GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.353.529/01
arrest van 17 juli 2025
in de zaak van
[appellante] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
advocaat: mr. G. Konus te Oosterhout,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 22 mei 2025 in het hoger beroep van het door de rechtbank Oost-Brabant, onder zaaknummer [insolventienummer] gewezen vonnis van 8 mei 2025.
5. Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.
6. De verdere beoordeling
Bij genoemd tussenarrest is bepaald dat [appellante] het in r.o. 3.7 genoemde overzicht (inclusief bankafschriften) van de beheerrekening van [appellante] aan het hof moet overleggen. Dat overzicht is heeft het hof op 16 juni 2015 van mr. Konus ontvangen .
Herstel kennelijke verschrijving
De bewindvoerder heeft in haar emailbericht van 28 mei 2025 aan het hof aangegeven dat in het tussenarrest van 22 mei 2025 twee data onjuist zijn vermeld, te weten in r.o. 3.2 (20 augustus 2025 moet zijn 20 augustus 2024) en in r.o. 3.3 (30 september 2025 moet zijn 30 september 2024).
Dit acht het hof juist en zal deze data herstellen. Nu uit de stukken de juiste data blijken en het een kennelijke schrijffout is die op generlei wijze de positie van [appellante] raakt of kan raken, zal het hof de consultatie van [appellante] achterwege laten en de kennelijke verschrijving herstellen.
Aanvang van de termijn van de Wsnp
De vraag die in deze procedure centraal staat is of [appellante] haar inspanningsverplichting gedurende het minnelijk voortraject voldoende is nagekomen ten gevolge waarvan de looptijd van de schuldsaneringsregeling eerder dient aan te vangen dan 6 juni 2024.
Het hof stelt het volgende voorop. Op grond van artikel 349a lid 1 Fw bedraagt de termijn van de schuldsaneringsregeling anderhalf jaar. Die termijn vangt aan (a) op de dag van de uitspraak tot toepassing van de Wsnp, of (b) op de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling als bedoeld in artikel 285 lid 1 onder f Fw (het alternatieve aanvangsmoment).
Bij uitspraak van 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1913, heeft de Hoge Raad prejudiciële vragen beantwoord die zien op de vraag wat moet worden verstaan onder (de hiervoor achter b bedoelde tekst) ‘buitengerechtelijke schuldregeling als bedoeld in artikel 285, eerste lid, onder f Fw’, ‘in het kader van’ en ‘eerste aflossing’.
De Hoge Raad heeft, voor zover relevant, het volgende geoordeeld:
- met de in art. 349a lid 1 Fw bedoelde eerste aflossing in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling wordt bedoeld: de eerste aflossing tijdens het minnelijke traject van schuldhulpverlening;
- bij de toepassing van art. 349a lid 1 Fw kan ook sparen tijdens het minnelijke traject van schuldhulpverlening een vorm van eerste aflossing zijn in de zin van art. 349a lid 1 Fw.
- het is niet nodig dat tijdens het minnelijke voortraject gespaarde bedragen ten tijde van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling al op een afzonderlijke rekening zijn gestort. De rechter kan in zijn uitspraak tot toepassing van de schuldsaneringsregeling de schuldenaar verplichten om het tijdens het minnelijke voortraject gespaarde bedrag, met bekwame spoed aan de bewindvoerder af te dragen;
- als ‘eerste aflossing’ in de zin van art. 349a lid 1 Fw is in de eerste plaats aan te merken een aflossing die of een gespaard bedrag dat ten goede is gekomen of komt aan de gezamenlijke schuldeisers. Een aflossing aan één of enkele schuldeisers uit hoofde van een ten laste van de schuldenaar gelegd beslag kan in beginsel eveneens als zodanige eerste aflossing worden aangemerkt;
- om in aanmerking te komen voor vervroeging van het aanvangsmoment van de termijn van de schuldsaneringsregeling, moet de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject hebben voldaan aan de verplichtingen die uit dat traject voortvloeien. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag, moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven;
- bij hantering van het alternatieve aanvangsmoment dient de rechter de termijn van de schuldsaneringsregeling, met overeenkomstige toepassing van de verlengingsbevoegdheid van art. 349a lid 1 Fw, zodanig vast te stellen dat, in het na de uitspraak resterende gedeelte van die termijn, de bewindvoerder zijn verslag kan opmaken en indienen en de rechter de eindzitting kan bepalen. Ten behoeve van de rechtsgelijkheid bij de toepassing van de schuldsaneringsregeling kan de rechter daarbij als uitgangspunt hanteren dat voor die stappen een half jaar nodig is, en de termijn van de schuldsaneringsregeling dus zodanig verlengen dat die regeling vanaf de uitspraak ten minste een half jaar wordt toegepast. Voor zover de rechter met het oog hierop de (formele) termijn van de schuldsaneringsregeling heeft verlengd, is de schuldenaar gedurende dat gedeelte van de termijn ontheven van de verplichting tot afdracht aan de boedel en van zijn inspanningsverplichting. De medewerkings- en informatieplichten van de schuldenaar jegens de bewindvoerder (art. 327 Fw in verbinding met art. 105-105a Fw) gelden in die periode wel. De rechter moet het alternatieve aanvangsmoment ambtshalve toepassen als aan de daarvoor geldende voorwaarden is voldaan.
De aanvang van de buitengerechtelijke schuldregeling
In dit hoger beroep gaat het om de vraag wanneer de eerste aflossing is gedaan tijdens de buitengerechtelijke schuldregeling als bedoeld in artikel 285 lid 1 onder f Fw. Vanaf dat moment kan immers de termijn van de Wsnp aanvangen (artikel 349a lid 1 Fw, zie hiervoor).
Uit de overgelegde bankmutaties van de beheerrekening van [appellante] blijkt een beginsaldo op 1 november 2022 van € 6.859,24 en een eindsaldo op 6 juni 2024 van € 12.136,67. Volgens de beschermingsbewindvoerder is voor [appellante] geen aparte spaarrekening aangemaakt. In de periode van het minnelijk voortraject tot aan de toelating tot de schuldsanering heeft [appellante] dus, ondanks dat zij geen inkomen had, kunnen sparen ten behoeve van de schuldeisers door van haar uitkering, toeslagen en kinderbijslag heel zuinig te leven.
De bewindvoerder en de beschermingsbewindvoerder hebben ter zitting aangegeven dat het minnelijke traject begin 2023 is gestart, maar een precieze datum konden zij niet geven.
Het hof is van oordeel dat het verzoek van [appellante] om de aanvangsdatum van de schuldsaneringsregeling eerder te laten aanvangen toewijsbaar is. Zij heeft immers in het minnelijk voortraject geld voor haar schuldeisers weten te sparen. Hoewel dit gespaarde geld is bijgeschreven op de beheerrekening is het volgens de Hoge Raad niet nodig dat tijdens het minnelijke voortraject gespaarde bedragen ten tijde van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling al op een afzonderlijke rekening zijn gestort.
Omdat niet duidelijk is geworden op welke datum het minnelijke traject is gestart, gaat het hof uit van de datum waarop de Kredietbank Nederland aan [organisatie] een betalingsvoorstel op basis van schuldbemiddeling heeft gedaan, zijnde 25 april 2023.Vanaf deze datum is de looptijd van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellante] aangevangen.
De inspanningsverplichting
De vraag is of [appellante] heeft voldaan aan de verplichtingen die uit dat minnelijk voortraject voortvloeien. Hoewel zij in die periode geen betaalde arbeid heeft verricht en niet regelmatig aan haar sollicitatieverplichting heeft voldaan, heeft zij wel het traject van [organisatie] doorlopen. In het Trajectplan van 9 mei 2023 is opgenomen dat [appellante] de Nederlandse taal moet leren en wordt bezien of zij de opleiding tot kapper kan volgen. Zij was ten tijde van het opstellen van het Trajectplan werkzaam in [instantie] . Daarnaast is zij aangemeld voor een cursus Nederlands, welke cursus zij ook heeft gevolgd. [organisatie] heeft bij beschikking van 21 november 2023 [appellante] ontheven van haar arbeidsverplichtingen, omdat uit een advies van de bedrijfsarts over de mate van arbeidsgeschiktheid van [appellante] was gebleken dat er voldoende aanleiding zou zijn om een tijdelijke ontheffing te verlenen.
Door het volgen van de cursus Nederlands, het verrichten van vrijwilligerswerk als opstap tot betaalde arbeid en deelname aan gestructureerde activiteiten is het hof van oordeel dat in dit concrete geval [appellante] haar inspanningsverplichting gedurende het minnelijk voortraject voldoende is nagekomen, dat zij zich tot het uiterste heeft ingespannen om te voldoen aan de daaraan verbonden verplichtingen en al het maximaal haalbare resultaat heeft gerealiseerd ten behoeve van haar schuldeisers, mede gezien het feit dat zij in die periode heeft kunnen sparen.
Het hof ziet aanleiding om met inachtneming van het arrest van de Hoge Raad (rov 3.6.3) de termijn van de schuldsaneringsregeling te verlengen met zes maanden vanaf de datum van het vonnis van de rechtbank zodat de bewindvoerder haar verslag kan opmaken en indienen en de rechter de eindzitting kan bepalen. Tijdens deze verlenging is [appellante] ontheven van de verplichting tot afdracht aan de boedel en van haar inspanningsverplichting.
Het voorgaande brengt mee dat het hoger beroep slaagt. Het hof zal beslissen zoals hierna is vermeld.
7. De uitspraak
Het hof:
herstelt het arrest van 22 mei 2025 in dier voege dat de vermelding van de data in r.o. 3.2, zijnde 20 augustus 2025, en in r.o. 3.3, zijnde 30 september 2025, komen te luiden:
bepaalt dat deze verbeteringen onder vermelding van de datum van 17 juli 2025 worden vermeld op de minuut van het arrest van 22 mei 2025;
bepaalt dat [appellante] het afschrift van het arrest van 22 mei 2025 aan het hof moet retourneren;
vernietigt het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 8 mei 2025;
en opnieuw rechtdoende:
bepaalt de ingangsdatum van de wettelijke schuldsaneringsregeling op 25 april 2023;
bepaalt dat de termijn van de schuldsaneringsregeling wordt verlengd met zes maanden vanaf heden waarbij [appellante] gedurende de verlenging is ontheven van de verplichting tot afdracht aan de boedel en van haar inspanningsverplichting;
verwijst de zaak naar voornoemde rechtbank ter uitvoering van de schuldsaneringsregeling.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.I.M.W. Bartelds, N.W.M. van den Heuvel en R.L.G. Kraaijvanger en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 17 juli 2025.
griffier rolraadsheer