AlgemeenDe rechtbank is op grond van het hierna volgende van oordeel dat de betrokkenheid van verdachte bij [medeverdachte 4] (hierna ook: de BV) van zodanige aard en omvang was dat de conclusie is gerechtvaardigd dat hij zelf deze rechtspersoon vanaf de oprichting feitelijk geheel beheerste en hiermee rechtshandelingen verrichtte als ware het een verlengstuk van hem zelf. De rechtbank rekent daarom de aan [medeverdachte 4] betaalde en door [medeverdachte 4] ontvangen bedragen (tevens) toe aan verdachte, en gaat hiermee voorbij aan het standpunt van verdachte, dat hij hierin geen rol heeft gehad.
De rechtbank gaat op grond van de resultaten van het opsporingsonderzoek en het verhandelde ter terechtzitting uit van het navolgende.
[medeverdachte 5] zat in 2008 en 2009 in zodanige financiële problemen en had een zodanig grote geldschuld aan verdachte dat hij geen kans meer zag deze terug te betalen. Verdachte heeft - naar zijn zeggen - [medeverdachte 5] willen helpen omdat hij potentieel in hem zag, onder andere door zijn financiële situatie op orde te krijgen. [medeverdachte 5] wilde zich na problemen in zijn bestaande dienstverband zelfstandig vestigen als IT- consulent. Verdachte heeft hem in dit verband geadviseerd hiervoor een BV op te richten, ter beperking van zijn uit het advieswerk mogelijk voortvloeiende aanzienlijke vermogensaansprakelijkheid risico’s. [medeverdachte 5] heeft om die reden toen [medeverdachte 4] opgericht, met van of via verdachte geleend geld. Op naam van de BV is een bankrekening geopend, en [medeverdachte 5] heeft daarbij onmiddellijk de enige bankpas met bijbehorende pincode aan verdachte afgegeven. Hij heeft ook de bankpas van zijn privé rekening aan verdachte afgegeven. Naar zijn verklaring ter zitting stond [medeverdachte 5] als het ware onder financiële curatele bij verdachte.
Verdachte en zijn broer [betrokkene 4] hadden in 2010 problemen met de gemeente omdat de horecavergunning voor hun restaurants [eetzaak] en [restaurant] was ingetrokken op grond van de Wet Bibob. [medeverdachte 5] was - naar hij zegt - blij dat verdachte hem zo goed hielp terwijl hij financieel geheel aan de grond zat en had daarom ingestemd met de inbreng van de restaurants in [medeverdachte 4] , ter verkrijging van een nieuwe horecavergunning. Zulks geschiedde, en [medeverdachte 5] zou als directeur de vergunninghouder zijn. Volgens [medeverdachte 5] was als vestigingsadres gekozen voor het boekhoudkantoor van verdachte om de aandacht van de gemeente af te leiden. De horecavergunning werd verleend en in oktober 2010 werd de zaak opnieuw geopend. [medeverdachte 5] is naar eigen zeggen ‘geen horecaman’. Volgens de broer van verdachte ( [betrokkene 4] ) kwam [medeverdachte 5] af en toe, keek wat ze deden en hielp heel af en toe mee. Hij kwam niet elke dag of elke week, dat was niet regelmatig.
[medeverdachte 5] had geen enkel zicht op financiële transacties van of met de BV. Hij had geen inzage in de bankbescheiden en wist niet welke geldstromen door de BV liepen en waarom.
[medeverdachte 5] heeft zijn IT-advieswerk vanuit de BV verricht, en de BV werd daarvoor betaald. Het zou om een aanzienlijke omzet zijn gegaan. Zijn kosten als adviseur bestonden voornamelijk uit brandstofkosten in verband met zijn vele afgelegde zakelijke kilometers. Hij kreeg deze kosten van verdachte vergoed als hij erom vroeg, mits hij ze kon aantonen. [medeverdachte 5] ontving van verdachte een zeer beperkt leefgeld. [medeverdachte 5] weet niet hoeveel omzet naar de BV is gegaan, maar wel dat het een aanzienlijk bedrag was. Achteraf kun je vinden dat dit allemaal heel merkwaardig is, maar [medeverdachte 5] kon geen kant op, naar hij ter zitting verklaarde. Hij kan, wil, of durft niet te zeggen waar het geld is gebleven.
Verdachte heeft verklaard dat hij hielp in de boekhouding omdat [medeverdachte 5] daarvan zelf geen verstand heeft, en dat hij voor hem alles naar de boekhouder bracht. Hij bundelde alle facturen en bonnetjes en zette ze op datum. Hij kreeg van de boekhouder een overzicht van uit te betalen lonen en van af te dragen belasting. Verdachte zag ook dat er gelden in de B.V. binnen kwamen, zag facturen van [medeverdachte 5] uit hoofde van zijn werkzaamheden binnen de B.V. en [medeverdachte 5] diende facturen bij verdachte in zoals kilometervergoedingen en declaraties van hotels. Verdachte zorgde er ook voor dat personeel in de bedrijven een arbeidsovereenkomst tekenden; [medeverdachte 5] was niet veel aanwezig.
Uit het dossier volgt dat verdachte op bankrekeningen van hemzelf dan wel van betrokken personen waarvan hij de rekening in gebruik had, althans tot wier rekeningen hij toegang had, ruim € 200.000,- heeft ontvangen van de rekening van [medeverdachte 4] met nummer [rekeningnummer 8] .
De boekhouder van verdachte en vervolgens ook van [medeverdachte 4] , de [betrokkene 7] van [boekhoudkantoor] , verklaarde dat verdachte de spreekbuis is van [medeverdachte 4] en ook alle zaken regelt met betrekking tot (onder andere) vergunningen. Alle papieren informatie van de verkoop van de restaurants aan de BV had hij van verdachte ontvangen. Hij had daarover geen contact gehad met [medeverdachte 5] . Verdachte deed zich voor als het administratieve brein voor [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] ; hij loopt als rode draad door het geheel heen. Verdachte leverde administratief alles aan van [eetzaak] . [medeverdachte 5] deed wel eens het computeronderhoud van het boekhoudkantoor, maar praatte nooit over [medeverdachte 4] . Als het boekhoudkantoor iets moest weten over administratieve zaken bij [medeverdachte 4] vroegen zij dat aan verdachte.
De rechtbank ziet zich in voornoemde conclusie nog bevestigd door onder meer het volgende.
Van de rekening van [medeverdachte 4] is een bedrag van ongeveer € 20.000,- overgemaakt naar de rekening van de partner van verdachte, [medeverdachte 1] . Verdachte heeft hierover verklaard dat hij aan een door hem zo genoemde [alias] , elektricien, contant € 20.000 had uitgeleend. Teneinde dat bedrag terugbetaald te krijgen heeft verdachte het ertoe geleid dat die “ [alias] ” voor [medeverdachte 4] een klus zou doen. Die [alias] heeft die klus ook verricht en verdachte heeft hem aan de BV laten factureren onder vermelding van het rekeningnummer van [medeverdachte 1] , zodat het geld via die rekening toch naar verdachte zou gaan.
Van de rekening van [medeverdachte 4] is op 12 juli 2013 een bedrag van ruim € 21.150,- overgemaakt naar de rekening van [betrokkene 2] , en van die rekening van [betrokkene 2] is vervolgens op dezelfde dag € 20.000 geboekt naar de partner van verdachte, [medeverdachte 1] . Het bankpasje van [betrokkene 2] was in bezit van verdachte. [betrokkene 2] was overleden op 22 juli 2012, derhalve een jaar eerder. Verdachte heeft hierover verklaard dat [betrokkene 2] vanaf 2011 samen met diens vriendin en andere familieleden/vrienden een goede klant van hem was in zijn café, en dat hij hem geld had geleend dat niet werd terugbetaald. Verdachte heeft na het overlijden van [betrokkene 2] bij diens zakenpartner gezeurd om terugbetaling van zijn geld. Eind 2012/ begin 2013 heeft verdachte die zakenpartner een klus bezorgd aan het pand [adres 5] bij [medeverdachte 4] , om daarmee die schuld van [betrokkene 2] in te lossen. Verdachte: “Ik heb toen een klus voor hem geregeld en gezorgd dat het bedrag direct op een van mijn rekeningen binnen zou komen.”
Verdachte heeft op 13 augustus 2012 een overboeking van € 50.000,- gedaan van zijn eigen rekening naar de rekening van [medeverdachte 5] , onder vermelding van “lening tegen 10% rente”. Deze lening aan [medeverdachte 5] is niet door enig stuk onderbouwd, terwijl [medeverdachte 5] heeft verklaard dat hij het niet weet, dat hij hier niet in gekend is, dat hij geen beschikking had over zijn rekeningen, en dat hij het bankpasje van zijn privérekening pas in de tweede helft van 2012 heeft teruggekregen. Ten tijde van het opmaken van het eindproces-verbaal was nog steeds geen onderliggende overeenkomst verstrekt aan de verbalisanten.
Van de rekening van [medeverdachte 5] is een dag later, op 14 augustus 2012, € 50.000, - overgemaakt op rekening van [betrokkene 1] ten titel van aflossing lening dd 1 september 2010. [medeverdachte 5] heeft die lening gerelateerd aan het oprichten van [medeverdachte 4] , de overname van de inventaris van verdachte, en de daarvoor benodigde ongeveer € 50.000,-. Dit geld was in september 2010 bancair aan [medeverdachte 5] geleend door de vaste leverancier van vlees aan [eetzaak] , [betrokkene 1] , na bemiddeling door verdachte. Derhalve: [medeverdachte 5] leende in 2010 door tussenkomst van verdachte geld van de leverancier van het restaurant om de BV te kunnen oprichten, en om de BV de inventaris van verdachte te kunnen laten overnemen; twee jaar later leent [medeverdachte 5] geld van verdachte en krijgt dat op zijn rekening gestort zonder dat hij hier zelf van weet, en betaalt een dag later de lening aan de vleesleverancier af, eveneens zonder dat hij daar weet van heeft. Opvallend in dit geheel is nog dat de lening van [betrokkene 1] 5% rente bedroeg, dat niet is gebleken dat [betrokkene 1] om de aflossing had gevraagd, en dat de lening van verdachte 10% rente bedraagt.Hoewel deze leningen kennelijk aan [medeverdachte 5] privé zijn verstrekt is naar oordeel van de rechtbank de link naar [medeverdachte 4] en het daarin gedreven restaurant duidelijk aanwezig.
De rechtbank gaat er tevens vanuit dat de ten laste gelegde bancaire handelingen waarbij de bankrekening van [medeverdachte 2] ( [rekeningnummer 18] ) is betrokken, zijn uitgevoerd door verdachte, nu hij in het bezit was van het bankpasje en verdachte (uiteindelijk na overboeking) zelf de begunstigde was ten aanzien van de grote daarop contant gestorte geldbedragen. Daarbij is eveneens van belang dat de [medeverdachte 2] reeds vanaf eind maart 2015 vertrokken is met onbekende bestemming en uit het dossier niet is gebleken dat hij over grote geldbedragen kon beschikken.
Verdachte heeft verklaard (p. 425 ev) dat hij op de volgende bankrekeningen kon storten: - de rekening van zijn partner, [medeverdachte 1] [rekeningnummer 5]- zijn eigen rekeningen [rekeningnummer 1] en [rekeningnummer 2]- de rekening van [cafe 2] [rekeningnummer 4]- de rekening van [cafe 1] [rekeningnummer 3]
Over de bankrekening genummerd [rekeningnummer 7] van [medeverdachte 3] , de schoonmoeder van verdachte:de getuige [medeverdachte 3] heeft verklaard (p. 520-521) dat haar dochter de enige is die aan internetbankieren doet voor haar en dat haar dochter haar pincode heeft. Zij kan geen verklaring geven voor de storting van € 15.000,-. Verdachte heeft verklaard wel eens samen met zijn partner [medeverdachte 1] een overboeking te hebben gedaan van de bankrekening van [medeverdachte 3] .
De afzonderlijke gedachtenstreepjes van de tenlastelegging De rechtbank heeft voor de leesbaarheid een nummering aangebracht in de gedachten-streepjes in de tenlastelegging. Deze nummering zal telkens in de overwegingen tussen haakjes worden aangegeven.
Met betrekking tot de overboekingen van en naar de rekening van [medeverdachte 3] :
1. (Stortingen op de rekening van [verdachte] en [cafe 1] ): - geldbedragen (totaal (circa) 421.320,- euro) contant gestort en/of doen of laten storten, op rekening ten name van [verdachte] met [rekeningnummer 1] en
2. (Stortingen op de rekening van [cafe 2] )
3. (Stortingen op de rekening van [medeverdachte 1] )
5. (Stortingen op de rekening van [medeverdachte 3] )
6. (Stortingen op de rekening van [medeverdachte 4] ) - geldbedragen (totaal (circa) 55.000,- euro) contant gestort en/of doen of laten storten, op rekening ten name van [medeverdachte 4] met [rekeningnummer 8] en
1. (Overboekingen [medeverdachte 5] , [rekeningnummer 9] )
-een geldbedrag (50.000,- euro) overgeboekt/overgemaakt en/of doen of laten overboeken/overmaken, van de rekening ten name van [verdachte] met [rekeningnummer 1] naar de rekening ten name van [medeverdachte 5] met rekeningnummer [rekeningnummer 9] , onder vermelding van "lening tegen 10% rente" en
2. (Overboekingen [betrokkene 2] , [rekeningnummer 11] )
3. (Overboekingen [medeverdachte 4] [rekeningnummer 8] )
4. (Overboekingen [medeverdachte 3] , [rekeningnummer 7] )
5. (Overboekingen [medeverdachte 2] , [rekeningnummer 6] )
6. (Overboekingen [medeverdachte 1] , [rekeningnummer 5] )
7. (Overboekingen [verdachte] , [rekeningnummer 1] en [rekeningnummer 2] )
De rechtbank zal vrijspreken waar het betreft de ten laste gelegde storting van € 25.000,- (A.1.3) op rekening van verdachte en/of [cafe 1] nu de rechtbank het aannemelijk acht dat dit contante opbrengst betreft van het café zodat van witwassen geen sprake kan zijn.
Dit geldt eveneens voor het gedeelte, groot € 23.815,-, van de ten laste gelegde storting van € 73.965,- (A.2) ten name van [cafe 2] , nu de rechtbank het aannemelijk acht dat het gedeelte van € 23.815,-, contante opbrengst betreft van het café. De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen dat de storting van geldbedragen die resteren, in totaal € 50.150,-, een witwashandeling betreft omdat dat bedrag geen legale herkomst heeft.De rechtbank heeft hierbij tevens gewicht toegekend aan het feit dat de betreffende 5 stortingen van in totaal € 50.150,- allemaal hebben plaatsgevonden op 22 februari 2013, binnen een tijdsbestek van totaal 11 minuten, bij dezelfde automaat, met hetzelfde pasje.
Wat betreft de storting van € 15.870,- (A.5): de rechtbank zal vrijspreken waar het betreft de storting van 870,- op de rekening van [medeverdachte 3] , de schoonmoeder van verdachte, omdat is gebleken dat zij dit bedrag tegoed had in verband met werkzaamheden in het Poolse restaurant.
Wat betreft de overige stortingen (opgeteld € 1.019.180,-, A.1.1, A.1.2, A.2, A.3, A.4, A.5, A.6) oordeelt de rechtbank dat deze stortingen witwashandelingen betreffen die verdachte heeft gepleegd omdat door deze stortingen de herkomst is verhuld en eveneens is verhuld wie de rechthebbende is, terwijl van die geldbedragen is komen vast te staan dat deze geen legale herkomst hebben.
De rechtbank is van oordeel dat voor wat betreft de overboeking van € 50.000,- op 13 augustus 2012 van de rekening van verdachte naar de rekening van [medeverdachte 5] sprake is van witwassen. Met deze overboeking ten titel van (uit-)lening, en daarmee in een vervolgtraject de schijn wekkend van een legale herkomst, is de herkomst van dat geld verhuld, terwijl gelet op de omstandigheid dat verdachte – zoals hiervoor aangegeven – onder andere op zijn eigen rekeningen meer gelden heeft gestort dan hij legaal voorhanden heeft gehad, het niet anders kan zijn dan dat dit geld afkomstig is van enig misdrijf. De rechtbank komt verder ten aanzien van dit bedrag tot de slotsom dat deze geen dubbeltelling inhoudt omdat al rekening was gehouden met de stortingen, nu deze enkel zijn berekend aan de hand van de door verdachte volgens hem contant genoten huuropbrengsten, en het verstrekken van de lening niet is aangemerkt als een uitgaaf daaruit.
De rechtbank is van oordeel dat de overboeking van € 50.000,- op 14 augustus 2012 van de rekening van [medeverdachte 5] naar de rekening van getuige [betrokkene 1] (B.1.2) ten titel van aflossing lening d.d. 1 september 2010, eveneens dient te worden aangemerkt als witwassen, nu daags daarvoor op deze rekening van [medeverdachte 5] eenzelfde bedrag is ingekomen, waarvan de rechtbank heeft bevonden dat dit van misdrijf afkomstig is. Hieraan doet niet af dat [betrokkene 1] indertijd daadwerkelijk – in verband met de overname van de inboedel en de oprichting van de BV – een dergelijk bedrag had geleend aan [medeverdachte 5] en de onderhavige overboeking de terugbetaling van die lening betreft.
De overboeking van € 45.000,- van de rekening van [medeverdachte 2] naar de rekening van [medeverdachte 5] (B.1.3: zoals hiervoor reeds overwogen gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte zelf deze overboekingen verrichtte, met gebruikmaking van de bankrekening van [medeverdachte 2] . Hierbij is ten aanzien van de onderhavige overboekingen tevens nog van belang dat deze hebben plaatsgevonden in januari 2016, terwijl de [medeverdachte 2] toen al met onbekende bestemming was vertrokken. De vermelding “lening” wordt niet door enig stuk onderbouwd. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte met deze overboeking heeft verhuld dat hijzelf de rechthebbende was van de gelden op de rekening van [medeverdachte 2] , en hiermee de herkomst heeft verhuld, terwijl ze niet anders dan van enig misdrijf afkomstig kunnen zijn.
De overboeking van € 21.150,80 van de rekening van [medeverdachte 4] naar die van [betrokkene 2] (B.2.1) en die van € 20.000,- van [betrokkene 2] naar de partner van verdachte (B.2.2):Verdachte beschikte over de bankpas van [betrokkene 2] en voornoemde stortingen vonden beide plaats op 12 juli 2013, terwijl de heer [betrokkene 2] op 22 juli 2012 al was overleden. De rechtbank verwijst voor wat betreft deze overboekingen naar hetgeen zij reeds hierover heeft opgemerkt onder het kopje ‘Algemeen’, waarin de rechtbank tot de conclusie komt dat verdachte de rechtspersoon [medeverdachte 4] beschouwde als een verlengstuk van zichzelf. Verder merkt de rechtbank nog op dat [betrokkene 2] geen pand huurde van de partner van verdachte, zodat de vermelding “achterstallige huur” bij de overboeking van € 20.000,- ook al om die reden de waarheid bemantelt. Voorts blijkt uit het dossier dat verdachte gebruik maakte van de rekening van zijn partner en van daar uit bedragen overmaakte naar op zijn eigen naam staande rekeningen.
Van de rekening van [medeverdachte 4] zijn diverse bedragen overgeboekt. De rechtbank overweegt hierover als volgt:
Met betrekking tot de overboekingen van de rekening van [medeverdachte 2] :
Met betrekking tot de overboekingen van de rekening van [medeverdachte 1] :
€ 131.000,- eerst op de rekening van zijn partner heeft verzameld en het toen naar zichzelf heeft gestort. De omschrijvingen vulde hij in om te verhullen wat de echte reden van de overboekingen was. De rechtbank acht dit onderdeel van de tenlastelegging aldus wettig en overtuigend bewezen.
- € 50.145,35 € 50.145,35 van de rekening van [cafe 2] naar de rekening van [medeverdachte 1] (B.6.6): verdachte heeft ter terechtzitting van 16 april 2018 verklaard dat hij het bedrag van € 50.145,35 op deze wijze heeft overgeboekt om zo min mogelijk te laten opvallen dat het geld naar hemzelf toe ging. De rechtbank acht dit onderdeel van de tenlastelegging aldus wettig en overtuigend bewezen.
Met betrekking tot de overboekingen van de rekening van verdachte [verdachte] naar de rekeningen van de [cafe 1] € 107.500,- (B.7.1) en [cafe 2] € 19.000,- (B.7.2):
De rechtbank acht deze onderdelen van de tenlastelegging wettig en overtuigend bewezen omdat verdachte met de omschrijvingen “lening” steeds heeft verhuld dat hij als privépersoon de rechthebbende was van dat geld. Van een lening is in beide situaties geen sprake geweest.
Met betrekking tot het pand [adres 2] / [adres 5] Eindhoven (C):
De rechtbank heeft hiervoor reeds overwogen dat verdachte over een groot onverklaarbaar vermogen beschikte waarvan niet anders kan worden geconcludeerd dan dat dat een illegale herkomst had. Dit vermogen is voor een groot deel contant gestort op bankrekeningen. Op grond van de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte, door het pand voor een bedrag van € 625.000,- te kopen, heeft verhuld dat het geld waarmee dat pand is aangeschaft een niet legale herkomst heeft.
Daar waar de witwashandelingen stortingen op en overboekingen van de bankrekening van [medeverdachte 4] betreffen, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte die handelingen tezamen en in vereniging met [medeverdachte 4] heeft gepleegd.
Gelet op de aard, omvang en periode gedurende welke verdachte de activiteiten in de vorm van stortingen en overboekingen heeft ontplooid, acht de rechtbank eveneens bewezen dat verdachte van dit witwassen een gewoonte heeft gemaakt.
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
1.
in de periode vanaf 01 januari 2010 tot en met 22 maart 2016, te Eindhoven,
tezamen en in vereniging met een ander van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,
- door (uit hoofde van voornoemde gewoonte) van voorwerpen, te weten geldbedragen en onroerend goed, de werkelijke aard en de herkomst te verhullen en/of te verhullen wie de rechthebbende op die geldbedragen en onroerend goed was en/of wie die geldbedragen en onroerend goed voorhanden had,
en/of
- door (uit hoofde van voornoemde gewoonte) voorwerpen, te weten geldbedragen en onroerend goed, te verwerven, voorhanden te hebben, over te dragen en/of om te zetten en/of van voorwerpen, te weten geldbedragen en onroerend goed, gebruik te maken,
zulks terwijl hij en/of zijn mededader telkens wist(en) dat, die geldbedragen / dat onroerend goed - onmiddellijk of middellijk - geheel of gedeeltelijk afkomstig waren uit enig misdrijf,
immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader
telkens (uit hoofde van voornoemde gewoonte)
A. (Contante stortingen)
- geldbedrag(en) (totaal (circa) 222.800,- euro) contant gestort en/of doen of laten storten, op rekening ten name van [verdachte] met [rekeningnummer 2] en
- geldbedragen (totaal (circa) 50.150,- euro) contant gestort en/of doen of laten storten, op rekening ten name van [cafe 2] met [rekeningnummer 4] en
- geldbedrag(en) (totaal (circa) 44.310,- euro) contant gestort en/of doen of laten storten, op rekening ten name van [medeverdachte 1] met [rekeningnummer 5] en
4.(Stortingen op de rekening van [medeverdachte 2] )
- geldbedragen (totaal (circa) 210.600,- euro) contant gestort en/of doen of laten storten, op rekening ten name van [medeverdachte 2] met [rekeningnummer 6] en
- geldbedragen (totaal (circa) 15.000,- euro) contant gestort en/of doen of laten storten, op rekening ten name van [medeverdachte 3] met [rekeningnummer 7] en
B. (Overboekingen)
- 50.000,- euro overgeboekt/overgemaakt of doen of laten overboeken/overmaken, van de rekening ten name van [medeverdachte 5] met rekeningnummer [rekeningnummer 9] naar de rekening ten name van [betrokkene 1] met [rekeningnummer 10] , onder vermelding van "aflossing lening d.d. 1 september 2010" en
- geldbedragen (totaal (circa) 45.000,- euro) overgeboekt/overgemaakt en/of doen of laten overboeken/overmaken, van de rekening ten name van [medeverdachte 2] met [rekeningnummer 6] naar de rekening ten name van [medeverdachte 5] met rekeningnummer [rekeningnummer 9] , onder vermelding van "lening" en
- een geldbedragen (21.150,80 euro) overgeboekt/overgemaakt en/of doen of laten overboeken/overmaken, van de rekening ten name van [medeverdachte 4] met [rekeningnummer 8] naar de rekening ten name van [betrokkene 2] met rekeningnummer [rekeningnummer 11] , onder vermelding van " [klusbedrijf] ; factuur met nummer 213112. De factuurdatum: 19-01-2013" en
- een geldbedrag (20.000,- euro) overgeboekt/overgemaakt en/of doen of laten overboeken/overmaken, van de rekening ten name van [betrokkene 2] met rekeningnummer [rekeningnummer 11] naar de rekening ten name van [medeverdachte 1] met [rekeningnummer 5] , onder vermelding van "achterstallige huur" en
-van de rekening ten name van [medeverdachte 4] met [rekeningnummer 8] overgeboekt/overgemaakt en/of doen of laten overboeken/overmaken van
* geldbedragen van in (totaal 19.879,- euro) naar de rekening ten name van [medeverdachte 1] met [rekeningnummer 5] onder vermelding van onder andere "all connections” en * geldbedragen (totaal (circa) 198.355,58 euro) naar de rekening ten name van [verdachte] met [rekeningnummer 1] onder vermelding van onder andere "salaris en/of loon en/of eindafrekening gas water elektra en/of huur en/of borg" en
* geldbedragen (totaal (circa) 23.103,- euro) naar de rekening(en) ten name van [medeverdachte 2] met [rekeningnummer 6] onder vermelding van "rente plus saldo aflossing lening en/of reiskosten vergoeding" en *een geldbedrag (56.080,- euro) naar de rekening(en) (ten name van [medeverdachte 2] ) met [rekeningnummer 6] naar " [interieurbouw] " onder vermelding van: factuurnr 2015103" en
- geldbedragen (totaal (circa) 20.408,98 euro) overgeboekt/overgemaakt en/of doen of laten overboeken/overmaken, van de rekening(en) ten name van [verdachte] met rekeningnummer(s) [rekeningnummer 1] en/of [rekeningnummer 2] naar de rekening ten name van [medeverdachte 3] met [rekeningnummer 7] , onder vermelding van onder andere "lening"
en
-een geldbedrag (2.000,- euro) overgeboekt/overgemaakt en/of doen of laten overboeken/overmaken, van de rekening ten name van [medeverdachte 3] met [rekeningnummer 7] naar de rekening ten name van [verdachte] met [rekeningnummer 1] onder vermelding van "lening" en
-één of meer geldbedrag(en) (totaal (circa) 30.000,- euro) overgeboekt/overgemaakt en/of doen of laten overboeken/overmaken, van de rekening ten name van [medeverdachte 3] met [rekeningnummer 7] naar de rekening ten name van [medeverdachte 1] met [rekeningnummer 5] , onder vermelding van onder ander "huur" en
-van de rekening ten name van [medeverdachte 2] met [rekeningnummer 6] overgeboekt/overgemaakt en/of doen of laten overboeken/overmaken van
* geldbedragen (totaal (circa) 124.575,- euro) naar de rekening ten name van [verdachte] met [rekeningnummer 1] onder vermelding van onder andere "lening tbv huis kopen tegen 5 procent rente tbv ID debiteur: 127927220" en/of "achterstallige huur [adres 3] 8.02 ID debiteur: 127927220" en
*een geldbedrag (63.500,- euro) naar de rekening ten name van [verdachte] met [rekeningnummer 2] onder vermelding van onder andere "lening tegen 10 procent rente" en
* geldbedragen (totaal (circa) 20.018,55 euro) naar de rekening ten name van [medeverdachte 1] met [rekeningnummer 5] onder vermelding van onder andere "huurachterstand" en
-van de rekening ten name van [medeverdachte 1] met [rekeningnummer 5] overgeboekt/overgemaakt en/of doen of laten overboeken/overmaken van
* geldbedragen (totaal (circa) 330.500,- euro) naar de rekening(en) ten name van [verdachte] met [rekeningnummer 1] en/of [rekeningnummer 2] onder vermelding van onder andere "huurbetaling" en/of "lening" en
* een geldbedrag (1.500,- euro) naar de rekening(en) ten name van [medeverdachte 2] met [rekeningnummer 6] en - geldbedragen (totaal (circa) 131.000,- euro) overgeboekt/overgemaakt en/of doen of laten overboeken/overmaken, van de rekening(en) ten name van [verdachte] met [rekeningnummer 1] en/of [rekeningnummer 2] naar de rekening ten name van [medeverdachte 1] met [rekeningnummer 5] , onder vermelding van onder andere "huurbetaling" en/of "lening" en
-een geldbedrag (50.145,35 euro) overgeboekt/overgemaakt en/of doen of laten overboeken/overmaken, van de rekening(en) ten name van [cafe 2] met [rekeningnummer 4] naar de rekening ten name van [medeverdachte 1] met [rekeningnummer 5] , onder vermelding van onder andere "lening tbv hypotheek" en
-van de rekening(en) ten name van [verdachte] met rekeningnummer(s) [rekeningnummer 1] en/of [rekeningnummer 2] overgeboekt/overgemaakt en/of doen of laten overboeken/overmaken van
* geldbedragen (totaal (circa) 107.500,- euro) naar de rekening ten name van [cafe 1] met [rekeningnummer 3] , onder vermelding van onder andere "lening" en
* geldbedragen (totaal (circa) 19.000,- euro) naar de rekening ten name van [cafe 2] met [rekeningnummer 4] , onder vermelding van onder andere "lening" en
C. (Onroerend goed)
het pand, gelegen aan de [adres 2] / [adres 3] te Eindhoven, gekocht voor een bedrag van 625.000,- euro.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
De strafbaarheid van het feit.
Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf en/of maatregel.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
De officier van justitie heeft daarbij aangevoerd dat, gelet op de aard en complexiteit van de zaak, de redelijke termijn niet is overschreden.
Tevens heeft de officier van justitie verbeurdverklaring gevorderd van:
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
In het geval de rechtbank tot enige bewezenverklaring komt, is namens verdachte verzocht om oplegging van een taakstraf.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte waaronder zijn draagkracht.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan (het medeplegen van) gewoontewitwassen gedurende een aanzienlijke periode.Door zijn gedragingen heeft verdachte bijgedragen aan het verhullen en daarmee aan het zicht van de opsporingsautoriteiten onttrekken van verdiensten uit criminele activiteiten. Dit opsporingsbelang is tevens een breed gedragen maatschappelijk belang en raakt daarmee de samenleving als zodanig. Dit verhullen vindt plaats op zodanige wijze dat daar een maatschappij-ontwrichtende werking van uit gaat. Het vormt een bedreiging voor de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer ernstig aan.Daarbij lijkt verdachte uitsluitend en ongeremd gedreven door eigen materieel gewin, zonder zich te bekommeren om de gevolgen van zijn gedragingen voor de samenleving waar hij deel van uitmaakt.
In het voordeel van verdachte is acht geslagen op het feit dat verdachte blijkens het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie geen voor de onderhavige zaak relevante antecedenten heeft.
Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten ter zake fraude. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.
De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf.
De rechtbank zal echter een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat, de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.
Bij de bepaling van de hoogte van de vrijheidsstraf heeft de rechtbank tevens de bijkomende straf van verbeurdverklaring laten meewegen, zoals hierna vermeld.
De rechtbank is van oordeel dat de redelijke termijn niet is overschreden. Zij heeft hierbij rekening gehouden met de bijzondere omstandigheden in deze zaak, te weten de omvang van het opsporingsonderzoek en het onderzoek dat heeft plaatsgevonden naar de huurinkomsten. Het vorenstaande laat onverlet dat de rechtbank in strafmatigende zin wel acht heeft geslagen op het tijdverloop in deze zaak.
Oplegging van een taakstraf, zoals door de verdediging verzocht, acht de rechtbank geen passende afdoening voor een witwas-zaak van deze omvang.
Beslag. Ten aanzien van de vordering tot verbeurdverklaring van de banktegoeden en het effectendepot, stelt de rechtbank voorop dat conservatoir beslaglegging geen beletsel is voor verbeurdverklaring en dat artikel 34 van het Wetboek van Strafrecht daartoe in beginsel de grondslag biedt. Laatstgenoemde wetsbepaling biedt de verdachte de keuze om verbeurd verklaarde voorwerpen uit te leveren of de door de rechter in zijn uitspraak geschatte waarde te betalen, waarna de artikelen 24b en 24c Wetboek van Strafrecht overeenkomstige toepassing vinden. In geval van bewezenverklaring van witwassen kan worden gesteld dat het strafbare feit is begaan met betrekking tot deze voorwerpen. In zoverre zijn de voorwerpen vatbaar voor verbeurdverklaring ingevolge artikel 33a, lid 1, sub b, van het Wetboek van Strafrecht. Vereist voor de verbeurdverklaring is in beginsel dat de voorwerpen aan de verdachte toebehoren (artikel 33a, lid 1 en 2, Sr). Dit is niet betwist.
De rechtbank acht bewezen dat verdachte geldbedragen in de vorm van banktegoeden en geldbedragen, waarmee de effecten zijn aangekocht, heeft witgewassen.
De rechtbank is van oordeel dat artikel 34 Sr voldoende grondslag biedt voor het langs deze weg verbeurd verklaren van de banktegoeden en het effectendepot. De vordering van de officier van justitie kan dan ook worden toegewezen. Bij de vaststelling van de waarde van de banktegoeden en het effectendepot zal de rechtbank aansluiting zoeken bij de gegevens hieromtrent, vermeld op p. 21 van het aanvullend proces-verbaal/ontnemingsrapport.
De rechtbank is van oordeel dat het contante geld, ad € 39.864,-, waarop zowel strafvorderlijk als conservatoir beslag is gelegd, vatbaar is voor verbeurdverklaring omdat – zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit een voorwerp is met betrekking tot welke het feit is begaan en dit geld ten tijde van het begaan van het feit aan verdachte toebehoorde.
Gelet op de zwaarte van voormelde bijkomende straf en gelet op de omstandigheid dat het pand conservatoir in beslag is genomen, zal de rechtbank de vordering van de officier van justitie tot verbeurdverklaring van het horloge en het pand [adres 5] / [adres 2] afwijzen.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
Wetboek van Strafrecht art. 10, 24c, 27, 33, 33a, 34, 47, 57, 420ter.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:
primair gewoontewitwassen en medeplegen van gewoontewitwassen. verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
legt op de volgende straffen:
(t.a.v. primair:)
- een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht;
- - verbeurdverklaring van het in beslag genomen goed, te weten: het contante geld, ter waarde van EUR 39.864,-; - verbeurdverklaring van de banktegoeden met een geschatte waarde van EUR 92.530,86 en het effectendepot met een geschatte waarde van EUR 546.310,16;
Veroordeelde dient deze goederen uit te leveren of de geschatte waarde te betalen, bij gebreke van betaling te vervangen door 365 dagen hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. W.F. Koolen, voorzitter,
mr. M.T. van Vliet en mr. M.H. van Schaik, leden,
in tegenwoordigheid van mr. H.J.G. van der Sluijs, griffier,
en is uitgesproken op 1 mei 2018.
Mr. van Schaik is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.