9. De beschikking d.d. 3 april 2024
Bij die beschikking heeft het hof, uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, van 25 januari 2022, voor zover het betreft het ouderlijk gezag (waarbij het gezag alleen aan de moeder is toegekend) bekrachtigd.
Het hof heeft verder bepaald dat de vader en [minderjarige] voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van omgang met elkaar in het kader van een BOR 2-traject bij [instantie 3] , dan wel bij een andere zorgaanbieder in de regio [regio] , waarbij de invulling van het BOR 2-traject wordt overgelaten aan [instantie 3] , dan wel aan die andere zorgaanbieder.
Het hof heeft de ouders tevens verwezen naar een hulptraject voor ouderschapsreorganisatie of een daarmee vergelijkbaar traject, een en ander zoals omschreven in rechtsoverweging 7.8. van die beschikking. Iedere verdere beslissing omtrent de omgang is aangehouden tot 3 oktober 2024 PRO FORMA, in afwachting van het verloop van het BOR 2-traject.
10. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van:
- het emailbericht met bijlage van [instantie 3] van 29 november 2024;
- de brief met als bijlage het eindrapport van het BOR 2 traject van de advocaat van de vader d.d. 23 januari 2025;
- het V6-formulier met bijlage van de advocaat van de moeder d.d. 17 februari 2025;
- de brief van de advocaat van de vader d.d. 19 februari 2025;
- het emailbericht met bijlage van de advocaat van de vader d.d. 21 mei 2025, tevens houdende een wijziging van het verzoek.
Bij brief van 16 mei 2025 heeft het hof mededeling gedaan aan partijen dat sprake is van een rechterswisseling in deze zaak. Aan partijen is de gelegenheid geboden hun eerdere standpunten geheel opnieuw voor te dragen.
De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 mei 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de vader, bijgestaan door mr. De Gruijl;
-de moeder, bijgestaan door mr. Winkens;
- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
11. De verdere beoordeling
Procesverloop
Op dit moment ligt in hoger beroep nog voor het verzoek van de vader wat betreft de (onbegeleide) omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] .
Het hof acht zich voldoende voorgelicht om een eindbeslissing te nemen en beslist als volgt.
Omgang
11.3.1.Ingevolge artikel 1:377e van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de omgang alsmede een door de ouders onderling getroffen omgangsregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
In hoger beroep is niet in geschil dat de vader recht heeft op omgang, dat omgang tussen de vader en [minderjarige] in het belang van [minderjarige] is en dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden zodat de eerder tussen partijen in een ouderschapsplan vastgestelde omgangsregeling in beginsel voor wijziging vatbaar is. De ouders zijn het niet eens over de manier waarop invulling moet worden gegeven aan het contact tussen de vader en [minderjarige] .
Het in de beschikking van 3 april 2024 benoemde BOR 2 - traject bij het [instantie 3] is gestart op 1 juni 2024. Uit het eindverslag van [instantie 3] blijkt het volgende. Er hebben in totaal vijftien begeleide omgangscontacten plaatsgevonden in de periode augustus 2024 tot en met november 2024. Verder heeft er ouderbemiddeling plaatsgevonden in de periode van augustus 2024 tot en met december 2024. Gebleken is dat de ouderbemiddeling vroegtijdig is gestopt. Er zijn tussen de ouders concrete voorlopige afspraken gemaakt ten aanzien van de omgang tussen de vader en [minderjarige] .
Met ingang van 7 januari 2025 blijft [minderjarige] op de dinsdagen bij de vader slapen, waarbij de vader haar van school ophaalt en op de woensdagochtend weer naar school brengt. In het geval van een studiedag/vakantie vindt de overdracht plaats bij de stiefmoeder van de vader.
Zij fungeert ook als tussenpersoon, voor wanneer er tijdens de omgang iets voorvalt met betrekking tot [minderjarige] dat aan de moeder doorgegeven dient te worden.
Op verzoek van de moeder, met akkoord van de vader, is er binnen het vrijwillig hulpverleningskader een verlenging aangevraagd. Het was de wens van de moeder dat [instantie 3] op de achtergrond betrokken bleef. [instantie 3] kon dan, zodra er iets zou gebeuren in de onbegeleide omgang, een evaluatiegesprek met de ouders inplannen.
[instantie 3] complimenteert in het eindrapport de ouders dat er nu sprake is van een onbegeleide omgang tussen de vader en [minderjarige] . Hoewel de ouders het over veel punten uit het ouderschapsplan eens zijn, worden zij het niet eens over een aantal onderwerpen. Het ouderschapsplan is uiteindelijk niet afgerond, omdat de vader het traject vroegtijdig heeft gestopt.
De zorgen van [instantie 3] liggen op het ouderniveau. Er zijn zorgen over de opstelling van de vader ten opzichte van de verhuizing van de moeder en het samenwonen met haar nieuwe partner. Dit was meermaals het onderwerp van gesprek met de vader en dit was uiteindelijk de reden dat hij het traject heeft stopgezet. Daarnaast vraagt [instantie 3] zich af of de vader het verleden kan laten rusten. Tijdens de ouderbemiddeling kwam naar voren dat de vader nog veel en haast obsessief met de moeder bezig lijkt te zijn. Zijn mogelijk obsessieve manier van denken lijkt invloed te hebben op zijn vermogen om de stappen die de moeder zet, te erkennen als een stap richting samenwerking. Bovendien lijkt de vader door zijn focus op de moeder onvoldoende in staat om te reflecteren op zijn eigen handelen. [instantie 3] acht het van belang dat er op korte termijn een ouderschapsplan met duidelijke afspraken komt. Daarbij zal dan ook aandacht moeten worden besteed aan de situatie van vóór en na het contactverbod.
De vader handhaaft het door hem aangevoerde standpunt in hoger beroep.
Hij meent dat er in het eindrapport van [instantie 3] onjuistheden staan, waardoor er een verkeerd beeld van hem is ontstaan. De vader benadrukt dat hij het traject heeft gestopt omdat hij en de moeder niet rechtstreeks met elkaar in gesprek konden gaan om bepaalde dingen uit te spreken.
Bij zijn laatste bericht van 21 mei 2025 heeft de vader zijn verzoek in hoger beroep gewijzigd in die zin dat hij verzoekt om de vaststelling van een co-ouderschapsregeling, inhoudende dat de omgang tussen hem [minderjarige] volgens één van de volgende schema’s verloopt:
ofwel maandag, dinsdag en woensdag bij de vader, tot en met donderdagochtend naar school, en vervolgens om de week op zondag;
ofwel zondag, maandag en dinsdag bij de vader, met de woensdag om de week.
Wat betreft de vakanties stelt de vader voor dat [minderjarige] de helft van de vakantieweken bij hem doorbrengt. Tijdens de mondelinge behandeling van het hof heeft de vader daaraan toegevoegd dat de omgang tussen de vader en [minderjarige] nog steeds verloopt zoals beschreven in het eindverslag van [instantie 3] . Het contact tussen de ouders verloopt via zijn stiefmoeder en er worden op die manier ook aanvullende afspraken gemaakt. Zo is [minderjarige] bijvoorbeeld ook in de meivakantie een paar dagen bij hem geweest. De vader heeft hiervan een overzicht overgelegd. Hij vindt het belangrijk dat de ouders samen gesprekken voeren over de omgang zodat op een constructieve wijze kan worden gekeken naar de toekomst en dat er een ouderschapsplan wordt opgesteld.
De moeder wil dat de ouderbemiddeling wordt voortgezet en er een ouderschapsplan wordt opgesteld. De moeder heeft zorgen omtrent hoe een en ander gaat verlopen op het moment dat het contactverbod niet meer geldt. Tijdens de mondelinge behandeling benoemt de moeder dat zij aan de ene kant ziet dat [minderjarige] geniet van de omgang met de vader, maar aan de andere kant ziet zij ook dat [minderjarige] er last van heeft. De moeder ziet een andere [minderjarige] bij terugkomst van de omgang bij de vader en zij merkt dat [minderjarige] tijd nodig heeft om bij te komen. [minderjarige] hoort verder bij de vader thuis dingen over de moeder waar zij last van heeft. De moeder vindt omgang tussen de vader en [minderjarige] op een vaste dag van belang en heeft moeite met een omgangsregeling van meerdere dagen achtereen. Dit is te lang voor [minderjarige] . De moeder wil dat er rust komt voor [minderjarige] .
De raad ziet een risico voor [minderjarige] dat zij klem komt te zitten tussen de ouders. Het is een ingewikkelde situatie die spanningen met zich brengt. De raad acht het van belang dat [minderjarige] zich daarin onbelast kan bewegen.
De raad begrijpt de opmerking van de moeder dat zij spanningen ervaart bij [minderjarige] over de omgang en dat zij bang is dat [minderjarige] bij een langer verblijf bij de vader meer last van deze spanningen zal krijgen. De raad benoemt echter niet zeker te weten dat het risico dat de spanningen bij [minderjarige] zullen vermeerderen, kan worden weggenomen door een kortere (minder dagen achtereen) omgangsregeling. De belasting van [minderjarige] vloeit voort uit de manier waarop de ouders met de situatie omgaan.
De raad ziet dan ook een rol voor [instantie 3] of een andere professional weggelegd op het gebied van ouderbemiddeling. Daarbij is het aan de ouders om de lijn, die door de professional wordt uitgezet, te volgen en dat iedere ouder naar zijn of haar eigen stuk in het geheel kijkt, niet enkel naar de andere ouder. De ouders dienen ook geen vragen over en weer te stellen. Op die manier bewerkstelligen de ouders dat, op het moment dat zij samen om de tafel kunnen, zij een gemeenschappelijk verhaal hebben richting [minderjarige] over wat er in de afgelopen jaren zich heeft afgespeeld tussen de ouders en dat daar duidelijkheid over bestaat.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof betreurt het dat het - ondanks de jarenlange inzet van hulpverlening en het feit dat er jarenlang een juridische procedure heeft gelopen tussen de ouders - de ouders niet is gelukt om onder leiding van professionele bemiddeling de omgang uit te breiden naar een regeling waar beide ouders mee kunnen instemmen. Desondanks zijn zij wel tot een voorlopige onbegeleide omgangsregeling gekomen. Bovendien is er nu op regelmatige basis contact tussen [minderjarige] en de vader en genieten zij daar allebei van.
Gelet op het thans nog geldende contactverbod, opgelegd aan de vader en nog geldend tot medio maart 2026 (althans zo begrijpt het hof), is er een manier gevonden waarbij de ouders via de stiefmoeder van de vader afspraken maken over de omgang. De ouders zijn het erover eens zijn dat het in het belang van [minderjarige] is dat er contact is tussen haar en de vader en dat de regeling, zoals deze tot nu toe is bepaald, goed verloopt. De ouders blijven echter verschillend denken over de frequentie van de omgang van [minderjarige] bij de vader.
Het hof is van oordeel dat het van belang is dat de juridische strijd tussen de ouders stopt en dat er voor nu duidelijkheid komt voor [minderjarige] wat betreft de omgang met de vader. Partijen hebben het hof ook om een eindbeslissing gevraagd.
Ten aanzien van de reguliere omgangsregeling: Het hof acht, gelet op de stukken en het verhandelde op de mondelinge behandeling, de volgende reguliere omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] in het belang van [minderjarige] :
De vader en [minderjarige] hebben omgang met elkaar:
iedere week vanaf maandag 16:00 uur na de BSO tot en met woensdagochtend naar school (aanvang schooltijd);
om de week een zondag van 10.00 uur tot 17.00 uur.
Ten aanzien van de vakantieregeling:
Gedurende vakanties acht het hof het in het belang van [minderjarige] dat zij in het algemeen niet langer dan één week aaneengesloten bij de vader verblijft.
Voor de zomervakantie bepaalt het hof dat [minderjarige] twee keer een hele week bij de vader verblijft waarbij geldt dat deze weken niet een aaneengesloten periode betreffen. De overige vier weken is zij bij de moeder. Dit geldt meteen voor de aanstaande zomervakantie 2025. De ouders regelen de verdeling (via de stiefmoeder van de vader) in onderling overleg. In de zomervakantie loopt de bovengenoemde reguliere regeling niet door.
Voor de overige vakanties en feestdagen geldt dat de ouders de omgangsmomenten (via de stiefmoeder van de vader) in onderling overleg regelen.
Het hof heeft daarbij meegenomen dat er, zoals besproken tijdens de mondelinge behandeling van het hof, gebleken is dat de voorlopige onbegeleide omgangsregeling vanaf januari 2025 goed verloopt en dat de ouders (met hulp van de stiefmoeder van de vader)
deze omgang op bepaalde momenten (waaronder in de meivakantie 2025) hebben uitgebreid waarbij [minderjarige] meerdere nachten bij de vader verbleef.
[minderjarige] gaat op maandagmiddag naar de BSO. Het hof acht het in het belang van haar dagelijkse ritme dat dit zo blijft. De vader kan haar daar om 16:00 uur ophalen en de moeder zal dit doorgeven aan de BSO. Verder is gebleken dat de vader niet in staat is om omgang met [minderjarige] te hebben op zaterdag, dit in verband met zijn werk. Daarom is, zoals ook besproken tijdens de mondelinge behandeling, gekozen voor de zondag, waarbij er rekening is gehouden met de door de moeder voorgestelde begin - en eindtijd.
Gebleken is dat de moeder zorgen heeft over de belasting van [minderjarige] wanneer zij meerdere dagen achter elkaar bij de vader verblijft en hoe er over de moeder wordt gesproken door de vader. De vader heeft op zijn beurt zorgen over de thuissituatie bij de moeder en haar nieuwe partner. Hij vreest voor de veiligheid van [minderjarige] .
Dit brengt met zich dat het hof, net zoals de raad heeft benoemd tijdens de mondelinge behandeling, het in deze zaak het noodzakelijk acht dat de ouders de (bij [instantie 3] ) ingezette ouderbemiddeling hervatten. Dit is ook met de ouders besproken tijdens de mondelinge behandeling en zij hebben daarmee ingestemd. Het is, zoals ook door de raad is verwoord, aan de ouders om de lijn, die door de professional wordt uitgezet, te volgen. Iedere ouder dient naar zijn of haar eigen aandeel in het geheel te kijken, niet enkel naar de andere ouder. Het hof is met de raad van oordeel dat de ouders moeten leren om [minderjarige] op geen enkele manier te belasten met hun eigen zorgen over de andere ouder.
Gelet op het bovenstaande verzoekt het hof de moeder, als ouder waar [minderjarige] haar hoofdverblijf heeft, het verzoek tot ouderbemiddeling bij de gemeente van haar woonplaats in te dienen. Beide ouders dichten hierin niet langer een rol toe aan [instantie 3] en tijdens de mondelinge behandeling is [instantie 4] als mogelijke instantie genoemd. Het hof verzoekt de advocaten om zich ten opzichte van de ouders zo nodig sturend en begeleidend op te stellen bij het benaderen van de genoemde instantie en de aanmelding via de gemeente. Met betrekking tot de door de ouders over en weer gestelde zorgen over enerzijds de belasting van [minderjarige] als zij bij de vader verblijft en anderzijds de zorgen van de vader over een onveilige opvoedsituatie van [minderjarige] bij de moeder (mede in verband met haar huidige partner), gaat het hof ervan uit dat de raad een onderzoek doet indien de raad signalen bereiken die daartoe aanleiding geven.
Proceskosten
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten in hoger beroep tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
De slotsom
Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep vernietigen en beslissen zoals hierna onder 12. vermeld.
12. De beslissing
Het hof:
vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 25 januari 2022;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
wijzigt de bij het ouderschapsplan van juni 2019 tussen de ouders overeengekomen verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en stelt tussen de vader en [minderjarige] , geboren op
[geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] de volgende omgangsregeling vast:
de vader en [minderjarige] hebben na de zomervakantie 2025 omgang met elkaar:
en tijdens de vakanties:
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.E. Ackermans-Wijn, E.M.C. Dumoulin en E.M.D.M. van der Linden, en is op 10 juli 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.