ECLI:NL:GHSHE:2024:3794

ECLI:NL:GHSHE:2024:3794, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 21-11-2024, 20-002333-23

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 21-11-2024
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 20-002333-23
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBLIM:2020:508
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854

Samenvatting

Van het plegen van witwassen een gewoonte maken. Zaak die door het hof is afgesplitst van de strafzaak met parketnummer 20-000365-20. Het hof acht bewezen dat de verdachte een geldbedrag van in totaal € 443.230,-- heeft witgewassen.

Uitspraak

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 23 januari 2020, in de strafzaak met parketnummer 03-720585-17 tegen:

[verdachte] (voorheen genaamd: [verdachte] ),

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1979,

wonende te [adres 1] .

Hoger beroep

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Bij vonnis d.d. 23 januari 2020, gewezen onder parketnummer 03-720585-17, heeft de rechtbank Limburg een zestal feiten bewezenverklaard en de verdachte ter zake daarvan veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van voorarrest.

Het door de verdachte tegen dit vonnis ingestelde hoger beroep is door het hof behandeld onder parketnummer 20-000365-20. Op de terechtzitting van 22 augustus 2023 heeft het hof in die zaak de splitsing bevolen van het onder feit 3 tenlastegelegde en bepaald dat het hof te zijner tijd afzonderlijk uitspraak zal doen in de afgesplitste zaak, die vervolgens is geregistreerd onder parketnummer 20-002333-23. Wat betreft de onder 1, 2, 4, 5 en 6 tenlastegelegde feiten heeft het hof op 5 september 2023 onder parketnummer

20-000365-20 een arrest gewezen en de verdachte ter zake van die feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden, met aftrek van voorarrest.

Het bovenstaande leidt ertoe dat dit arrest uitsluitend betrekking heeft op de onder 3 primair en 3 subsidiair tenlastegelegde feiten, zoals die destijds zijn aangebracht bij de rechtbank Limburg in de strafzaak met parketnummer 03-720585-17. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat thans nog aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte ter zake van het onder 3 primair tenlastegelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden.

De verdediging heeft bepleit dat de verdachte integraal zal worden vrijgesproken van het onder 3 tenlastegelegde. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

3. primairhij, op één of meer tijdstip(pen), in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met

1 augustus 2017, in de gemeente Peel en Maas en/of elders in Nederland, althans in Nederland en/of in Duitsland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader,

a. van (een) voorwerp(en), te weten één of meer (grote) geldbedrag(en) van in totaal (ongeveer) EUR 728.681,--, althans (enig)e geldbedrag(en), de werkelijke aard en/of de herkomst verborgen en/of verhuld althans heeft/hebben hij en/of zijn mededader verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op dat/die geldbedrag(en) was/waren en/of wie voornoemd(e) geldbedrag(en) voorhanden had(den),

en/of

b. (een) voorwerp(en), te weten één of meer (grote) geldbedrag(en) van in totaal (ongeveer) EUR 728.681,--, althans enig(e) geldbedrag(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, althans van een of meerdere voorwerp(en) te weten één of meer (grote) geldbedrag(en) van in totaal (ongeveer) EUR 728.681,--, althans enig(e) geldbedrag(en) gebruik gemaakt,

terwijl hij en/of zijn mededader wist(en) dat bovenomschreven voorwerp(en), te weten één of meerdere (grote) geldbedrag(en) van in totaal (ongeveer) EUR 728.681,--, althans enig(e) geldbedrag(en) (telkens) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

3. subsidiairhij, op één of meer tijdstip(pen), in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met

1 augustus 2017, in de gemeente Peel en Maas en/of elders in Nederland, althans in Nederland en/of in Duitsland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,

van (een) voorwerp(en) te weten één of meer (grote) geldbedrag(en) van in totaal (ongeveer) EUR 728.681,--, althans (enig)e geldbedrag(en),

a. de werkelijke aard en/of de herkomst heeft/hebben verborgen en/of verhuld althans heeft/hebben hij en/of zijn mededader verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op voornoemd(e) geldbedrag(en) was/waren en/of wie voornoemd(e) geldbedrag(en) voorhanden had(den),

en/of

b. (een) voorwerp(en) te weten één of meer (grote) geldbedrag(en) van in totaal (ongeveer) EUR 728.681,--, althans enig(e) geldbedrag(en) heeft/hebben verworven en/of voorhanden heeft/hebben gehad en/of heeft/hebben overgedragen en/of heeft/hebben omgezet, althans van een of meerdere voorwerp(en) te weten één of meer (grote) geldbedrag(en) van in totaal (ongeveer) EUR 728.681,--, althans enig(e) geldbedrag(en) gebruik heeft/hebben gemaakt,

zulks terwijl hij, verdachte, en of zijn mededader (telkens) wist(en) althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat/die voornoemde geldbedrag(en), te weten één of meer (grote) geldbedrag(en) van in totaal (ongeveer) EUR 728.681,-, althans enig(e) geldbedrag(en) (telkens) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Partiële vrijspraak

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat sprake is van witwassen wat betreft de bedragen van (in totaal) € 229.150,-- aan “stortingen op overige bankrekeningen”,

€ 105.904,-- aan “overige contante betalingen” en € 119.837,-- aan “tekort NIBUD-norm”, dan wel de naderhand gecorrigeerde hoogte van die bedragen.

Uit de stukken in het dossier en hetgeen tijdens het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gebracht is het hof niet gebleken op basis waarvan de politie concludeert dat de verdachte gedurende de periode van de tenlastelegging de beschikking had over de bankrekening op naam van [bedrijf 1] waarop een deel van de contante bedragen uit de tenlastelegging zouden zijn gestort. Hierdoor kan naar het oordeel van het hof niet worden vastgesteld dat de verdachte deze gelden geheel (of gedeeltelijk) voorhanden heeft gehad in de zin van artikel 420bis, eerste lid onder b van het Wetboek van Strafrecht. Ten aanzien van de gelden die zijn gestort op de rekening op naam van [bedrijf 2] waarover de verdachte wel kon beschikken heeft het hof niet kunnen vaststellen op basis waarvan de daarop gestorte bedragen als vermoedelijk van misdrijf afkomstig dienen te worden aangemerkt. Wat betreft de ‘overige contante betalingen’ staat voor het hof niet buiten redelijke twijfel vast dat de verdachte beschikte over ander van misdrijf afkomstig vermogen dan de hierna te beschrijven en door het hof bewezen geachte witgewassen gelden om deze betalingen te kunnen verrichten. Hierdoor kan het hof niet uitsluiten dat er sprake is van een dubbeltelling.

Ten aanzien van het berekende ‘tekort NIBUD-norm’ is het hof eveneens van mening dat niet is gebleken dat de verdachte over ander van misdrijf afkomstig vermogen, dan de hierna te beschrijven en door het hof bewezen geachte witgewassen gelden, heeft beschikt waarmee hij in zijn levensonderhoud en dat van zijn partner heeft kunnen voorzien. Daarbij heeft het hof ook acht geslagen op de door de verdediging beschreven uitgaven voor vaste lasten vanaf de privérekening van de verdachte. Ook hier kan het hof niet uitsluiten dat er sprake is van een dubbeltelling. In zoverre wordt de verdachte vrijgesproken van het onder 3 primair en 3 subsidiair tenlastegelegde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 1 januari 2013 tot en met 1 augustus 2017, in de gemeente Peel en Maas en/of elders in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, voorwerpen, te weten grote geldbedragen van in totaal (ongeveer) EUR 443.230,-- verworven, voorhanden gehad en/of omgezet, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerpen, te weten grote geldbedragen van in totaal (ongeveer) EUR 443.230,--, althans enig(e) geldbedrag(en), telkens geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Op 12 september 2017 werd de woning van de verdachte aan [adres 2] (gemeente Peel en Maas) door de politie doorzocht. Tijdens die doorzoeking werden ter plaatse onder meer een hennepstekkerij, een hennepkwekerij en vuurwapens aangetroffen. Tijdens deze doorzoeking in de woning van de verdachte werden daarnaast op drie verschillende plaatsen contante geldbedragen aangetroffen. Op het dressoir in de woonkamer werd in een kabelontvanger/decoder een pakje geldbiljetten luchtdicht en in plastic geseald ingebouwd aangetroffen. Het ging om een bedrag van € 100.000,--, bestaande uit 200 biljetten van € 500,--. Bij onderzoek aan een muur-airco werden drie pakjes geldbiljetten luchtdicht en in plastic geseald aangetroffen. Het ging om een bedrag van € 60.000,--, bestaande uit 80 biljetten van € 500,--, 24 biljetten van € 200,-- en 304 biljetten van € 50,--.

Verder werd in de portemonnee van de verdachte nog een bedrag aangetroffen van

€ 1.245,--. In totaal is tijdens de doorzoeking dus een bedrag van € 161.245,-- aan contant geld aangetroffen en in beslag genomen.

Tijdens het zevende verhoor d.d. 15 september 2017 heeft de verdachte bij de politie verklaard dat het in de TV-receiver aangetroffen geld geheel zijn eigendom is. De briefjes van € 500,-- had hij zelf verpakt in plastic folie en in de receiver gestopt. Ook het geld dat is aangetroffen in de airco in de eetkamer is zijn eigendom en heeft de verdachte verpakt en daar neergelegd.

In het tegen de verdachte ingestelde strafrechtelijke onderzoek met de naam Sissipaha zijn van bankrekeningen de bankafschriften gevorderd, verkregen en geanalyseerd. Ook is onderzoek gedaan naar het legale inkomen van de verdachte en zijn (toenmalige) echtgenote [betrokkene 1] in de periode gelegen tussen 1 januari 2013 tot 1 augustus 2017. Dit onderzoek had tot doel te bepalen hoeveel contant geld de verdachte legaal ter beschikking had om daarmee de kosten van zijn levensonderhoud en andere privébestedingen en privébetalingen te kunnen voldoen en ook om te bepalen of en in hoeverre de verdachte in staat was om contante stortingen op zijn bankrekeningen te kunnen doen. Uit de analyse van de bankafschriften werd duidelijk dat onverklaarbare hoeveelheden gelden contant werden gestort op de privébankrekening van de verdachte en andere rekeningen, waaronder een rekening op naam van [betrokkene 2] waar de verdachte (na het overlijden van [betrokkene 2] ) over kon beschikken.

Uit het hiervoor bedoelde onderzoek blijkt dat in de periode 1 januari 2013 tot 1 augustus 2017 op de privébankrekening van de verdachte met nummer [rekeningnummer 1] de navolgende bedragen contant zijn gestort:

2013: € 44.050,--

2014: € 94.502,--

2015: € 34.820,--

2016: € 33.500,--

2017 (tot 1 mei): € 21.250,--

2017 (1 mei tot 1 augustus): € 2.000,--

Totaal: € 230.122,--

Voorts is uit het onderzoek naar voren gekomen dat op de privérekening van de verdachte giraal geld is overgemaakt vanaf de rekening [rekeningnummer 2] ten name van [bedrijf 3] met daarbij de omschrijving ‘huur’ dan wel ‘huur [adres 2] ’ en vanaf de rekening [rekeningnummer 3] ten name van [bedrijf 4] met de omschrijving ‘borg [adres 2] ’. Het gaat om de volgende bedragen:

[bedrijf 3] :

2016 € 4.000,--

2017 € 19.000,--

Totaal: € 23.000,--

[bedrijf 4] :

2016 € 4.000,--

Ten aanzien van [bedrijf 3] en [bedrijf 4] beschrijft de politie dat dit [bedrijf 3] ondernemingen betreft waar contante bedragen kunnen worden ingelegd die daarna giraal kunnen worden overgeboekt naar een bankrekening naar keuze, zoals de privébankrekening van de verdachte. Het is de politie ambtshalve bekend dat dit soort geld(wissel)kantoren in het criminele circuit worden gebruikt om wit te wassen. Ten aanzien van de omschrijvingen bij de overboekingen benoemt de politie dat uit het onderzoek naar voren is gekomen dat de transacties betrekking zouden hebben op een vermeende verhuur van [adres 3].

Voorts is uit het onderzoek naar voren gekomen dat de verdachte beschikte over de bankpas van de bankrekening [rekeningnummer 4] op naam van [betrokkene 2] . [betrokkene 2] is overleden op 25 april 2013. De politie heeft vastgesteld dat na het overlijden van [betrokkene 2] de rekening nog steeds actief was, dat er op deze bankrekening contante bedragen werden gestort en dat er vanaf 29 april 2014 bedragen onder de noemer ‘loods huur’ werden overgeboekt naar de privérekening van de verdachte. De verdachte verklaarde tijdens het zesde verhoor bij de politie dat hij de bankpas van deze rekening ontvangen had en dat hij deze pas gebruikte om contant geld te storten, dat vervolgens vanaf deze rekening naar zijn privérekening werd overgemaakt. Hiermee heeft de verdachte bevestigd dat hij over deze rekening kon beschikken en dat hij gebruik heeft gemaakt van de gestorte bedragen die mede vanwege het overlijden van de rekeninghouder een onverklaarbare herkomst hebben.

Het totale bedrag dat in de periode 2014 tot en met 2017 contant is gestort op de rekening op naam van [betrokkene 2] bedraagt volgens de berekening van de politie als volgt.

2014 € 25.700,--

2015 € 30.980,--

2016 € 35.760,--

2017 € 50.000,--

Totaal: € 142.440,--

De politie heeft onderzoek gedaan naar de legale inkomsten van de verdachte. Tijdens het ingestelde strafrechtelijke onderzoek bleek dat de verdachte zowel privé als zakelijk gebruik maakte van de diensten van administratiekantoor [bedrijf 5] te Eindhoven. Op 12 september 2017 werd van dat administratiekantoor de uitlevering gevorderd van de daar aanwezige administratieve historische gegevens en bescheiden van de verdachte en verkregen. Op basis van deze gegevens heeft de politie berekend dat de verdachte gedurende de periode vanaf 2013 tot en met 1 augustus 2017 een legaal nettoloon ontving van € 41.998,-- (€ 30.495,-- in 2016 en € 11.503,-- in 2017) en daarnaast via kasopnamen kon beschikken over € 117.577,-- aan legaal verkregen contant geld van zijn ondernemingen [bedrijf 6] en [bedrijf 7] .

De politie heeft ook onderzoek gedaan naar het inkomen van de (voormalige) echtgenote van de verdachte, [betrokkene 1] . Zij heeft een legaal nettoloon ontvangen vanuit de Handelsonderneming [bedrijf 6] . Daarnaast werden op haar bankrekening met nummer [rekeningnummer 5] inkomsten uit een WAJONG-uitkering, kinderbijslag en een kindgebondenbudget ontvangen. Uit het (aanvullend) onderzoek van de politie is naar voren gekomen dat het legale inkomen van [betrokkene 1] in de onderzoeksperiode in totaal

€ 51.109,-- bedroeg.

Bewijsoverwegingen

I.

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

II.

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van art. 420bis, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

Dat een voorwerp "afkomstig is uit enig misdrijf", kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Als door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij of zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.

Als de verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring.

Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als zo'n verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen.

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.

Uit het beschreven onderzoek van de politie komt naar voren dat de verdachte en zijn (toenmalig) echtgenote in de onderzoeksperiode van 1 januari 2013 tot 1 augustus 2017 een gezamenlijk legaal inkomen hadden uit loon en uitkeringen van € 93.107,--. Voorts kon de verdachte in deze periode beschikken over legaal verkregen contant geld uit de kas van zijn de ondernemingen tot een bedrag van € 117.577,--.

Daarnaast beschikte de verdachte in de onderzoeksperiode over een grote hoeveelheid contant geld in zijn woning en ontving hij op zijn privérekening en op een rekening op naam van een ander (contante) stortingen waar geen geldig economische verklaring voor kan worden gegeven.

Bij het in de woning van de verdachte gevonden contante geld ging het om een bedrag van

€ 100.000,-- (200 biljetten van € 500,--), dat in plastic geseald was opgeborgen in een TV-receiver, en een bedrag van € 60.000,-- (80 biljetten van € 500,--, 24 biljetten van € 200,-- en 304 biljetten van € 50,--), bestaande uit drie pakjes geldbiljetten die in plastic geseald waren opgeborgen in een muur-airco. In totaal betreft dit een bedrag van € 161.245,--.

Uit het hiervoor staande blijkt dat het aangetroffen contante geld voor een groot gedeelte bestond uit coupures van € 500,-- biljetten. Algemeen bekend is dat die biljetten sinds 27 april 2019 niet meer in omloop worden gebracht door de Europese Centrale Bank, omdat deze biljetten in verband worden gebracht met illegale activiteiten. Bij de politie heeft de verdachte verklaard dat deze gelden zijn eigendom zijn.

Ten aanzien van zijn privérekening ging het om € 230.122,-- aan ontvangen contante stortingen en € 27.000,-- aan ontvangen girale doorboekingen van contante stortingen op de rekeningen van [bedrijf 3] ondernemingen. De overige gelden waar de verdachte over kon beschikken zijn de gelden van de rekening op naam van [betrokkene 2] waarop - na diens overlijden - in de onderzoeksperiode onverklaarbare contante stortingen werden gedaan tot een bedrag van € 142.440,--.

De inkomsten van de verdachte en zijn (toenmalige) echtgenote [betrokkene 1] zijn ontoereikend om de herkomst van de contante geldbedragen die in zijn woning zijn aangetroffen en herkomst van de contante (door)stortingen op zijn privérekening en de rekening op naam van [betrokkene 2] waar de verdachte over kon beschikken te kunnen verklaren.

In totaal levert dat het volgende bedrag aan onverklaarbaar vermogen op:

Contante kasopnamen eigen onderneming - € 117.577,--

Contante stortingen privérekening € 230.122,--

Contante doorstortingen op de privérekening € 27.000,--

Contante stortingen rekening [betrokkene 2] € 142.440,--

Contante gelden in de woning van verdachte € 161.245,--

Totaal € 443.230,--

De legale inkomsten uit loon en uitkeringen heeft het hof niet meegenomen in de berekening omdat deze niet vermengd zijn met het onverklaarbare vermogen dat zijn oorsprong heeft in contante geldstromen. In het voordeel van de verdachte gaat het hof ervanuit dat dat bij de contante kasopnamen uit de ondernemingen wel het geval is.

Op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden acht het hof het vermoeden gerechtvaardigd dat deze geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn, wat betekent dat van de verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.

Verklaring verdachte (contante) stortingen op rekeningen

Over de contante stortingen van € 230.122,-- op zijn privébankrekening heeft de verdachte tijdens het vijfde verhoor d.d. 14 september 2017 op de vraag van de politie over de herkomst van die gelden geantwoord dat hij dat in de boekhouding moet nakijken en dat hij denkt dat het om de verkoop van auto’s gaat en huurpenningen (dossierpagina 173).

Ten aanzien van de girale overboekingen van in totaal € 27.000,-- afkomstig van [bedrijf 4] en [bedrijf 3] op zijn privérekening verklaarde de verdachte dat dit huurpenningen betreffen (dossierpagina 174).

Ten aanzien van de rekening op naam van [betrokkene 2] verklaarde de verdachte tijdens het zesde verhoor d.d. 14 september 2017 dat hij de bankpas van deze rekening ontvangen had van de huurders van zijn loods aan [adres 2] en dat hij deze pas met hun toestemming gebruikte om de huurpenningen vanaf de rekening van [betrokkene 2] op zijn privérekening te kunnen storten (dossierpagina’s 180 en 181).

Verklaring verdachte contante geldbedragen in de woning van de verdachte

Over het op 12 september 2017 in zijn woning aangetroffen contante geld verklaarde de verdachte tijdens het zevende verhoor d.d. 15 september 2017 bij de politie het volgende.

Het in de TV-receiver aangetroffen contante geld spaargeld heeft hij vanaf 2009 in de loop van de jaren met zijn ondernemingen bij elkaar gespaard. Daaraan heeft hij toegevoegd dat in het bedrag ook contante huurpenningen en/of borgsommen kunnen zitten die hij heeft ontvangen, hetgeen hij kan nakijken in zijn boekhouding. Het geld in de muur-airco is volgens de verdachte ook spaargeld dat afkomstig is uit zijn bedrijven en privé. Op de vraag waarom de verdachte het geld in een geheime bergplaats had verstopt, antwoordde hij dat dit het spaargeld is waar hij langere tijd niet aan wil komen en dat hij het geld niet op een spaarrekening van een bank heeft gezet omdat hij geen vertrouwen heeft in het bancaire systeem en omdat hij daar te weinig rente voor zou ontvangen (dossierpagina 184).

Tijdens het tiende verhoor d.d. 7 augustus 2018 verklaarde de verdachte dat het in zijn woning aangetroffen contante geldbedrag van in totaal € 161.245,-- geld is dat hij heeft verdiend in de zaak, van 2009, 2010, 2011 en deels 2012, dat het ook contant geld kan zijn wat hij na 2012 heeft verdiend, door privéopnamen uit de zonnestudio of verkoop van auto’s (dossierpagina 215).

Ter terechtzitting van de rechtbank d.d. 9 januari 2020 heeft de verdachte verklaard dat het contante geld afkomstig is van de handel in auto’s en de zonnestudio. Volgens de verdachte is het in de autohandel gebruikelijk om € 500,-- biljetten in contanten te gebruiken. De handel in auto’s was eigenlijk meer een hobby, aldus de verdachte.

Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 15 augustus 2023 heeft de verdachte in de zaak met parketnummer 20-000365-23 verklaard dat hij de in de woning aangetroffen contante geldbedragen heeft gespaard over de jaren 2010-2012 of 2009-2012. Ook heeft hij toen verklaard dat hij die gelden deels heeft aangewend om bijvoorbeeld auto’s aan te schaffen, maar dat hij het geld altijd heeft willen bewaren voor het geval de Belastingdienst zou komen met een navordering. Op nadere vragen van het hof heeft de verdachte over de herkomst van de aangetroffen geldbedragen verklaard dat als hij bijvoorbeeld een auto verkocht, hij het verkoopbedrag in coupures van € 500,00 kreeg en dat hij dat zo allemaal heeft opgespaard. Verder heeft hij toen verklaard dat hij in de periode 2009-2012 geen panden heeft verhuurd en dat het ook kan gaan om privéopnamen of geld dat afkomstig was van de zonnebankstudio.

Op grond van de hiervoor aangehaalde verklaringen van de verdachte stelt het hof vast dat hij niet eenduidig, maar wisselend heeft verklaard over de herkomst van het door de politie getraceerde contante geld. Gelet daarop is naar het oordeel van het hof geen sprake van een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Bovendien heeft het Openbaar Ministerie nader onderzoek verricht naar de door de verdachte gegeven verklaringen. Hieruit is het volgende gebleken.

Onderzoek politie en Openbaar Ministerie

Allereerst heeft de politie onderzoek gedaan naar het door de verdachte ingenomen standpunt dat de contante gelden inkomsten afkomstig zouden zijn uit de verhuur van panden. Hierover heeft het hof reeds geoordeeld bij arrest d.d. 5 september 2023 in de zaak met parketnummer 20-000365-20. In die zaak heeft het hof op basis van het door de politie naar aanleiding van de verklaring van de verdachte verrichte onderzoek bewezenverklaard dat de verdachte huurcontracten en huurovereenkomsten opzettelijk valselijk heeft opgemaakt. Die valsheid bestond hierin dat in strijd met de waarheid op de voornoemde geschriften werd gemeld dat sprake was van huurders, terwijl voornoemde huurders geen huurcontracten en overeenkomsten met de verdachte hadden gesloten. De getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] , die huurder zouden zijn geweest, hebben verklaard dat zij de verdachte niet kennen en geen loods en/of ruimte van hem hebben gehuurd, welke verklaringen door het hof als betrouwbaar zijn beoordeeld. Het scenario dat andere personen zich telkens valselijk als deze personen hebben voorgedaan is door het hof gemotiveerd terzijde geschoven.

Naar het oordeel van het hof kan het niet anders zijn dan dat de verdachte de in de zaak met parketnummer 20-000365-20 bedoelde valselijk opgemaakte huurovereenkomsten heeft gebruikt om te verhullen dat sprake was van een niet legale geldstroom en dus van uit enig misdrijf afkomstige gelden.

Wat betreft de verkoop van auto’s heeft de verdachte zelf ter terechtzitting van de rechtbank d.d. 9 januari 2020 verklaard dat de handel in auto’s hobbymatig was. Volgens het door de verdediging ingebrachte rapport van [bedrijf 8] d.d. 15 mei 2023 heeft de verdachte in de jaren 2013 tot en met 2017 per saldo € 29.532,-- aan contante gelden ontvangen voor de aankoop en verkoop van auto’s. Door de politie is nader onderzoek gedaan naar dit standpunt van de zijde van de verdediging. In het daartoe door verbalisant [verbalisant] opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 augustus 2023 met proces-verbaalnummer 161 is hierover het volgende vermeld. Het door [bedrijf 8] becijferde bedrag is gebaseerd op documenten die door de verdachte bij het consultantsbureau zijn aangeleverd maar die geen deel uitmaken van het door de politie ingestelde onderzoek. Verbalisant [verbalisant] relateert dat het gaat om grotendeels niet verifieerbare stukken, dat gedurende de onderzoeksperiode niets is gebleken van enige vorm van autohandel en dat de verdachte geen gedegen boekhouding of enige andere vorm van administratie heeft gevoerd met betrekking tot de inkoop en verkoop van voertuigen. Verder is in de stukken alleen de verkoopprijs vermeld, niet de inkoopprijs.

Met de advocaat-generaal ziet het hof in de van de zijde van de verdachte met betrekking tot auto’s ingebrachte stukken geen aanleiding voor een aanpassing van de eerdere onderzoeksbevindingen over het contante geld. Bovendien kan het door [bedrijf 8] genoemde bedrag van € 29.532,--, voor zover dit al juist zou zijn, geenszins het door de politie getraceerde bedrag van in totaal € 443.230,-- aan (contant) vermogen verklaren.

In het door de verdediging ingebrachte rapport d.d. 15 mei 2023 is verder vermeld dat [bedrijf 8] heeft vastgesteld dat het op 12 september 2017 in beslag genomen contante geldbedrag van € 161.245,-- zijn oorsprong vindt in niet opgegeven contante inkomsten uit de onderneming [bedrijf 9] over de periode 2009 tot en met 2012. Verbalisant [verbalisant] relateert in het proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 augustus 2023 met proces-verbaalnummer 161 hierover het volgende. Het is economisch en boekhoudkundig volstrekt onaannemelijk dat een bedrag dat afkomstig zou zijn van inkomsten uit een onderneming genaamd [bedrijf 9] vanuit de periode [2009] tot en met 2012 bewaard (feitelijk verstopt) zou zijn in een kabelontvanger/decoder en muur-airco, zeker gelet op de aangetroffen coupures. Dit zou betekenen dat het geld tenminste vijf jaar in de woning van de verdachte heeft gelegen en dat alle bedrijfsomzetten in de aangetroffen coupures zouden zijn ontvangen. Het is ook volstrekt onaannemelijk dat met coupures van € 200,-- en € 500,-- zou worden betaald voor behadelingen in een zonnestudio.

Het hof onderschrijft deze bevindingen van de politie en neemt deze over.

Van de zijde van de verdediging is nog aangevoerd dat uit de door de Belastingdienst geaccepteerde aangifte Inkomstenbelasting 2017 blijkt dat de verdachte de cashgelden per

1 januari 2017 fiscaal heeft verantwoord. Echter leidt het hof uit de stukken in het dossier af dat de verdachte in de jaren daaraan voorafgaand dit cashgeld niet bij de Belastingdienst heeft opgegeven, terwijl de aangifte Inkomstenbelasting 2017 dateert van na de datum van de doorzoeking in de woning van de verdachte, te weten 12 september 2017, waarop contante geldbedragen van in totaal € 161.245,-- zijn aangetroffen.

Deze ontdekking van een aanzienlijke hoeveelheid contant geld in 2017 kan naar het oordeel van het hof niet los worden gezien van de over 2017 gedane opgave aan de Belastingdienst in box 3 van een contant geldbedrag van € 165.000,--. Dat de Belastingdienst deze aangifte kennelijk heeft geaccepteerd maakt niet dat ineens sprake is van legale inkomsten.

Het eerdere niet opgeven aan de Belastingdienst van dit contante geldbedrag is juist een sterke aanwijzing dat sprake is van niet legaal verkregen inkomsten.

Het hof acht de resultaten van het door het Openbaar Ministerie verrichte nadere onderzoek van dien aard dat mede op basis daarvan geen andere conclusie mogelijk is dan dat de gestorte (contante) geldbedragen van € 230.122,-- en de girale overboekingen van

€ 27.000,-- op de privérekening van de verdachte, de contante stortingen op de rekening van [betrokkene 2] van € 142.440,-- en het contante geld dat in de woning van de verdachte is aangetroffen van € 161.245,--, met aftrek van het legale contante geld afkomstig uit de kasopnamen van zijn ondernemingen ter hoogte van € 117.577,--, een geldbedrag oplevert van in totaal € 443.230,-- dat onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is en dat de verdachte heeft verworven, voorhanden gehad en/of omgezet. Het hof komt daarmee tot een bewezenverklaring van het onder 3 primair tenlastegelegde tot voornoemd bedrag.

Het witwassen heeft een zodanige omvang en continuïteit gehad dat het hof eveneens bewezen zal verklaren dat de verdachte hiervan een gewoonte heeft gemaakt.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 3 primair bewezenverklaarde levert op:

van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sanctie

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat bij de eventuele oplegging van een straf rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat sprake is van een forse overschrijding van de redelijke termijn. Daarnaast is aandacht gevraagd voor de gewijzigde persoonlijke omstandigheden van de verdachte, die inmiddels in vaste dienst werkzaam is en mede in financieel opzicht de zorg heeft voor zijn nog minderjarige kinderen.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Het hof heeft daarbij gelet op de volgende omstandigheden.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich gedurende meerdere jaren schuldig heeft gemaakt aan (gewoonte)witwassen. Witwassen leidt tot ontwrichting van het economische en financiële verkeer, omdat daarbij de (criminele) herkomst van gelden wordt verhuld. Door de vermenging van illegaal geld met legale geldstromen wordt de integriteit van het financieel en economisch stelsel ernstig schade toegebracht.

De LOVS-oriëntatiepunten voor straftoemeting geven als indicatie voor de op te leggen straf bij fraude (waaronder witwassen) voor een bedrag dat ligt tussen € 250.000,-- en

€ 500.000,--: een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 tot 18 maanden.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof kennis genomen van de inhoud van het hem betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 15 augustus 2024, waaruit blijkt dat hij eerder onherroepelijk tot straf is veroordeeld maar niet ter zake van witwassen. Ook heeft het hof, mede in het kader van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte door het hof bij arrest d.d. 5 september 2023 in de zaak met parketnummer 20-000365-20 reeds is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden, met aftrek van voorarrest. Verder heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Alles afwegende acht het hof het (in beginsel) passend en geboden aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen zoals door de advocaat-generaal is geëist, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden. De tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige vorm van voorarrest heeft doorgebracht dient bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering te worden gebracht voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Redelijke termijn

Met de advocaat-generaal en de verdediging constateert het hof dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) is overschreden.

De redelijke termijn in eerste aanleg is aangevangen op 12 september 2017, de datum waarop de verdachte in deze zaak in verzekering werd gesteld. De rechtbank heeft vonnis gewezen op 23 januari 2020, zodat redelijke termijn van 24 maanden in eerste aanleg met ruim 4 maanden is overschreden. De redelijke termijn in hoger beroep is aangevangen op

5 februari 2020, de datum waarop namens de verdachte hoger beroep is ingesteld. Het hof doet uitspraak op 21 november 2024. Derhalve is in hoger beroep sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van bijna 2 jaren en 10 maanden. Daarmee is sprake van een totale overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep van ongeveer 3 jaren en 2 maanden. Het hof acht geen bijzondere omstandigheden aanwezig die deze overschrijding rechtvaardigen.

Zonder schending van de redelijke termijn zou het hof – zoals reeds overwogen – een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend hebben geacht. Nu echter de redelijke termijn is geschonden, zal worden volstaan met oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden, met aftrek van het voorarrest.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 63 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 3 primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door:

mr. J.T.F.M. van Krieken, voorzitter,

mr. M. van der Horst en mr. F. van Es, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H.M. Vos, griffier,

en op 21 november 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. M. van der Horst is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?