GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 25/871
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] (Thailand),
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 16 mei 2025, nummer BRE 24/6292, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.
1. Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting (hierna: IB) 2023 (hierna: de aanslag) opgelegd.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.
De openbare zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn beide partijen digitaal via Microsoft Teams met een beeld- en geluidverbinding verschenen, te weten belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst.
2. Feiten
Belanghebbende woont sinds 1 januari 2014 in Thailand. Voor de toepassing van het belastingverdrag tussen Nederland en Thailand van 11 september 1975 (hierna: het Verdrag) is belanghebbende inwoner van Thailand en niet van Nederland.
Belanghebbende heeft in Nederland aangifte IB 2023 gedaan als buitenlands belastingplichtige. Het door hem aangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning (tevens verzamelinkomen) bedraagt € 35.454, inclusief een bruto AOW-uitkering van € 20.551 (hierna: de AOW-uitkering).
De inspecteur heeft de aanslag met dagtekening 12 juni 2024 opgelegd conform de door belanghebbende ingediende aangifte.
3. Geschil en conclusies van partijen
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
Dient de AOW-uitkering op grond van het Verdrag van IB te worden vrijgesteld?
Is bij belanghebbende het in rechte te honoreren vertrouwen gewekt dat de AOW-uitkering vrijgesteld is?
Moet de inspecteur een schadevergoeding aan belanghebbende betalen?
Belanghebbende concludeert tot vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.903 en tot een schadevergoeding van € 19.811. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
4. Gronden
Ten aanzien van het geschil
De AOW-uitkering
Belanghebbende betoogt dat Nederland van hem - als inwoner van Thailand – alleen IB mag heffen over inkomensbestanddelen waarvoor de heffingsbevoegdheid door het Verdrag uitdrukkelijk aan Nederland is toegewezen. Uitkeringen op grond van een sociale verzekering zoals de AOW worden nergens in het Verdrag genoemd en dat betekent volgens belanghebbende dat alleen zijn woonland Thailand het recht heeft om belasting te heffen over de door hem ontvangen AOW-uitkering. Ter onderbouwing van zijn betoog verwijst hij naar artikel 21 van het OESO-Modelbelastingverdrag (hierna: het overige inkomsten-artikel) dat bepaalt dat bestanddelen van het inkomen die niet behandeld zijn in de voorgaande verdragsartikelen slechts in de woonstaat belastbaar zijn. Hij voert aan dat artikel 23, lid 4, Verdrag dezelfde strekking heeft als het overige inkomsten-artikel van het OESO-Modelbelastingverdrag. Belanghebbende voert verder aan dat Nederland en Thailand op 21 november 2025 een nieuw maar nog niet in werking getreden belastingverdrag hebben getekend (hierna: het toekomstige belastingverdrag) waarin expliciet is geregeld dat (ook) Nederland belasting mag heffen over door inwoners van Thailand genoten AOW-uitkeringen. Hij leidt hieruit af dat vóór inwerkingtreding van het toekomstige belastingverdrag Nederland niet het recht heeft om deze uitkeringen in de heffing te betrekken. Aangezien verdragsrecht volgens artikel 93 en 94 Grondwet boven het nationale recht gaat, mag Nederland dus geen IB over de AOW-uitkering heffen. Door dat vanaf 2014 toch te doen, pleegt de inspecteur een onrechtmatige daad en moet hij de door belanghebbende vanaf 1 januari 2014 geleden schade vergoeden, aldus belanghebbende.
De inspecteur voert daartegen aan dat het Verdrag de nationale heffingsbevoegdheid van Nederland niet beperkt omdat geen van de bepalingen van het Verdrag ziet op uitkeringen op grond van een sociale verzekering zoals de AOW en het Verdrag geen overige inkomsten-artikel bevat.
Het hof overweegt daaromtrent als volgt. Ten aanzien van buitenlands belastingplichtigen, zoals belanghebbende, wordt IB geheven onder andere over het door hen in het desbetreffende kalenderjaar genoten belastbare inkomen uit werk en woning in Nederland. Tot het belastbare inkomen uit werk en woning in Nederland behoren onder andere de rechten op periodieke uitkeringen en verstrekkingen van publiekrechtelijke aard van of namens een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon. Aangezien de AOW-uitkering een periodieke uitkering van publiekrechtelijke aard van een Nederlandse publiekrechtelijk rechtspersoon is, vormt dit in Nederland belastbaar inkomen uit werk en woning.
De vervolgvraag is of het Verdrag de heffingsbevoegdheid van Nederland beperkt. Artikel 18 (pensioenen en lijfrenten) in hoofdstuk III (Belastingheffing naar het inkomen) Verdrag bepaalt als volgt:
“1. Onder voorbehoud van de bepalingen van het tweede lid van dit artikel en het eerste lid van artikel 19, zijn pensioenen en andere soortgelijke beloningen ter zake van een vroegere dienstbetrekking betaald aan een inwoner van een van de Staten, alsmede aan een zodanige inwoner betaalde lijfrenten slechts in die Staat belastbaar.
2. Die inkomsten mogen echter ook in de andere Staat worden belast, voorzover zij als zodanig ten laste komen van winst, die in die andere Staat is behaald door een onderneming van die andere Staat of door een onderneming die aldaar een vaste inrichting heeft.
3. (…).”
Artikel 19 (overheidsfuncties) in hoofdstuk III (Belastingheffing naar het inkomen) Verdrag bepaalt als volgt:
“1. Beloningen, daaronder begrepen pensioenen, betaald door of uit fondsen in het leven geroepen door een van de Staten of een staatkundig onderdeel of een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan aan een natuurlijke persoon ter zake van diensten bewezen aan die Staat of aan dat onderdeel of dat plaatselijke publiekrechtelijke lichaam daarvan in de uitoefening van overheidsfuncties, mogen in die Staat worden belast.
2. De bepalingen van de artikelen 15, 16 of 18 zijn evenwel van toepassing op beloningen of pensioenen ter zake van diensten, bewezen in het kader van een op winst gericht bedrijf uitgeoefend door een van de Staten of een staatkundig onderdeel of een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan.”
Artikel 23 (Vrijstellings- en verrekeningsmethoden), in hoofdstuk V (Vermijding van dubbele belasting) Verdrag bepaalt als volgt:
“(…).
4. Thailand is bevoegd bij het heffen van belasting van zijn inwoners in de grondslag waarnaar de belasting wordt geheven, alle bestanddelen van het inkomen of het vermogen te begrijpen behalve indien in deze Overeenkomst uitdrukkelijk het tegendeel is bepaald.
(…).
6. Thailand verleent een vermindering van de volgens het vierde lid van dit artikel berekende belasting ter zake van (…) en ter zake van alle niet in deze Overeenkomst vermelde bestanddelen van het inkomen, die volgens de Thaise belastingwetgeving uit Nederland afkomstig zijn. Het bedrag van deze vermindering is het laagste van de volgende bedragen:
a) het bedrag dat gelijk is aan de in Nederland geheven belasting;
b) het bedrag van dat deel van de Thaise belasting dat aan de genoemde bestanddelen van het inkomen kan worden toegerekend.
(…).”
Naar het oordeel van het hof gaan beide partijen er terecht van uit dat socialezekerheidspensioenen zoals AOW-uitkeringen niet vallen onder het begrip 'pensioenen' in artikel 18 of artikel 19 Verdrag. Deze uitkeringen hebben als volksverzekeringen namelijk geen verband met de uitoefening van een vroegere dienstbetrekking, respectievelijk met diensten bewezen in de uitoefening van een vroegere overheidsfunctie. Anders dan het OESO-Modelbelastingverdrag, bevat het Verdrag geen overige inkomsten-artikel dat bepaalt dat alle niet expliciet in het Verdrag behandelde bestanddelen van het inkomen uitsluitend in de woonstaat van de ontvanger mogen worden belast.
Anders dan belanghebbende meent, heeft het geciteerde artikel 23, lid 4, Verdrag niet de strekking om de heffingsbevoegdheid over alle niet in Hoofdstuk III van het Verdrag toegewezen inkomsten toe te wijzen aan de woonstaat van de ontvanger. Artikel 23 Verdrag bevat immers geen regels over toewijzing van heffingsbevoegdheden over bestanddelen van het inkomen, maar bepaalt de door de woonstaat toe te passen voorkoming van dubbele belasting. In artikel 23, lid 4, Verdrag is het uitgangspunt van de door Thailand als woonstaat toe te passen methode bepaald: Thailand mag in zijn heffingsgrondslag alle inkomsten van zijn inwoners begrijpen die niet exclusief aan Nederland zijn toegewezen. Deze bepaling is niet naar de letter en ook niet naar de geest te lezen als een beperking van de heffingsbevoegdheid van Nederland als bronstaat van de AOW-uitkering.
Uit het voorgaande volgt dat het Verdrag de heffingsbevoegdheid over een AOW-uitkering van geen van beide Verdragstaten beperkt.
Het hof wijst op het boven geciteerde lid 6 van artikel 23 Verdrag, dat Thailand verplicht dubbele belasting te voorkomen ter zake van alle niet in het Verdrag vermelde inkomensbestanddelen, zoals belanghebbendes AOW-uitkering, indien die uitkering volgens de Thaise belastingwetgeving ‘uit Nederland afkomstig’ is.
Anders dan belanghebbende meent, heeft Nederland met het op 21 oktober 2025 afsluiten van het toekomstige belastingverdrag niet de heffingsbevoegdheid over AOW-uitkeringen betaald aan inwoners van Thailand alleen voor de toekomst veiliggesteld. De heffingsbevoegdheid van Nederland op dit punt is immers evenmin beperkt onder het (huidige) Verdrag. Het is aannemelijker dat Nederland met de regeling van de sociale zekerheidspensioenen in het toekomstige verdrag heeft willen voorkomen dat zowel Nederland als Thailand hierover belasting heffen zonder vermijding van aldus ontstane dubbele belasting. Het (huidige) Verdrag bevat immers geen bepaling die Thailand verplicht tot het geven van een verrekening van de Nederlandse belasting geheven op de AOW-uitkering, anders dan het genoemde lid 6 van artikel 23, waarvan de toepassing afhankelijk is van eenzijdige Thaise wetgeving. In artikel 22, lid 2 van het nieuwe belastingverdrag is daarentegen op verdragsniveau bepaald dat de inwoner van Thailand die inkomen ontvangt dat uit Nederland is verkregen de daarop verschuldigde Nederlandse belasting mag verrekenen met de door hem te betalen Thaise belasting.
Uit het voorgaande volgt dat het Verdrag de bevoegdheid van Nederland om IB te heffen over de AOW-uitkering, niet beperkt. In zoverre heeft de inspecteur de AOW-uitkering terecht tot het belastbaar inkomen uit werk en woning van belanghebbende in Nederland gerekend.
Vertrouwensbeginsel
Belanghebbende betoogt dat de inspecteur bij hem het vertrouwen heeft gewekt dat de inspecteur het (alsnog) eens is met het standpunt van belanghebbende dat Nederland op grond van het Verdrag de AOW-uitkering (ontvangen in 2023) niet in de IB mag betrekken. Hij voert daartoe aan dat de aanslag IB 2025 op 23 mei 2026 is vastgesteld en dat in de aanslag de door hem in 2025 ontvangen AOW-uitkering is vrijgesteld. De inspecteur erkent dat de aanslag IB 2025 is opgelegd en dat daarin de in 2025 ontvangen AOW-uitkering is vrijgesteld, maar hij betwist dat belanghebbende hieraan het gerechtvaardigde vertrouwen kan ontlenen dat de inspecteur de in geschil zijnde AOW-uitkering (ontvangen in 2023) zal vrijstellen. De inspecteur voert daarbij aan dat de aanslag IB 2025 automatisch is opgelegd en dat daarbij kennelijk een fout is gemaakt.
Het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel faalt. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel dient belanghebbende aannemelijk te maken dat door de inspecteur toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit belanghebbende in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe de inspecteur in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen. Gesteld noch gebleken is dat zich omstandigheden hebben voorgedaan die bij belanghebbende de indruk hebben kunnen wekken dat de aanslag IB voor het jaar 2025 voor wat betreft de vrijstelling van het ontvangen AOW-bedrag, berustte op een weloverwogen standpuntbepaling door de inspecteur ter zake van enige aanslag opgelegd vóór 23 mei 2026 over een eerder jaar dan 2025.
Schadevergoeding
Op grond van artikel 8:73 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is er geen reden voor een schadevergoeding, alleen al niet omdat het hoger beroep ongegrond wordt verklaard. Het hof is als belastingrechter niet bevoegd om op een andere grond te oordelen op een verzoek om schadevergoeding; daarvoor is de civiele rechter bevoegd. Het hof zal zich dus onbevoegd verklaren om over dit verzoek (voor zover niet gegrond op artikel 8:73 Awb) te oordelen.
Verzoek om instructie
Verder heeft belanghebbende het hof verzocht om de Belastingdienst op te dragen om met onmiddellijke ingang Nederlandse inwoners van Thailand zelf te laten beslissen in welk land zij belastingaangifte over hun AOW wensen te doen en de Belastingdienst te verplichten om hierover adequaat te communiceren met belanghebbenden (hierna: het verzoek om instructie). Het hof is niet bevoegd om de inspecteur een dergelijk opdracht te geven. Ook op dit punt zal het hof zich dan ook onbevoegd verklaren.
Tussenconclusie
De slotsom is dat het hoger beroep (voor zover het hof bevoegd is om daarover te oordelen) ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.
5. Beslissing
Het hof:
De uitspraak is gedaan door B.J. Rubbens, voorzitter, J. Wessels en P.J. Wattel, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
M.M. Stassen-Kanters B.J. Rubbens
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.