ECLI:NL:GHSHE:2025:844

ECLI:NL:GHSHE:2025:844, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 27-03-2025, 200.308.978_01

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 27-03-2025
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 200.308.978_01
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:GHSHE:2023:2850
Formele relatie: ECLI:NL:GHSHE:2024:439
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 6 zaken
Aangehaald door 1 zaken
7 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827 BWBR0002656 BWBR0005291 CELEX:32003R2201 CELEX:32016R1103 EU:32003R2201 EU:32016R1103

Samenvatting

Personen- en familierecht, vermogensrechtelijke afwikkeling van huwelijk na echtscheiding.

Uitspraak

16. De beschikkingen van 7 september 2023, 15 februari 2024 en 3 oktober 2024

Bij de beschikking van 7 september 2023 heeft het hof, voor zover nu nog van belang, als volgt overwogen en beslist:

“Schuldbekentenis (grief 1 tot en met 3)

De grieven van de man slagen. Het hof zal hierna uitleggen waarom.

Nietigheid

Het beroep van de vrouw op nietigheid van de schuldbekentenis gaat niet op. Anders dan de vrouw betoogt, is art. 1:100 BW niet van toepassing. Deze bepaling ziet op de ontbonden huwelijksgemeenschap, maar van enige huwelijksgemeenschap is geen sprake. Partijen hebben iedere gemeenschap van goederen uitgesloten. De schuldbekentenis kan daarom niet nietig zijn vanwege art. 1:100 BW.

Evenmin is de schuldbekentenis nietig in de zin van art. 1:115 BW. De schuldbekentenis vormt geen (wijziging van) huwelijkse voorwaarde(n). De schuldbekentenis bevat geen verplichting die afwijkt van hetgeen partijen voorafgaand aan het huwelijk zijn overeengekomen. In het bijzonder blijft de uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen onaangetast (de vrouw is en blijft enig eigenaar van haar woning). De vrouw heeft op zich genomen de man een geldsom van ten minste € 75.000,-- te betalen in nader specifiek omschreven gevallen (samengevat: bij verkoop van de woning of op het moment dat de man dit eist). Deze verbintenis tot betaling van een geldsom, die partijen zelf hebben aangemerkt als schuldbekentenis, is geen huwelijkse voorwaarde.

Tekst van de schuldbekentenis

Het hof volgt de vrouw niet in haar stelling dat de tekst van de schuldbekentenis in de weg staat aan toewijzing van het verzoek van de man. Uit de tekst volgt dit niet. Toepassing van de Haviltex-maatstaf (HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG 4158, NJ 1981, 635) leidt er eveneens toe dat partijen (ook) in de situatie dat de vrouw de woning niet wil verkopen, de bedoeling hebben gehad dat de vrouw aan de man een bedrag van € 75.000,-- of 22% van de vraagprijs van de woning zal voldoen. Feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat partijen iets anders hebben bedoeld, heeft de vrouw niet aangevoerd.

Misbruik van omstandigheden

Volgens art. 3:44 lid 4 BW is misbruik van omstandigheden aanwezig, wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden. Krachtens art. 150 Rv rust de stelplicht – en bij voldoende gemotiveerde betwisting ook de bewijslast – van misbruik van omstandigheden op de vrouw.

Voor een gerechtvaardigd beroep op misbruik van omstandigheden geldt dat sprake moet zijn van een situatie, waarin (in dit geval) de man wist of moest begrijpen dat de vrouw door bijzondere omstandigheden werd bewogen tot het ondertekenen van de schuldbekentenis, terwijl die wetenschap de man had moeten weerhouden van het bevorderen van dat ondertekenen. De vrouw heeft gesteld dat zij tijdens het huwelijk in een afhankelijke en kwetsbare positie verkeerde en dat zij de schuldbekentenis heeft getekend onder invloed van alcohol en druk van de man. Deze – betwiste – stellingen zijn echter op geen enkele wijze door de vrouw onderbouwd, zodat haar beroep op misbruik van omstandigheden niet kan slagen.

Slotsom

Uit het voorgaande volgt dat het beroep van de vrouw op (1) nietigheid van de schuldbekentenis, (2) het ontbreken van een grondslag voor toewijzing van het verzoek en (3) het bestaan van een wilsgebrek (misbruik van omstandigheden), niet op gaat. Dit betekent dat de grieven van de man slagen en dat het hof het verzoek van de man zal toewijzen.

Overeenkomstig het verzoek van de man is het hof thans voornemens een deskundige te benoemen voor de bepaling van de vraagprijs van de woning. Partijen worden in de gelegenheid gesteld op dit voornemen te reageren en – bij voorkeur eensluidend – voorstellen te doen ten aanzien van de persoon van de te benoemen deskundige. Het hof zal de zaak daartoe aanhouden. Gelet op het bepaalde in de schuldbekentenis komen de kosten van de deskundige voor rekening van de vrouw. Partijen zullen ook in de gelegenheid worden gesteld zich over de peildatum voor de bepaling van de vraagprijs van de woning uit te laten.”

In de beschikking van 15 februari 2024 heeft het hof als volgt overwogen en beslist:

“10.1 In de tussenbeschikking van 7 september 2023 is geoordeeld dat “het beroep van de vrouw op (…) het ontbreken van een grondslag voor toewijzing van het verzoek (…) niet op gaat.”; (mede) op die grond is geoordeeld dat de grieven 1-3 van de man slagen en is, tot slot, overeenkomstig het verzoek van de man beslist dat het hof het voornemen heeft “een deskundige te benoemen voor de bepaling van de vraagprijs van de woning” (rov. 5.6.6).

Hiermee heeft het hof een geschilpunt, namelijk voor zover dit ziet op de inhoud van de schuldbekentenis, tussen partijen uitdrukkelijk en zonder voorbehoud beslist. In beginsel is het hof hieraan in het verdere verloop van het geding gebonden. Deze gebondenheid geldt echter niet onverkort. De eisen van de goede procesorde brengen immers tevens mee dat de rechter aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen.

Het hof ziet aanleiding om de zojuist weergegeven (bindende) eindbeslissing in heroverweging te nemen omdat deze mogelijk berust op een onjuiste juridische/feitelijke grondslag.

De vrouw heeft namelijk ook nog, zonder dat het hof daarop is ingegaan, aangevoerd dat:

- er alleen een verplichting jegens de man tot verrekening was in geval van “scheiding” (verweerschrift in hb, pt. 15);

- in de overeenkomst de vraagprijs van de woning als uitgangspunt is genomen voor de bepaling van de vordering met een minimum van € 75.000,--; een vraagprijs nooit uitgangspunt is bij waardering van woningen in het geval van verdelingen of verrekeningen; het een feit van algemene bekendheid is dat de waarde van de woning in het economisch verkeer uitgangspunt is en niet de vraagprijs (id., pt. 18).

Voorts maakt de (bindende) eindbeslissing niet duidelijk op welk moment “de vraagprijs” van de woning moet worden bepaald (hierna: de peildatum). De peildatum kan echter niet los worden gezien van de zin die partijen, ook overigens, in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen van de schuldbekentenis mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (Haviltex-maatstaf, HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158). Die onverbrekelijke samenhang blijkt ook uit de uitlatingen van partijen na de beschikking van 7 september 2023. De vrouw stelt bijvoorbeeld dat zij diverse verbouwingen heeft verricht, maar dat deze buiten de aan de man uit te keren overwaarde gehouden dienen te worden, aangezien deze hebben plaatsgevonden na het uiteengaan van partijen (in 2006). De man weerspreekt dit. Volgens hem maakt de schuldbekentenis geen onderscheid tussen autonome waardestijgingen en waardestijgingen veroorzaakt door verbouwingen.

Het hof zal partijen in de gelegenheid stellen, zich uit te laten over het voornemen van het hof terug te komen van de in rov. 5.6.6 genomen eindbeslissing zoals hiervóór in rov. 10.1 weergegeven.”

In de beschikking van 3 oktober 2024 heeft het hof, voor zover nu nog van belang, als volgt overwogen en beslist:

“14.1. Partijen hebben bij de onder 13 genoemde correspondentie gebruik gemaakt van de gelegenheid zich uit te laten over het voornemen van het hof terug te komen van de bindende eindbeslissing in de tussenbeschikking van 7 september 2023 als bedoeld in rov. 10.1 van de tussenbeschikking van 15 februari 2024.

(…)

In geschil is de uitleg van de door partijen op 10 december 2005 opgestelde en ondertekende schuldbekentenis (hierna: de schuldbekentenis). Het hof stelt het volgende voorop.

Volgens vaste rechtspraak dient de uitleg van een overeenkomst mede te geschieden aan de hand van de Haviltex-maatstaf. De Haviltex-maatstaf (HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158) luidt als volgt:

“De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht.”

In de Haviltex-maatstaf ligt besloten dat de uitleg dient te geschieden aan de hand van de wils-vertrouwensleer, zoals neergelegd in de artt. 3:33 en 3:35 BW. Het gaat er niet om te bepalen wat letterlijk in het convenant is neergelegd maar om wat partijen over en weer uit elkaars verklaringen redelijkerwijze mochten afleiden. Bij deze uitleg dient de rechter rekening te houden met alle bijzondere omstandigheden van het gegeven geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen (HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427).

In de schuldbekentenis is onder meer het volgende bepaald:

“(…). Bij verkoop van het pand [adres] , kadastraal nummer [nummer] d.d. 25 april 1980, zal om welke reden dan ook 22% van de vraagprijs of minimaal euro 75.000.-- (vijf en zeventig duizend euro), direct betaald worden aan haar echtgenoot [de man] .

Ook indien een van de partijen eist of indien het gewenst is, dat het huis verkocht dient te worden i.v.m. bijvoorbeeld dat het huwelijk zal worden ontbonden, ook scheiding van tafel en bed, of anderszins, zal 22% van de vraagprijs of het minimale bedrag van euro 75.000.-- per direct aan hem betaald worden, ook als door eigenares dan bepaald wordt dat het pand dan niet wordt verkocht en zij erin blijft wonen of het gaat verhuren. (…)”

Naar het oordeel van het hof hebben partijen met de schuldbekentenis beoogd de gevolgen van het beëindigen van hun relatie te regelen. Het hof wijst daarbij onder meer op de verklaring van de man dat partijen de schuldbekentenis hebben opgesteld omdat in die periode in hun vrienden- en kennissenkring sprake was van meerdere echtscheidingsgevallen (pt. 5 bs). Dat partijen die bedoeling hebben gehad kan tevens worden afgeleid uit de eerder door de vrouw handgeschreven en ondertekende schuldbekentenis van 21 november 2005 die kort vooraf ging aan, en is vervangen door, de schuldbekentenis van 10 december 2005 waarin een financiële regeling is getroffen is in het geval van “scheiding”. En voorts ook uit de gronden genoemd in de schuldbekentenis (ontbinding huwelijk en scheiding van tafel en bed). Het “anderszins” houdt dan, anders dan de man betoogt, niet in dat de man zonder meer, ongeacht hoe de relatie er voor staat en wanneer het hem goeddunkt € 75.000,-- of 22% van de “vraagprijs” van de vrouw kan eisen. Zo hoefde de vrouw de schuldbekentenis niet te begrijpen. Dit temeer niet, nu de man nergens duidelijk maakt hoe partijen op het bedrag van € 75.000,-- of 22% van de “vraagprijs” zijn gekomen en in het bijzonder in welke feiten de afgesproken betalingsverplichting haar grond vindt, en hoe partijen zijn uitgekomen op het bedrag van € 75.000,-- of 22% van de “vraagprijs”. Veeleer moet het “anderszins” als een uitbreiding van gevallen waarin sprake is van beëindiging van de relatie (direct aan het “anderszins” voorafgaand noemt de schuldbekentenis: einde huwelijk; scheiding tafel en bed) worden aangemerkt, zoals de vrouw heeft betoogd, namelijk bij “feitelijk uit elkaar gaan”. Op dat moment kon de man meteen aanspraak maken op het bedrag en tegen dat moment zal nu ook de bepaling van de “vraagprijs” (waaronder hier moet worden verstaan de waarde in het economisch verkeer, zie pt. 18 vws vrouw en reactie man d.d. 12 mrt 2024) van de woning moeten plaatsvinden.

Partijen zijn het erover eens dat zij in 2006 feitelijk uit elkaar zijn gegaan (zie brief vrouw d.d. 3 nov 2023 en brief man d.d. 11 apr 2024). Nu de man daarbij onweersproken heeft gesteld dat hij op 28 september 2006 de woning heeft verlaten, dient als peildatum voor de waardering van de woning 28 september 2006 te worden gehanteerd.

Bij journaalbericht van 2 oktober 2023 heeft de man het hof voorgesteld de heer [makelaar] van makelaarskantoor [naam] te [plaats] te benoemen als deskundige voor de waardering van de woning. Bij brief van 4 oktober 2023 heeft de vrouw hiermee ingestemd. (…)

Anders dan de vrouw (zie brief d.d. 4 okt 2023), ziet het hof geen aanleiding om de door haar aan de man te betalen vergoedingsrechten van € 6.014,98 en € 5.769,82 in mindering te brengen op de door de deskundige te bepalen waarde van de woning. De man heeft de stelling van de vrouw betwist terwijl onvoldoende gesteld is dat de vermogensverschuivingen die de grond vormden voor de vergoedingsrechten, hebben geleid tot relevante waardevermeerdering van de woning (het betrof o.m. de plaatsing van een schouw; dubbelglas (voor een bedrag van fl. 1.000,--); en een factuur van Deurencentrum van fl. 965,--). Deze uitgaven van in totaal € 5.769,82, alle uit 1996, kunnen, zonder nadere toelichting door de vrouw, die ontbreekt, niet gezegd worden 10 jaar later, op de peildatum, het waardevermeerderend effect te hebben gehad waarop de vrouw zich beroept. Dit geldt evenzeer voor het vergoedingsrecht van € 6.014,98 (dat een uitgave aan een keuken betrof).”

Het hof heeft vervolgens voornoemde heer [makelaar] als deskundige benoemd voor de beantwoording van de vraag:

Wat is per peildatum 28 september 2006 de waarde in het economisch verkeer van de woning aan de [adres] ?

17. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Na voormelde tussenbeschikking van 3 oktober 2024 heeft het hof kennis genomen van de inhoud van het taxatierapport van de deskundige, ingekomen op 9 december 2024.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om schriftelijk te reageren op voormeld taxatierapport. Zij hebben hiervan geen gebruik gemaakt.

18. De verdere beoordeling

In antwoord op de aan de deskundige voorgelegde vraag (zie rov. 16.4 hiervóór) heeft de deskundige in voornoemd taxatierapport de waarde van de woning aan de [adres] (hierna: de woning) getaxeerd op € 320.000,--.

Beide partijen hebben geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid te reageren op het taxatierapport (zie rov. 17.2 hiervóór). Het hof gaat er derhalve van uit dat partijen kunnen instemmen met de door de deskundige getaxeerde waarde van de woning, zodat ook het hof van die waarde uit zal gaan.

Met een beroep op de schuldbekentenis heeft de man het hof verzocht (zie rov. 4.2 bs 7-9-2023):

“de vrouw te veroordelen om, binnen veertien dagen na de dag waarop de beschikking wordt gewezen, aan de man het bedrag te betalen dat overeenkomt met 22% van de – door uw gerechtshof te benoemen makelaar bepaalde – vraagprijs van de woning te [plaats] , aan [adres] , met een minimum van € 75.000, en vermeerderd met de wettelijke rente over het door de vrouw aan de man verschuldigde bedrag, vanaf de dag waarop de vraagprijs is bepaald tot de dag der algehele voldoening, althans om aan de man het bedrag te voldoen zoals door uw gerechtshof in goede justitie te bepalen”

Het verzoek van de man in aanmerking nemende, alsook in het bijzonder hetgeen het hof over de schuldbekentenis heeft overwogen in rov. 14.4 tot en met 14.10 van de beschikking van 3 oktober 2024, leidt het vorenstaande tot de slotsom dat de vrouw zal worden veroordeeld om binnen veertien dagen na de dag van deze beschikking aan de man te betalen een bedrag van € 75.000,-- (en niet het lagere bedrag van de “vraagprijs” van de woning (22% x 320.000 =) ad € 70.400,--), dit te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van twee weken na de datum van deze beschikking tot aan de dag van algehele voldoening. Aldus zal het hof bepalen.

19. De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, alsook in de eerdere (tussen)beschikkingen van 7 september 2023, 15 februari 2024 en 3 oktober 2024, zal het hof beslissen zoals hierna in het dictum is bepaald.

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

20. De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 7 januari 2022 voor zover daarbij het verzoek van de man inzake de schuldbekentenis is afgewezen (dictum 3.7 in samenhang met rov. 2.7.24),

en in zoverre opnieuw rechtdoende, veroordeelt de vrouw om binnen veertien dagen na de dag van deze beschikking aan de man te betalen:

- een bedrag van € 75.000,--, dit te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van twee weken na de datum van deze beschikking tot aan de dag van algehele voldoening (rov. 18.4);

- een bedrag van € 5.769,82, dit te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van twee weken na de datum van deze beschikking tot aan de dag van algehele voldoening (rov. 5.13 bs 7-9-2023);

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank voor het overige;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G.J. Vossestein, A.J.F. Manders en M.A. Ossentjuk, en is op 27 maart 2025 uitgesproken in het openbaar door mr. A.J.F. Manders in tegenwoordigheid van de griffier.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?