. Vervolgens heeft de man bij de vrouw zeer indringend aangedrongen op ondertekening van de schuldbekentenis. Hij heeft daarbij misbruik gemaakt van de afhankelijke en kwetsbare positie van de vrouw in de huwelijkse situatie. Hij had dit dienen te beseffen en de vrouw niet moeten verleiden tot deze ondertekening. Dit geldt temeer nu de vrouw bij de ondertekening van de schuldbekentenis onder invloed was van alcohol, waar zij tijdens haar huwelijk haar vlucht toe had genomen.
Het hof overweegt als volgt.
De grieven van de man slagen. Het hof zal hierna uitleggen waarom.
Nietigheid
Het beroep van de vrouw op nietigheid van de schuldbekentenis gaat niet op. Anders dan de vrouw betoogt, is art. 1:100 BW niet van toepassing. Deze bepaling ziet op de ontbonden huwelijksgemeenschap, maar van enige huwelijksgemeenschap is geen sprake. Partijen hebben iedere gemeenschap van goederen uitgesloten. De schuldbekentenis kan daarom niet nietig zijn vanwege art. 1:100 BW.
Evenmin is de schuldbekentenis nietig in de zin van art. 1:115 BW. De schuldbekentenis vormt geen (wijziging van) huwelijkse voorwaarde(n). De schuldbekentenis bevat geen verplichting die afwijkt van hetgeen partijen voorafgaand aan het huwelijk zijn overeengekomen. In het bijzonder blijft de uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen onaangetast (de vrouw is en blijft enig eigenaar van haar woning). De vrouw heeft op zich genomen de man een geldsom van ten minste € 75.000,-- te betalen in nader specifiek omschreven gevallen (samengevat: bij verkoop van de woning of op het moment dat de man dit eist). Deze verbintenis tot betaling van een geldsom, die partijen zelf hebben aangemerkt als schuldbekentenis, is geen huwelijkse voorwaarde.
Tekst van de schuldbekentenis
Het hof volgt de vrouw niet in haar stelling dat de tekst van de schuldbekentenis in de weg staat aan toewijzing van het verzoek van de man. Uit de tekst volgt dit niet. Toepassing van de Haviltex-maatstaf (HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG 4158, NJ 1981, 635) leidt er eveneens toe dat partijen (ook) in de situatie dat de vrouw de woning niet wil verkopen, de bedoeling hebben gehad dat de vrouw aan de man een bedrag van € 75.000,-- of 22% van de vraagprijs van de woning zal voldoen. Feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat partijen iets anders hebben bedoeld, heeft de vrouw niet aangevoerd.
Misbruik van omstandigheden
Volgens art. 3:44 lid 4 BW is misbruik van omstandigheden aanwezig, wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden. Krachtens art. 150 Rv rust de stelplicht – en bij voldoende gemotiveerde betwisting ook de bewijslast – van misbruik van omstandigheden op de vrouw.
Voor een gerechtvaardigd beroep op misbruik van omstandigheden geldt dat sprake moet zijn van een situatie, waarin (in dit geval) de man wist of moest begrijpen dat de vrouw door bijzondere omstandigheden werd bewogen tot het ondertekenen van de schuldbekentenis, terwijl die wetenschap de man had moeten weerhouden van het bevorderen van dat ondertekenen. De vrouw heeft gesteld dat zij tijdens het huwelijk in een afhankelijke en kwetsbare positie verkeerde en dat zij de schuldbekentenis heeft getekend onder invloed van alcohol en druk van de man. Deze – betwiste – stellingen zijn echter op geen enkele wijze door de vrouw onderbouwd, zodat haar beroep op misbruik van omstandigheden niet kan slagen.
Slotsom
Uit het voorgaande volgt dat het beroep van de vrouw op (1) nietigheid van de schuldbekentenis, (2) het ontbreken van een grondslag voor toewijzing van het verzoek en (3) het bestaan van een wilsgebrek (misbruik van omstandigheden), niet op gaat. Dit betekent dat de grieven van de man slagen en dat het hof het verzoek van de man zal toewijzen.
Overeenkomstig het verzoek van de man is het hof thans voornemens een deskundige te benoemen voor de bepaling van de vraagprijs van de woning. Partijen worden in de gelegenheid gesteld op dit voornemen te reageren en – bij voorkeur eensluidend – voorstellen te doen ten aanzien van de persoon van de te benoemen deskundige. Het hof zal de zaak daartoe aanhouden. Gelet op het bepaalde in de schuldbekentenis komen de kosten van de deskundige voor rekening van de vrouw. Partijen zullen ook in de gelegenheid worden gesteld zich over de peildatum voor de bepaling van de vraagprijs van de woning uit te laten.
Beleggingsportefeuille [bedrijf 1] N.V. (grief 4)
De rechtbank heeft de man veroordeeld om de helft van de waarde van de beleggingsportefeuille bij de [bedrijf 1] N.V., zijnde € 11.992,29, aan de vrouw te betalen. Daartoe heeft de rechtbank in rov. 2.7.7 en verder het volgende overwogen:
“Tussen partijen is niet in geschil dat de beleggingsportefeuille op beider naam stond en evenmin dat deze in 2008 is beëindigd. Voorts is niet meer in geschil dat aan de man is uitgekeerd een bedrag van in totaal € 23.984,58 (€ 16.000,- + € 2.982,68 + € 1,90 + € 5.000,-). Partijen verschillen echter nog van mening over de vraag of sprake is geweest van een eenvoudige gemeenschap, als gevolg waarvan de vrouw thans nog een vorderingsrecht op de man heeft ter zake de helft van het aan de man uitgekeerde bedrag.
De rechtbank is van oordeel dat de man, gelet op het door de vrouw ingenomen standpunt, onvoldoende heeft onderbouwd dat slechts hij heeft bijgedragen aan de opbouw van de beleggingsportefeuille. Nu sprake was van een portefeuille op beider naam is de vrouw naar het oordeel van de rechtbank derhalve gerechtigd tot de helft van het saldo. Dit leidt tot het oordeel dat aan de vrouw toekomt een bedrag van € 11.992.29. De rechtbank zal de man veroordelen om dit bedrag aan de vrouw te voldoen.”
Hiertegen keert zich grief 4 van de man. Hij betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de vrouw gerechtigd is tot de helft van het saldo dat aan de man is uitgekeerd nadat in 2008 de beleggingsportefeuille bij de [bedrijf 1] N.V. is beëindigd. Van een eenvoudige gemeenschap was geen sprake. De inleg op de beleggingsrekening was volledig afkomstig van de man. De vrouw heeft hieraan niets bijgedragen. Zij had geen inkomen. Dat de beleggingsportefeuille op beider naam stond, betekent nog niet dat de vrouw gerechtigd is tot de helft van het saldo daarvan. Volgens vaste jurisprudentie is immers niet de tenaamstelling van een bank- of beleggingsrekening bepalend voor de vraag wie de rechthebbende is op het saldo, maar gaat het er om wie welk bedrag op de betreffende rekening heeft gestort. Nu de inleg op de beleggingsrekening alleen van hem afkomstig was, is hij ook als enige gerechtigd tot het saldo van deze rekening. De vordering van de vrouw tot verdeling van het saldo van de beleggingsrekening dient daarom alsnog te worden afgewezen.
De vrouw heeft verweer gevoerd. Zij is het eens met de beslissing van de rechtbank en handhaaft haar in eerste aanleg ingenomen standpunt dat aan haar de helft toekomt van het aan de man uitgekeerde bedrag van de beleggingsportefeuille bij de [bedrijf 1] N.V. nu deze beleggingsportefeuille op beider naam stond. Zij betwist dat de beleggingsrekening alleen met inkomen/vermogen van de man werd gevoed.
Het hof overweegt als volgt.
De man heeft de stelling van de vrouw, dat beide partijen gerechtigd waren tot het saldo op de beleggingsrekening, onvoldoende gemotiveerd weersproken. Mede gelet op hetgeen de vrouw naar voren heeft gebracht ter zake het gezamenlijke inkomen van partijen, lag het op de weg van de man om nader uit te leggen waarom de beleggingsrekening op naam van beiden stond als alleen hij gerechtigd zou zijn tot het saldo daarvan. Dat heeft hij nagelaten. Grief 4 van de man faalt mitsdien.
Vergoedingsrecht (grief 5)
Grief 5 van de man houdt in dat de rechtbank ten onrechte het vergoedingsrecht van de man met betrekking tot zijn investeringen in de woning van de vrouw heeft beperkt tot een bedrag van € 6.014,98. Naast dit bedrag komt uit hoofde van een vergoedingsrecht aan hem ook nog een bedrag van in totaal € 5.769,82 toe. Met privémiddelen heeft hij voor de vrouw betaald:
een bedrag van in totaal fl. 10.750,-- (€ 4.878,14) aan [bedrijf 2] , zijnde een voorschotbetaling van fl. 4.000,-- (€ 1.815,12) op de offerte en het uiteindelijke restantbedrag van fl. 6.750,-- (€ 3.063,02) voor de plaatsing van een schouw;
een bedrag van in totaal fl. 1.000,-- (€ 453,78) aan [bedrijf 3] voor het leveren en plaatsen van dubbelglas;
een bedrag van fl. 965,-- (€ 437,90) ter voldoening van de factuur van 30 augustus 1996 aan [bedrijf 4] .
De vrouw heeft verweer gevoerd. Aan de man komt geen vergoedingsrecht toe. De betalingen zijn verricht met inkomsten uit de gezamenlijke onderneming [onderneming] die partijen in de vorm van een VOF voerden. De door de man genoemde bedragen zijn dus door partijen gezamenlijk betaald en niet door hem alleen.
Het hof stelt het volgende voorop. Als niet-weersproken staat vast dat de betalingen waarvoor de man aanspraak maakt op een vergoedingsrecht, alle betrekking hebben op investeringen in de woning van de vrouw. Met de door de man als productie 17 in hoger beroep in het geding gebrachte facturen, bankafschriften en kwitanties, is het hof van oordeel dat de man genoegzaam heeft aangetoond dat aan hem een vergoedingsrecht toekomt van in totaal € 5.769,82. Uit die stukken kan worden afgeleid dat hij in 1996 met privévermogen een bedrag van in totaal € 4.878,14 aan [bedrijf 2] heeft betaald, alsmede een bedrag van € 453,78 aan [bedrijf 3] en € 437,90 aan [bedrijf 4] . Derhalve heeft de man met privévermogen geïnvesteerd in privévermogen van de vrouw, zodat aan hem ingevolge HR 12 juni 1987, NJ 1988/150, Kriek/Smit een (nominaal) vergoedingsrecht toekomt ter hoogte van de door hem gedane investering van in totaal (4.878,14 + 453,78 + 437,90 =) € 5.769,82. Aldus zal het hof bepalen. Grief 5 van de man slaagt.
6. De slotsom
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof beslissen zoals hierna in het dictum is bepaald.
7. De beslissing
Het hof:
bepaalt dat partijen binnen vier weken na de datum van deze beschikking het hof schriftelijk dienen te informeren omtrent hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 5.6.6 is bepaald, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de wederpartij;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.J. Vossestein, A.J.F. Manders en M.A. Ossentjuk, en is op 7 september 2023 uitgesproken in het openbaar door mr. A.J.F. Manders in tegenwoordigheid van de griffier.