ECLI:NL:GHSHE:2026:1966

ECLI:NL:GHSHE:2026:1966

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 23-07-2026
Datum publicatie 23-07-2026
Zaaknummer 200.365.081/01
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBZWB:2025:8355

Samenvatting

art. 4:46 BW / uitleg vervalbeding in testament / de vraag die het hof moet beantwoorden is of ten tijde van het overlijden van erflater zijn samenleving met appellante is beëindigd / het hof beantwoordt deze vraag bevestigend / dat heeft tot gevolg dat appellante geen erfgenaam meer is van erflater / bekrachtiging beschikking waarvan beroep.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

Uitspraak : 23 juli 2026

Zaaknummer : 200.365.081/01

Zaaknummer EA : 11622484 \ OV VERZ 25-1104

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: [appellante] ,

advocaat: mr. J.A.A. van der Weijst te Gemonde, gemeente Sint-Michielsgestel,

tegen

1. [verweerder 1] ,

2. [verweerder 2],

beiden wonende te [woonplaats] ,

verweerders,

hierna te noemen: [verweerder 1] en [verweerder 2] en gezamenlijk: de kinderen,

advocaat: mr. drs. E.A. Kronenburg te Den Haag.

inzake de nalatenschap van:

[erflater] ,

geboren te [geboorteplaats] , op [geboortedatum] 1971,

overleden te [plaats] op [sterfdatum] 2024,

laatst gewoond hebbende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: [erflater] .

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van 11 november 2025 van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Bergen op Zoom, waarbij de kantonrechter onder meer de verzoeken van [appellante] heeft afgewezen en naar het proces-verbaal van de terechtzitting van 30 november 2025.

Het hof verwijst daarnaast naar de herstelbeschikking van 18 december 2025.

2. Het geding in hoger beroep

Het verloop van het geding in hoger beroep blijkt uit het volgende:

- het beroepschrift met producties (A1 tot en met A9);

- het verweerschrift met producties (A G-0 tot en met A G-15);

- de op 29 april 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij zijn gehoord [appellante] ,

bijgestaan door mr. Van der Weijst en de kinderen, bijgestaan door mr. Kronenburg;

- de op de mondelinge behandeling in hoger beroep door mr. Van der Weijst

overgelegde en voorgelezen pleitnota;

- de door de griffier van de mondelinge behandeling gemaakte aantekeningen.

3. De beoordeling

De feiten

Het gaat – zakelijk weergegeven – om het volgende.

a. [verweerder 1] en [verweerder 2] zijn de kinderen van [erflater] (hierna: [erflater] ) en geboren uit een eerdere relatie met de moeder van de kinderen.

[appellante] had een relatie met [erflater] . Zij waren niet gehuwd, maar woonden wel al enige tijd samen. [appellante] en [erflater] hebben op 27 juni 2008 een notariële samenlevingsovereenkomst (hierna ook genoemd: SLO) gesloten. In de SLO is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

“De verschenen personen verklaren dat zij een affectieve relatie hebben en dat zij in het kader van die relatie sinds zeven en twintig juni tweeduizend acht samenwonen en sedertdien een gemeenschappelijke huishouding voeren.

Zij zijn overeengekomen de vermogensrechtelijke gevolgen daarvan als volgt te regelen:

A. DOEL

Artikel 1

Met deze overeenkomst willen de verschenen personen onder meer regelingen treffen inzake:

a. de kosten van de gemeenschappelijke huishouding;

b. de gemeenschappelijke goederen;

c. de gemeenschappelijke bewoonde woning;

d. het einde van de samenleving;

(…)

B. DUUR

Artikel 2

1. Deze overeenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd.

2. Iedere verschenen persoon heeft het recht de overeenkomst op te zeggen, met inachtneming van het bepaalde in artikel 7.

C. GEMEENSCHAPPELIJKE HUISHOUDING

Artikel 3

(…)

2. De verschenen personen verplichten zich maandelijks naar evenredigheid van hun netto-inkomsten uit arbeid (…) bij te dragen aan de gemeenschappelijke rekening en/of kas, zodanig dat daar mede de kosten van de gewone gang van de huishouding kunnen worden bestreden. (…)

(…)

G. EINDE

Artikel 7

Deze overeenkomst eindigt:

a. door een notarieel vastgelegde overeenkomst tot ontbinding;

b. door een opzegging door een van de verschenen personen op het tijdstip tegen welke de opzegging is gedaan. De opzegging dient schriftelijk aan de wederpartij te geschieden. (…)

c. door het overlijden van een van de verschenen personen (…);

d. door een huwelijk of het aangaan van een geregistreerd partnerschap;

e. indien, zonder dat een ontbinding als sub a. bedoeld of een opzegging als sub b. bedoeld heeft plaatsgevonden, de verschenen personen in gezamenlijk overleg de overeenkomst feitelijk hebben beëindigd en hun gezamenlijke vermogensbestandsdelen hebben verdeeld.”

Bij testament van eveneens 27 juni 2008 heeft [erflater] over zijn nalatenschap beschikt. [erflater] heeft [appellante] tot executeur en afwikkelingsbewindvoerder benoemd. Verder is in het testament het volgende opgenomen:

“D. ERFSTELLING

Voor het geval ik ongehuwd overlijd, beschik ik als volgt:

1. Primaire benoeming en toekenning erfdelen

Ik benoem tot mijn enige erfgenamen:

a. mevrouw [appellante] (…), hierna ook te noemen: mijn partner, met wie ik een gemeenschappelijke huishouding voer en blijkens een vandaag voor mr. (…), notaris te [kantoorplaats] , verleden akte een samenlevingsovereenkomst ben aangegaan; en

b. ieder van mijn kinderen.

Het erfdeel van ieder van hen is even groot.

(…)

I. BESCHERMINGSBEWIND

Ik stel een bewind in over de door mij aan mijn afstammelingen, hierna zowel tezamen als ieder afzonderlijk ook te noemen: de rechthebbende , nagelaten of vermaakte goederen.

Ten aanzien van dit bewind geldt het volgende:

1. Benoeming (opvolgend) bewindvoerder

Voor het geval mijn partner van mij erft, benoem ik haar tot bewindvoerder.

Indien mijn partner de benoeming tot bewindvoerder niet aanvaardt of kan aanvaarden, dan wel haar hoedanigheid van bewindvoerder om welke reden dan ook eindigt, benoem ik in haar plaats tot bewindvoerder:

Mevrouw [moeder van appellante] (…).

(…)

N. VERVAL BESCHIKKINGEN

1. Verval beschikkingen partner

Alle beschikkingen die ten behoeve van mijn partner zijn getroffen, waaronder mede begrepen de benoeming tot executeur, vervallen:

a. indien ik ten tijde van mijn overlijden niet gehuwd ben met mijn partner en mijn samenleving met mijn partner anders dan door mijn overlijden of een opname van mijn partner of mij in een bejaardenoord, verpleeginrichting, verzorgingshuis of daarmee gelijk te stellen inrichting is beëindigd; of

b. indien ik ten tijde van mijn overlijden met mijn partner gehuwd ben en mijn huwelijk met mijn partner door mijn overlijden wordt beëindigd nadat een procedure tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed aanhangig is gemaakt en geen royement van die procedure heeft plaatsgevonden vóór mijn overlijden of indien een procedure heeft geleid tot een scheiding als bedoeld.

2. Familie (ex-)partner

Het onder 1. bepaalde geldt eveneens voor de benoeming van de bloedverwanten van mijn partner (…) indien ik op grond van het vorenstaande de beschikkingen ten behoeve van mijn partner vervallen of zouden zijn vervallen indien ik tegelijkertijd met mijn (ex-)partner/(ex-)echtgenote zou zijn komen te overlijden.

3. Instelling bewind

De instelling van een bewind waarbij mijn (ex-)partner of een bloedverwant van mijn (ex-)partner tot bewindvoerder wordt benoemd, blijft in stand, indien ik overlijd nadat de gemeenschappelijke huishouding die ik met mijn partner voerde beëindigd is anders dan in het geval van opname in een zorginstelling.”

[erflater] is op [sterfdatum] 2024 overleden nadat hij op [datum] 2024 een suïcidepoging had gedaan.

Eerste aanleg

Bij verzoekschrift, ontvangen op 23 mei 2025, heeft [appellante] – samengevat – verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, een verklaring voor recht dat zij erfgenaam is in de nalatenschap van [erflater] en rechtsgeldig is benoemd tot executeur en afwikkelingsbewindvoerder. [appellante] heeft daarnaast verzocht om in de executele te worden gesteld. [appellante] heeft zich op het standpunt gesteld dat de relatie tussen haar en [erflater] niet was beëindigd, zodat de beschikkingen in het testament ten behoeve van [appellante] niet zijn komen te vervallen. Volgens haar was evenmin sprake van een opzegging of feitelijke beëindiging van de relatie zoals bedoeld in de SLO.

De kinderen hebben verweer gevoerd. Zij hebben aangevoerd dat de samenleving van [erflater] en [appellante] feitelijk al was beëindigd vóór het overlijden van [erflater] . Zij hadden een boedelbeschrijving opgesteld en voorstellen gedaan voor een verdeling van de bezittingen. Zowel [erflater] als [appellante] hebben het beëindigen van de relatie aan verschillende personen kenbaar gemaakt. Zij woonden ook niet meer samen, maar verbleven afwisselend, afzonderlijk van elkaar, in de woning in [woonplaats] . De kinderen hebben zeven (samenhangende) tegenverzoeken ingediend.

De kantonrechter heeft bij beschikking van 11 november 2025 de verzoeken van [appellante] afgewezen, omdat naar het oordeel van de kantonrechter de ten gunste van [appellante] gemaakte beschikkingen in het testament van [erflater] zijn komen te vervallen. Van feitelijk samenwonen waarbij sprake was van een affectieve relatie met een duurzaam karakter, was naar oordeel van de kantonrechter op het moment van overlijden van [erflater] geen sprake meer. Volgens de kantonrechter volgt dat duidelijk uit de genoemde verklaringen, waarbij de verklaring van [appellante] tegenover de politie zwaar weegt. Weliswaar zijn [erflater] en [appellante] niet aan een verdeling van hun gemeenschap toegekomen, maar dat is volgens de kantonrechter inherent aan het plotselinge overlijden van [erflater] . Dat de SLO nog niet overeenkomstig de in de SLO opgenomen bepalingen was beëindigd, doet volgens de kantonrechter aan voorgaand oordeel niet af. Van een situatie als bedoeld in artikel 4:46 lid 2 BW is volgens de kantonrechter geen sprake.

De kantonrechter heeft daarnaast voor recht verklaard dat de samenleving tussen [erflater] en [appellante] vóór het overlijden van [erflater] was beëindigd, dat [appellante] geen erfgenaam is in de nalatenschap van [erflater] en dat [appellante] geen rol als executeur of afwikkelingsbewindvoerder zal vervullen bij de afwikkeling van de nalatenschap van [erflater] .

Hoger beroep

Tegen de beschikking van 11 november 2025, zoals hersteld bij beschikking van 18 december 2025, (hierna: de bestreden beschikking) heeft [appellante] een aantal ongenummerde grieven aangevoerd die hierna in de beoordeling aan de orde komen. [appellante] heeft over de uitleg van het vervalbeding – kort weergegeven – aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte het begrip ‘samenleving’ gelijk heeft gesteld aan ‘feitelijk samenwonen’ en ‘duurzame affectieve relatie’. De ‘samenleving’ in artikel N.1. van het testament moet volgens [appellante] in samenhang worden gelezen met de SLO (die op de dag van het opmaken van het testamentis gesloten) en ziet op de bredere levensgemeenschap/partnerrelatie en niet alleen op een ‘slaapadres’. De ‘beëindiging’ in artikel N.1. van het testament is een definitieve naar buiten kenbare breuk in de levensgemeenschap en niet slechts een tijdelijke verwijdering/ruzie. [appellante] heeft verklaard dat zij en [erflater] vaker ‘enkele weken’ uit elkaar waren, dat het na de laatste reis ‘weer klapte’, en dat zij óók heeft gezegd dat ze ‘misschien weer binnen enkele weken of maanden weer bij elkaar konden komen’. Dat wijst volgens [appellante] eerder op een nieuwe relatiecrisis dan op een definitieve beëindiging. Volgens [appellante] is het vervalbeding in het testament dus niet in werking getreden en is zij nog steeds erfgenaam.

De kinderen hebben bij wege van verweer tegen de grieven betoogd, zakelijk en naar de kern samengevat, dat het testamentaire vervalbeding van artikel N.1. in werking is getreden, omdat de samenleving tussen [erflater] en [appellante] vóór het overlijden feitelijk was geëindigd en dat de ten gunste van [appellante] gemaakte voorwaardelijke testamentaire beschikkingen en benoeming door het wegvallen van de voorwaarde niet meer van toepassing waren op het moment van overlijden van [erflater] .

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

De uitleg van het testamentaire vervalbeding

Om te bepalen of [appellante] erfgenaam is, komt het aan op de uitleg van het testament van [erflater] van 27 juni 2008, in het bijzonder het in artikel N.1. opgenomen vervalbeding. Het toepasselijke artikel 4:46 BW, voor zover van belang, luidt als volgt:

(lid 1) Bij de uitlegging van een uiterste wilsbeschikking dient te worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen, en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt.

(lid 2) Daden of verklaringen van de erflater buiten de uiterste wil mogen slechts dan voor uitlegging van een beschikking worden gebruikt, indien deze zonder die daden of verklaringen geen duidelijke zin heeft.

De Hoge Raad heeft in het arrest van 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1531

bepaald dat bij het uitleggen van een uiterste wilsbeschikking dient te worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen, en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt (artikel 4:46 lid 1 BW). Bij het vaststellen van de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt, kunnen feiten en omstandigheden van na het opmaken van de uiterste wil van belang zijn, omdat daaraan bewijs kan worden ontleend van een omstandigheid waaronder de uiterste wil is gemaakt. Ten tijde van het opmaken van de uiterste wil bij de erflater bestaande verwachtingen over toekomstige gebeurtenissen zullen in aanmerking kunnen komen als omstandigheid waaronder de uiterste wil is gemaakt.

Verwachtingen van de erflater over de toekomst kunnen ook van belang zijn bij het vaststellen van de verhoudingen die de erflater met de uiterste wil kennelijk wenst te regelen. Voor de vaststelling van de verhoudingen die de erflater met de uiterste wil kennelijk wenst te regelen, kan mede acht geslagen worden op verklaringen van getuigen omtrent hetgeen de erflater heeft beoogd.

Doen zich na het opmaken van de uiterste wil feiten en omstandigheden voor waardoor de feitelijke verhoudingen niet langer aansluiten bij hetgeen de erflater kennelijk wenste te regelen, dan kan de uiterste wil zo worden uitgelegd dat de desbetreffende beschikking alleen gold voor de situatie die bestond voordat de bedoelde feiten en omstandigheden zich hadden voorgedaan. Voor een zodanige uitleg is niet vereist dat de erflater bij het opmaken van de uiterste wil op de bedoelde feiten en omstandigheden is vooruitgelopen.

Verder acht het hof voor de uitleg van het testamentaire vervalbeding van artikel N lid 1 onder a. als onderdeel van de testamentaire uiterste wilsbeschikking van [erflater] van belang dat zij heeft te gelden als een eenzijdige, ongerichte rechtshandeling waarop, naast het bepaalde omtrent de uitleg ervan in artikel 4:46 BW, ook het bepaalde van artikel 3:33 BW van toepassing is. Daarbij is het juiste perspectief dat van een objectief persoon die de wilsverklaring en de rechtsgevolgen waarop zij is gericht, naar beste weten begrijpt (conclusie AG van 14 april 2023, r.o. 3.2 in combinatie met r.o. 3.7 tot en met 3.9, ECLI:NL:PHR:2023:444, vóór HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1531). Het is de in de uiterste wil opgenomen wilsverklaring die als zodanig het object van uitleg is (eveneens de hiervoor genoemde conclusie AG, r.o. 3.18). Bij de uitleg van een uiterste wilsverklaring staat een zorgvuldige vaststelling van diens bedoeling voorop, in beginsel aan de hand van alle beschikbare gegevens (wederom de hiervoor genoemde conclusie AG, r.o. 3.23 in combinatie met r.o. 3.47).

De volgende omstandigheden waaronder het testament van 27 juni 2008 is gemaakt, staan vast: [erflater] had twee kinderen uit een eerdere relatie en hij had een affectieve relatie met [appellante] , met wie hij in het kader van die relatie sinds enige tijd voorafgaande aan het opmaken van het testament samenwoonde en waarmee hij sindsdien een gemeenschappelijke huishouding voerde. [erflater] en [appellante] hebben op de dag waarop het testament is opgemaakt met elkaar ook een SLO gesloten waarin zij de vermogensrechtelijke gevolgen van het samenwonen en de gemeenschappelijke huishouding hebben willen regelen; het testament verwijst naar de SLO (artikel D lid 1 onder a).

Het hof constateert dat [erflater] in het testament van 27 juni 2008 (hiervoor als feit geciteerd onder c van r.o. 3.1.) tot zijn enige erfgenamen heeft benoemd zijn partner [appellante] en ieder van zijn kinderen (‘de kinderen’). [erflater] heeft bepaald dat het erfdeel van ieder van hen even groot is. [erflater] heeft daarbij bepaald dat zijn partner [appellante] wordt benoemd tot bewindvoerder (en haar moeder, te weten [moeder van appellante] , tot plaatsvervangende bewindvoerder) voor het geval zijn partner [appellante] van hem erft. [erflater] heeft daarbij gewild dat alle beschikkingen die ten behoeve van zijn partner [appellante] zijn getroffen (waaronder mede begrepen de benoeming tot executeur) vervallen als hij ten tijde van zijn overlijden niet gehuwd is met [appellante] en zijn samenleving met haar is beëindigd (anders dan door zijn overlijden of een opname van [appellante] of [erflater] in een bejaardenoord, verpleeginrichting, verzorgingshuis of daarmee gelijk te stellen inrichting).

De verhoudingen die [erflater] aldus met zijn uiterste wil kennelijk wilde regelen waren dat zijn kinderen en zijn partner [appellante] zijn enige erfgenamen waren met benoeming van [appellante] tot executeur, met het vervalbeding dat [appellante] geen erfgenaam en executeur zou zijn als de samenleving met haar zou zijn beëindigd.

Om te bepalen of [appellante] erfgenaam is, moet het hof de vraag beantwoorden of ten tijde van het overlijden van [erflater] zijn samenleving met [appellante] als beëindigd in de zin van het vervalbeding van artikel N.1. heeft te gelden. Daarbij staat naar het oordeel van het hof centraal hoe de daarin gebruikte bewoordingen “en mijn samenleving met mijn partner (…) is beëindigd” moeten worden begrepen, bezien vanuit het perspectief van een objectief persoon die de wilsverklaring van artikel N lid 1 sub a waarvan zij deel uitmaken en de rechtsgevolgen waarop zij is gericht, naar beste weten begrijpt en gelet op, in beginsel, alle beschikbare gegevens.

In het licht van het voorgaande maken de hiervoor vermelde omstandigheden en verhoudingen in relatie tot de in artikel N lid 1 onder a gebruikte bewoordingen naar het oordeel van het hof aannemelijk dat de in het vervalbeding bedoelde ‘samenleving met mijn partner’ ziet op een feitelijk samenleven als partners ongeacht het al dan niet (voort)bestaan van de tussen hen (op dezelfde dag) overeengekomen SLO. Daartoe wijst het hof op het zinsgedeelte in het testament: “anders dan een opname van mijn partner of mij in een bejaardenoord, verpleeginrichting, verzorgingshuis of daarmee gelijk te stellen inrichting”. In die (hier cursief) aangeduide gevallen heeft [erflater] kennelijk gewild dat [appellante] nog steeds van hem zou erven, ook al zouden zij feitelijk niet meer samenleven, doordat een van hen in een tehuis/inrichting en dus niet meer bij de partner zou verblijven. In alle andere gevallen dat partijen niet meer feitelijk samenleefden als partners, treedt het vervalbeding in werking en erft [appellante] niet van [erflater] , zo begrijpt het hof de strekking van deze bepaling en daarmee de bedoeling van [erflater] als erflater.

Als [erflater] een andere bedoeling had, en hij met “mijn samenleving met mijn partner” dus niet een feitelijk samenleven had bedoeld maar het nog niet ontbonden zijn van de samenlevingsovereenkomst, dan was het opnemen van voormeld zinsgedeelte in artikel N lid 1 onder a. van het testament niet nodig/zonder zin geweest, omdat dan alleen het nog niet ontbonden zijn van de samenlevingsovereenkomst van belang zou zijn en [appellante] , ook al zouden zij en [erflater] niet meer feitelijk samenwonen/samenleven, nog steeds van [erflater] zou erven.

Anders dan [appellante] heeft betoogd in haar eerste ongenummerde grief en in de pleitnota ter zitting bij het hof, is het hof daarom van oordeel dat het op het moment van overlijden van [erflater] al dan niet nog gelden van de samenlevingsovereenkomst bij de uitleg van het vervalbeding niet relevant is. Daarmee slagen de ongenummerde grieven van [appellante] over de uitleg van het testament en de samenlevingsovereenkomst niet.

Dit wordt niet anders door hetgeen [appellante] in het kader van haar grieven nog betoogd over artikel N lid 3 van het testament, te weten dat daarin expliciet wordt gesproken over “gemeenschappelijke huishouding” en dat daar een ander rechtsgevolg is gekoppeld, en verder dat sprake zou zijn van ‘doorwerking’ van het bepaalde in artikel N lid 3. [appellante] laat echter na te concretiseren waarom en in welk opzicht een en ander steun zou bieden aan de door haar bepleite uitleg van artikel N lid 1 onder a. Het hof acht het betoogde daarom niet goed navolgbaar en gaat eraan voorbij.

Naar het oordeel van het hof was de samenleving met [appellante] in de hiervoor bedoelde zin ten tijde van het overlijden van [erflater] beëindigd.

Voor dit oordeel acht het hof de volgende feiten en omstandigheden van belang:

- het WhatsApp-bericht van 29 september 2024 van [erflater] aan [verweerder 2] : “Ik ga weg bij [appellante] en kies deze keer helemaal voor mezelf, en mijn familie”. Daarop heeft [verweerder 2] gevraagd of hij zeker is van zijn keuze waarop [erflater] heeft geantwoord: “Ja… deze keer 100% ook al doet het nu pijn”.

- de WhatsApp-berichten van 30 september 2024 van [erflater] aan vrienden: “ [appellante] heeft besloten geen heil meer in onze relatie te zien (…). Er komt nu teveel op mij af zoals de verkoop van het huis, de zaak etc. (…) Woonruimte zoeken etc. Het huis gaat in de verkoop.” en “(…) Het enige wat voor mij nu goed is is dat ik hier weg kan. Ik ben dus dringend op zoek naar woonruimte.”

- het WhatsApp-bericht van 1 oktober 2024 van [appellante] aan een vriend van [erflater] : “Pffff.. zal je ff mijn kant vertellen. Heb je verteld over namibie dat ik daar besefte, dit is klaar. Leuke mensen leren kennen en met iedereen nog veel contact. Ik ging volgende week sowieso weg om hem rust te geven maar heb gisteravond afgesproken met iemand die ik vanuit daar ken om door de eifel/Moezel te gaan rijden. Een vent ja, dus wilde dat niet zeggen tegen hem want weet dat ie dan helemaal uit z’n stekker gaat. Ondanks dat we niet meer samen zijn kan ie dat niet hendelen. Dus gisteravond hotelletje (…)”.

- het WhatsApp-bericht (ongedateerd) van [erflater] aan medewerkers: “Veel van jullie zullen het inmiddels misschien wel gehoord hebben maar [appellante] en ik zijn op een heel vervelende manier uit elkaar gegaan.”

- het WhatsApp-bericht van 10 oktober 2024 van [erflater] aan [verweerder 2] : “De meeste in [bedrijf] weten onderhand dat we uit elkaar zijn. En op FB staat dat ik geen relatie meer heb”.

- de WhatsApp-berichten van 10 oktober 2024 van [erflater] aan een vriendin, [vriendin] (hierna: [vriendin] ): “Het huis is goed getaxeerd. Het gaat volgens mij deze week de markt op” en “(…) Misschien koopt zij het wel. Maakt mij niet uit als de prijs maar goed is. Ik heb er wel aan gedacht om het huis te houden maar als ondernemer een hypotheek krijgen is al moeilijk. En als ik het bedrijf niet krijg toegewezen dan is het zelfs onmogelijk. Dat risico ga ik niet nemen. (…)”

- de WhatsApp-berichten van 15 oktober 2024 van [erflater] aan [vriendin] : “Ik heb haar aangeboden dat ze mij uit kan kopen. Moet ze wel een goed bod doen. Gelukkig is ze weer weg dus ik heb ff rust nu.”

- de e-mail van 17 oktober 2024 van [erflater] aan [appellante] “(…) Ik heb verschrikkelijk veel spijt van alle dingen die gebeurd zijn. (…) Ik zag geen uitweg meer en zag mijn hele leven ten onder gaan. In plaats van met jou te praten ben ik boos geworden. Dat neem ik mijzelf heel erg kwalijk (…). (…) Ik snap helemaal waarom de aantrekkingskracht van jou naar mij is verdwenen. (…) Toen jij zei dat er meer slechte momenten waren wilde ik dat niet geloven omdat ik alleen de goede momenten wilde zien. Maar ik besef mij nu dat je gelijk hebt. Nadat ik erachter was gekomen dat je met een andere man naar de Moesel wilde gaan, ben ik kapot gegaan. Ik voelde mij zo ontzettend machteloos dat ik het idee had dat ik alleen nog maar terug kon vechten. Daarmee heb ik je nog verder weg geduwd (…). (…) maar ik begrijp het ergens wel dat je misschien bij een ander iets vond wat je bij mij niet meer kreeg. Ik meende wat ik zei dat ik vind dat er teveel tussen ons is om weg te gooien. (…) Ik snap wel dat de rot momenten daarna voor jou de doorslag gaven. (…) Ik denk dat wij samen eerder stappen hadden moeten nemen om te kijken wat er nog te redden viel. (…) Nu denk ik, we hadden de werkzaamheden meer moeten scheiden. (…) Was het dan wel goed gekomen? dat weet ik niet. (…) Ik hoop dat wij ondanks alles samen hier uit kunnen komen. Ik weet dat je daar nu niet aan moet denken maar ik hoop dat jij jezelf nog de [erflater] kan herinneren waar je ooit verliefd op bent geworden. Al zou het alleen op zakelijk vlak zijn. Want lieve [appellante] , jij bent mij teveel waard om je niet meer in mijn leven te hebben....”.

- de verschillende WhatsApp-berichten van 18 oktober 2024 van [erflater] aan [appellante] :

“(…) Heb je iets met iemand anders?”

“(…) ik moet het eerlijk van je weten. Dat heb ik nodig om dit allemaal voor mijzelf te verwerken.”

“ [appellante] ik ben hier kapot aan het gaan. Gun mij dit alsjeblieft eerlijk. Ik doe niets geks ik moet het alleen weten”

Daarop heeft [appellante] geantwoord:

“ [erflater] ik ga hier nu niet over praten. Gisterochtend wilde je me nog kapotmaken dus verwacht even helemaal niks van mij. Morgenmiddag kan ik met je praten.”

[erflater] heeft vervolgens onder meer als volgt gereageerd:

“Dit is het enige wat ik van je nodig heb. Gun mij dat alsjeblieft”

“Daarna zal ik je nooit meer lastig vallen”

“Ik wil je niet kapot maken, dat zweer ik op mijn kinderen. Ik gun je alle geluk van de wereld daarvoor hou ik teveel van je. Maar dit is iets wat ik moet weten om et voor mijzelf een plekje te kunnen geven. Dus wees alsjeblieft eerlijk tegen mij”

“Alsjeblieft [appellante] . Ik smeek het je. Ik trek het niet om nog een nacht door te maken zonder te weten of er iemand anders is. Gun mij dat alsjeblieft”

- het WhatsApp-bericht van [appellante] aan een vriend van [erflater] dat ongedateerd is, maar waaruit af te leiden valt dat deze in ieder geval na [datum] 2024 is verstuurd: “Sinds 19 september zijn er weken van vechten aan vooraf gegaan. (…) De emotie die zolang blijft en het up en down gaan is o.a. voor mij één van de redenen geweest waardoor ik de relatie niet meer wilde en kon. (…) Afgelopen donderdag stuurde hij mij een lange mail [hiermee is bedoeld de e-mail van 17 oktober 2024 van [erflater] aan [appellante] – toegevoegd door het hof] (…). Aan de hand daarvan zijn we zaterdag gaan praten. Ik heb hem geen enkele hoop gegeven in een appje dat het goed zou komen want ik wilde de relatie niet meer maar hij was bereid te praten over ons maar ook als het niet meer zou gaan over het bedrijf. Zaterdag was hij uiteraard emotioneel in z’n gesprek maar hebben we wel heel rustig kunnen praten, er was geen ruzie, geen schreeuwen, helemaal niks van dat. Hij wilde het graag nog een kans geven maar ik op dat moment niet meer.”

- het proces-verbaal van 20 oktober 2024 van de politie: “ [appellante] vertelt dat er veel ellende in de relatie is en dat ze hem vandaag verteld heeft dat ze hem niet terug wil.”

Het hof leidt hieruit af dat [appellante] en [erflater] al een aantal weken niet meer samenleefden toen [erflater] op [sterfdatum] 2024 overleed. Dat zij uit elkaar zijn gegaan, heeft [erflater] ook naar de buitenwereld toe kenbaar gemaakt. Zo heeft [erflater] zijn relatiestatus op Facebook veranderd in “vrijgezel” en heeft hij laten weten dat hij dringend op zoek was naar woonruimte. Verder blijkt uit het voorgaande dat [erflater] en [appellante] bezig waren met de verkoop van het huis. Op 4 oktober 2024 was er een makelaar geweest, de woning was getaxeerd en de woning zou de markt op gaan. Ook waren zij bezig met de verkoop van de zaak/onderneming die zij samen hadden. Zo heeft [erflater] aan een vriendin laten weten dat [appellante] hem mocht uitkopen. Daarbij komt dat uit het procesdossier blijkt dat [erflater] en [appellante] om de beurt in de woning verbleven en dat [erflater] een boedelbeschrijving heeft opgemaakt ter voorbereiding op de verdeling tussen hem en [appellante] . [appellante] stelt dat zij kan aantonen dat de rekeningen voor de gezamenlijke woning ook tot en met de laatste dag gezamenlijk werden voldaan, maar dat acht het hof niet relevant. Ook als een samenleving is beëindigd, kan men nog gezamenlijk de rekeningen betalen totdat gezamenlijke financiële zaken zijn afgehandeld.

Dat [erflater] op enig moment in oktober 2024 nog aan [appellante] heeft laten weten dat hij de relatie toch zou willen herstellen, doet aan het voorgaande niet af. Feitelijk leefden [appellante] en [erflater] niet meer samen. Dat [appellante] dat ook niet meer wilde, leidt het hof af uit de hiervoor al geciteerde verklaring tegenover de politie op 20 oktober 2024, namelijk dat ze [erflater] die dag had verteld dat ze hem niet terug wilde. Er was, ook in haar eigen visie, dus geen zicht meer op samenleving in de zin van het testament op het moment van overlijden van [erflater] . Dat men in het verleden na ruzie wel vaker enige tijd uit elkaar zou zijn gegaan brengt het hof niet tot een ander oordeel, nog daargelaten dat feitelijk niet is onderbouwd dat het in oktober 2024 slechts om een tijdelijke afkoelingsperiode zou zijn gegaan.

Het hof is van oordeel dat, gelet op het voorgaande, er geen grond bestaat voor het opdragen van bewijslevering (onder meer over de vraag of de relatie tussen [appellante] en [erflater] was beëindigd). Het hof heeft aan de hand van het hiervoor aangehaalde feitenmateriaal al vastgesteld dat van feitelijk samenleven als bedoeld in het testament geen sprake meer was. De grief die [appellante] hierover heeft aangevoerd slaagt dus niet.

[appellante] heeft verder aangevoerd dat het onmiddellijkheidsbeginsel is geschonden onder verwijzing naar A-G Assink in de conclusie van 12 december 2025, ECLI:NL:PHR:2025:1364, omdat de kantonrechter uitspraak heeft gedaan zonder dat partijen beschikten over een vastgesteld proces-verbaal van de mondelinge behandeling. Volgens [appellante] leidt dat tot vernietiging van de bestreden beschikking. Bovendien is de pleitnota van haar advocaat niet vermeld in de beschikking. [appellante] meent dat de kantonrechter daarom geen dan wel onvoldoende acht heeft geslagen op de inhoud ervan en dat sprake is van innerlijke inconsistentie tussen de herstelbeschikking en de eindbeslissing.

Het hof is van oordeel dat deze grieven niet slagen. Vaststaat dat de advocaat van [appellante] zijn pleitnota tijdens de zitting bij de kantonrechter heeft voorgedragen en zijn stellingen naar voren heeft kunnen brengen en dat diezelfde kantonrechter over de zaak heeft geoordeeld. Er is geen sprake van dat een of meer andere rechters dan die bij de zitting van partijen aanwezig waren over de zaak hebben geoordeeld zonder dat men kon beschikken over een proces-verbaal van de zitting. Er is dan ook geen sprake van schending van het onmiddellijkheidsbeginsel. Dat het proces-verbaal van de zitting pas na de uitspraak aan partijen ter hand is gesteld, doet hieraan niet af.

De kantonrechter heeft weliswaar per abuis de pleitnota van de advocaat van [appellante] , die de advocaat tijdens de zitting heeft voorgedragen en waarvan de kantonrechter dus kennis heeft genomen, niet vermeld in de beschikking van 11 november 2025, maar dat is bij herstelbeschikking van 18 december 2025 hersteld.

Het hof van oordeel dat ook de grief van [appellante] , waarin zij stelt dat de kantonrechter aan haar een strikte toepassing van tardiviteit heeft tegengeworpen, terwijl de wederpartij ruime gelegenheid heeft gekregen om feitelijke stellingen en contextuele stukken in te brengen, niet slaagt. De kantonrechter kon op grond van het procesreglement tot het oordeel komen dat bedoelde aanvullende stukken van [appellante] te laat waren ingediend en daarom niet werden toegelaten. Bovendien heeft [appellante] deze stukken, alsnog in hoger beroep overgelegd en heeft het hof van deze stukken kennis genomen.

Conclusie

Omdat het hof van oordeel is dat de samenleving tussen [erflater] en zijn voormalige partner [appellante] , met wie hij niet gehuwd was, ten tijde van het overlijden van [erflater] was beëindigd (anders dan door zijn overlijden of een opname in een tehuis/inrichting), leidt dat tot de conclusie dat voldaan is aan het vervalbeding in het testament en dat [appellante] geen erfgenaam (meer) is van [erflater] toen hij overleed. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen en de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

Proceskosten

De aard van de zaak brengt met zich dat de proceskosten worden gecompenseerd, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking, zoals die is hersteld bij beschikking van 18 december 2025;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt en

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.I.M.W. Bartelds, B.E.L.J.C. Verbunt en T. van der Valk, en is in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand