Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 1 mei 2018, in de strafzaak met parketnummer 01-997597-15 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1979,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
De rechtbank heeft verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde:
“Gewoontewitwassen en medeplegen van gewoontewitwassen”;
veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 maanden met aftrek van voorarrest.
Tevens heeft de rechtbank beslissingen genomen omtrent het beslag.
De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen en de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf van 26 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en aftrek van voorarrest. Voor wat betreft het beslag heeft de advocaat-generaal gevorderd te beslissen overeenkomstig de rechtbank met dien verstande dat het hof tevens verbeurd zal verklaren het pand [adres 2] / [adres 3] .
De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit en heeft subsidiair een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis met uitzondering van de bewijsoverwegingen voor zover deze betrekking hebben op:
-de contante huurinkomsten over de periode gelegen tot en met 2010;
-de aftrek van contante kosten;
-het beschikbaarheid geld voor de inleg van effecten in 2008.
Verder verbetert het hof de kwalificatie en zal anders beslissen met betrekking tot de opgelegde straf en de beslissing omtrent het beslag.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft het in eerste aanleg gevoerde verweer herhaald dat verdachte integraal van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken, daartoe is met betrekking tot de navolgende afzonderlijke onderdelen van de tenlastelegging het navolgende naar voren gebracht.
Met betrekking onderdeel A (Contante stortingen)
Daartoe is gelijk als in eerste aanleg aangevoerd dat – kort gezegd – de contante stortingen in de periode van 1 januari 2010 tot en met 22 maart 2016 op diverse bankrekeningen een legale herkomst hebben te weten contante huuropbrengsten.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Vaststaat dat op de diverse onder onderdeel A van de ten laste gelegde bankrekeningen in de periode van 8 februari 2011 tot en met 31 maart 2016 contante stortingen hebben plaatsgevonden voor een totaalbedrag van € 1.019.180. Eveneens staat vast dat onder verdachte bij zijn aanhouding in 2016 een contant bedrag van € 39.864,- in beslag is genomen. Anders dan de rechtbank neemt het hof hierbij niet in aanmerking een bedrag van € 71.727, dat hij eind 2008 beschikbaar zou hebben gehad voor de inleg van effecten. De reden waarom deze post niet meegenomen wordt, volgt uit hetgeen hier verderop zal worden overwogen.
Kort gezegd heeft verdachte in de genoemde periode van 8 februari 2011 tot en met 31 maart 2016 een bedrag van (€ 1.019.180,- + € 39.864,-=) € 1.059.044 aan contant geld voorhanden gehad. De kernvraag is nu wat de herkomst van deze gelden is geweest.
De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij contante huurinkomsten vanaf 2006 heeft gehad. Die hij feitelijk zwart heeft gespaard en – nadat het besef bij hem doordrong dat hij in Nederland met zijn gezin wilde blijven – in gedeelten vanaf 2010 op de diverse ten laste gelegde bankrekeningen heeft gestort.
Naar aanleiding van de verklaringen van verdachte heeft de FIOD (p. 33 dossier) aan de hand van aangetroffen huurcontracten een theoretische opzet gemaakt van de contante huurinkomsten die verdachte over de periode van 2011 tot en met 2016 gehad heeft en is daarbij gekomen tot een bedrag van € 627.200,38 aan huurinkomsten waarvan een deel van € 254.979,88 per bank is ontvangen. Volgens de FIOD heeft verdachte derhalve (theoretisch) over de genoemde periode een bedrag van (€ 627.200,38 -/- € 254.979,88=)
€ 372.220,50 aan contante gelden voorhanden gehad waaruit voormelde contante stortingen deels gedaan kunnen zijn.
De rechtbank heeft de FIOD voor wat betreft de theoretische huurinkomsten en hetgeen daarvan per bank is betaald gevolgd (pagina 16 van het vonnis). Iets waartegen de verdediging noch de advocaat-generaal zich hebben verzet. Nu het hof evenmin reden heeft op dit punt anders te oordelen neemt het hof de overwegingen van de rechtbank in zoverre over.
De rechtbank heeft daarnaast aannemelijk bevonden dat verdachte eveneens contante huurinkomsten heeft gehad over de periode van 2006 tot en met 2010 en heeft deze becijferd op € 612.650,-.
Het hof volgt de rechtbank op dit punt niet en overweegt daartoe dat verdachte in de periode 2006 tot en met 2010 weliswaar contante huurinkomsten heeft gehad maar dat het onaannemelijk is dat verdachte deze tot 8 februari 2011 (de datum van de eerste contante storting op een bankrekening) heeft opgespaard om ze vervolgens in delen, gedurende een reeks van jaren, op verschillende bankrekeningen te storten. Voor zover verdachte daaromtrent anders heeft verklaard is deze verklaring onvoldoende concreet en verifieerbaar gebleken. Voor zover de verdediging hieromtrent een ander standpunt heeft ingenomen wordt dit verworpen. Ook wijst het hof het voorwaardelijk verzoek tot nader onderzoek naar de huuropbrengsten over de periode 2006-2010 af. Het hof acht dit onderzoek niet noodzakelijk aangezien de omvang van deze opbrengsten geen verklaring biedt voor de herkomst van de contante geldstortingen vanaf 2011.
Het gevolg van vorenstaand oordeel – waarbij enkel de contante huurinkomsten over de periode van 2011 tot en met 2016 aannemelijk worden bevonden als herkomst van de contante geldstortingen- is dat het hof anders dan de rechtbank (p. 17 van het vonnis) geen rekening zal houden met het geld dat verdachte per 2008 voor de inleg van effecten beschikbaar had. Dit moment valt immers buiten deze periode.
Dit betekent dat het hof tot uitgangspunt neemt dat verdachte over de periode van 2011 tot en met 2016 aan contante gelden (voor stortingen) ter beschikking had van € 372.220,50.
Vervolgens heeft de rechtbank op dat bedrag nog in mindering gebracht contante kosten van € 529.800,- die verdachte ten behoeve van de verhuur gemaakt heeft. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat nu niet duidelijk is of deze kosten per bank of contant zijn betaald, deze niet in mindering gebracht dienen te worden.
Het hof volgt de verdediging, in het voordeel van verdachte, in dit standpunt nu de onduidelijkheid omtrent het al dan niet contant betaald zijn van die kosten eveneens uit het dossier volgt (dossier p. 29).
Samenvattend
Uit het vorenstaande volgt dat het hof anders dan de rechtbank uitgaat van de navolgende opstelling:
Contante huurinkomsten 2011 t/m 2016: € 627.200,-
Per bank betaalde huurinkomsten 2011 t/m 2016: € 254.980,- (-/-)
Contant bedrag beschikbaar 2011 t/m 2016: € 372.220,-
Verdachte heeft op de diverse tot zijn beschikking staande rekeningen over de periode 2011 tot en met 2016 een contant bedrag gestort van € 1.019.180 en had bij zijn aanhouding in 2016 een bedrag van € 39.864,- voorhanden, in totaal derhalve € 1.059.044. Afgezet tegen voormelde contante huurinkomsten betekent dit een onverklaarbaar tekort van (€ 1.059.044 -/- € 372.220,-=) € 686.824,-.
Ondanks deze vaststelling volgt uit het vorenstaande derhalve ook dat een deel van de gedane contante stortingen wel verklaarbaar is uit legale contante (huur)inkomsten. Desalniettemin heeft de rechtbank op juiste wijze de ten laste gelegde geldbedragen van de contante stortingen bewezen nu in deze sprake is van “vermenging”. Niet is immers vereist dat de bewezenverklaarde gestorte geldbedragen geheel uit misdrijf afkomstig zijn: ook een voorwerp dat gedeeltelijk is gefinancierd met crimineel geld en voor het overige met legaal geld is van misdrijf afkomstig. Dit geldt in dit geval eens te meer omdat de omvang van de onverklaarbare gelden groter is dan de omvang van de verklaarbare gelden.
Derhalve volgt het hof de rechtbank in de bewezenverklaring en de overwegingen die daartoe hebben geleid met uitzondering van de overwegingen van de rechtbank ten aanzien van de contante huurinkomsten over de periode tot en met 2010, de aftrek van kosten en het geld dat verdachte in 2008 ter beschikking had voor de inleg van effecten.
Overig: contante stortingen
De verdediging heeft vervolgens (pleitnota p. 11 en 12, punten 1 tot en met 6) over de afzonderlijke ten laste gelegde contante stortingen de standpunten uit eerste aanleg herhaald.
Het hof heeft geen reden omtrent die standpunten anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan (pagina 20 en 21 van het vonnis), neemt die oordelen over en verwerpt op grond daarvan deze standpunten van de verdediging
Met betrekking onderdeel B (Overboekingen)
De verdediging heeft (pleitnota p. 12 en 13, punten 1 tot en met 9) over de afzonderlijke ten laste gelegde overboekingen de standpunten uit eerste aanleg herhaald.
Het hof heeft geen reden omtrent die standpunten anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan (pagina 21 t/m 25 van het vonnis), neemt die oordelen over en verwerpt op grond daarvan deze standpunten van de verdediging.
Met betrekking tot onderdeel C (Onroerend goed)
De verdediging heeft (pleitnota p. 14) over de aankoop van het pand gelegen aan [adres 3] / [adres 2] de standpunten uit eerste aanleg herhaald.
Het hof heeft geen reden omtrent die standpunten anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan (pagina 25 van het vonnis), neemt die oordelen over en verwerpt op grond daarvan deze standpunten van de verdediging.
Getuigen gehoord door de raadsheer-commissaris
De verwijzing door de verdediging (pagina 14 en 15 van de pleitnota) naar diverse door de raadsheer-commissaris gehoorde getuigen maakt vorenstaande oordelen niet anders.
Partiële vrijspraken
De rechtbank heeft (p. 20 tot en met 25 van het vonnis) verdachte partieel vrijgesproken van een aantal contante stortingen en overboekingen. Nu het openbaar ministerie – naast de verdachte – eveneens hoger beroep heeft ingesteld zijn voormelde deelvrijspraken wederom aan het oordeel van het hof onderworpen. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal echter aangegeven zich in deze partiele vrijspraken te kunnen vinden. Gelet op deze mededeling en de omstandigheid dat het hof evenmin aanleiding heeft omtrent die deelvrijspraken anders te beslissen, worden de beslissingen door de rechtbank op dat punt door het hof overgenomen.
Verbetering kwalificatie
De rechtbank heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als: “gewoontewitwassen en medeplegen van gewoontewitwassen”. Gelet op de inhoud van het bewezenverklaarde dient de kwalificatie echter te luiden: “Medeplegen van gewoontewitwassen”. Het hof verbetert deze kwalificatie.
Strafoplegging
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 maanden met aftrek van voorarrest. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat aan verdachte opgelegd dient te worden een gevangenisstraf van 26 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en aftrek van voorarrest. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat met een taakstraf kan worden volstaan.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen.
Blijkens het de verdachte betreffende uittreksel justitiële documentatie van 7 mei 2024 is verdachte niet eerder veroordeeld.
De landelijke oriëntatiepunten straftoemeting indiceren voor een fraudedelict met een schade bedrag van meer dan een miljoen euro een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden. Daarbij dient in het onderhavige geval nog in aanmerking te worden genomen dat verdachte van het witwassen een gewoonte heeft gemaakt, hetgeen strafverhogend werkt.
Het hof neemt een gevangenisstraf van 12 maanden tot uitgangspunt.
Daarnaast is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM in de fase van het hoger beroep overschreden.
Het hof stelt de aanvang van deze termijn op 2 mei 2018, zijnde het moment waarop door de verdediging hoger beroep is ingesteld.
Het einde van de termijn stelt het hof op de datum van dit arrest, zijnde 29 augustus 2024 waardoor de redelijke termijn van 2 jaren met ruim 4 jaren en 3 maanden is overschreden. Een deel van deze overschrijding is terug te voeren op een drietal getuigen die op verzoek van de verdediging in de fase van het hoger beroep zijn gehoord.
Het hof ziet in deze overschrijding aanleiding om in plaats van de hiervoor tot uitgangspunt genomen straf aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 8 maanden en aftrek van voorarrest.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de door de verdediging voorgestelde taakstraf niet past bij de ernst van het bewezenverklaarde.
Beslag
De rechtbank heeft verbeurd verklaard een contant aangetroffen geldbedrag van € 39.864,-, banktegoeden te bedrage van € 92.530,86 alsmede een effectendepot van € 546.310,16.
Het hof volgt de rechtbank in de verbeurdverklaring van het contant aangetroffen geldbedrag alsmede de banktegoeden. Nu dit voorwerpen zijn met betrekking tot welk de bewezenverklaarde feiten zijn begaan als bedoeld in artikel 33a, lid 1, onder b Sr. Dit is anders met betrekking tot het inbeslaggenomen effectendepot nu niet vaststaat dat dit depot enig verband heeft met de bewezenverklaarde feiten. Het hof zal derhalve niet overgaan tot verbeurdverklaring ervan en de teruggave daarvan aan verdachte gelasten.
Anders dan de rechtbank zal het hof wel verbeurd verklaren het pand gelegen aan het [adres 2] / [adres 3] nu dit een voorwerp is met betrekking tot welk de bewezenverklaarde feiten zijn begaan.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 47 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en de beslissing omtrent het beslag en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
-banktegoeden van € 92.530,86;
-contante gelden van € 39.864,-;
-onroerend goed gelegen aan de [adres 2] / [adres 3] ( [sectienummer] )
Gelast de teruggave aan verdachte van het effektendepot met een geschatte waarde van
€ 546.310,46
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Aldus gewezen door:
mr. J.T.F.M. van Krieken, voorzitter,
mr. A.C. Bosch en mr. F. van Es, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.H.W. van der Meijs, griffier,
en op 29 augustus 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.