ECLI:NL:GHSHE:2026:213

ECLI:NL:GHSHE:2026:213

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 29-01-2026
Datum publicatie 29-01-2026
Zaaknummer 200.363.281_01
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Hoger beroep kort geding
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBZWB:2025:9466

Samenvatting

kort geding over schoolkeuze en daarmee samenhangende zorgregeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugd

zaaknummer 200.363.281/01

arrest van 29 januari 2026

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna: de vrouw,

advocaat: mr. N. Groen,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna: de man,

advocaat: mr. F.C.M. Maat-Oldenhof.

op het bij exploot van dagvaarding van 6 januari 2026 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 18 december 2025, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West Brabant (Middelburg), gewezen tussen de vrouw als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en de man als gedaagde in conventie, eiser in reconventie.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,

hierna te noemen: de raad.

In het kort

De vrouw is het er niet mee eens dat de voorzieningenrechter aan de man vervangende toestemming heeft verleend om de 4-jarige [XX] in te schrijven bij een basisschool in zijn woonomgeving en ook niet met de voorlopige zorgregeling die de voorzieningenrechter heeft bepaald.

1. Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/442744 / KG ZA 25-658)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

Bij beschikking met zaaknummer 200.363.025/01 van 29 december 2025 heeft het hof – als voorzieningenrechter in hoger beroep – het verzoek van de vrouw om een bijzondere spoedbehandeling toegewezen en onder verkorting van de reguliere termijnen de mondelinge behandeling bepaald op 14 januari 2026.

Op de mondelinge behandeling van 14 januari 2026 zijn partijen, bijgestaan door hun advocaten, verschenen. Namens de raad is [persoon A] verschenen.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding in hoger beroep met memorie van grieven en producties;

de memorie van antwoord, ontvangen op 12 januari 2026.

De voorzitter heeft op de mondelinge behandeling van genoemde stukken akte verleend.

Zoals op de mondelinge behandeling aan partijen medegedeeld, weigert het hof het Zivverbericht inclusief producties van mr. Groen van 13 januari 2026. De producties zijn dubbel en waren al ingediend door de man bij zijn memorie van antwoord.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3. De beoordeling

Partijen hebben van 2002 tot augustus 2024 een relatie met elkaar gehad. Tijdens deze relatie is geboren:

- [kind A] (roepnaam: [XX]), op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .

Partijen hebben samen het gezag over [XX] .

Partijen zijn op 23 september 2021 een geregistreerd partnerschap met elkaar aangegaan.

Bij beschikking van de rechtbank van 29 juli 2025 heeft de rechtbank de ontbinding hiervan uitgesproken. Deze beschikking is op 7 augustus 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Voor zover relevant in deze kort geding-procedure zijn partijen in een ouderschapsplan van 13 juli 2025 overeengekomen dat:

[XX] haar hoofdverblijf heeft bij de vrouw en bij de vrouw staat ingeschreven;

partijen bij een voorgenomen verhuizing vooraf met elkaar in overleg treden en dat het uitgangspunt is dat ouders binnen een straal van maximaal 40 reisminuten van elkaar blijven wonen;

zij uitvoering geven aan een co-ouderschap waarbij [XX] iedere week op maandag en dinsdag bij de man verblijft en iedere week op donderdag en vrijdag bij de vrouw. Verder verblijft [XX] om de week op woensdag bij de man, alsmede om het weekend;

het de voorkeur verdient om [XX] bij één van de ouders te laten verblijven en dat opvang van [XX] door derden alleen aan de orde is als geen van de ouders de mogelijkheid heeft om haar op te vangen. De verantwoordelijkheid ligt echter bij de ouder bij wie [XX] volgens het schema verblijft. De ouders informeren elkaar als deze situatie zich voordoet.

zij gezamenlijk een keuze maken voor een (type) school (3.6).

De gezamenlijke woning van partijen in [A] is inmiddels is verkocht en geleverd. De vrouw is met [XX] begin augustus 2025 ingetrokken bij haar huidige partner in [B] met wie zij in december 2025 samen een huis heeft gekocht (ook in [B] ). De man heeft na de verkoop van de gezamenlijke woning een woning gekocht in [D] en in afwachting van de verbouwing c.q. beschikbaarheid daarvan tijdelijk zijn intrek genomen bij een bevriend gezin in [C] , waar hij thans nog steeds verblijft. De man is voornemens begin maart 2026 te verhuizen naar zijn nieuwe koopwoning in [D] .

o Bij de rechtbank

Beide ouders hebben gevorderd dat [XX] in zijn/haar woonomgeving naar school gaat en beide ouders hebben voorstellen gedaan aan de voorzieningenrechter hoe de zorgregeling met de andere ouder er in dat geval dan dient uit te zien.

Partijen hebben in eerste aanleg over en weer het volgende gevorderd:

 de vrouw:

1. dat aan haar vervangende toestemming wordt verleend om [XX] te mogen aanmelden op basisschool [school A] te [B] vanaf het schooljaar 2025-2026;

2. dat een voorlopige zorgregeling tussen partijen wordt vastgesteld waarbij de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, in afwachting van een te starten bodemprocedure, zo wordt gewijzigd dat [XX] conform een tweewekelijks schema in de even weken van donderdag na school tot en met maandag naar school bij de man verblijft en in de oneven weken van donderdag na school tot en met vrijdag naar school, indien zij in [B] wordt ingeschreven op een basisschool;

3. dan wel dat de rechtbank een zodanige andere beslissing neemt die de rechtbank juist acht.

 de man:

1. dat aan hem vervangende toestemming wordt verleend om [XX] in te mogen schrijven op basisschool [school B] in [D] , althans een andere door de rechtbank of door partijen in onderling overleg aan te wijzen school en hem toestemming te verlenen om [XX] met ingang van 1 januari 2026 deze school te laten bezoeken;

2. een voorlopige zorgregeling vast te stellen waarbij de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, in afwachting van een te voeren bodemprocedure worden gewijzigd op de wijze als primair geformuleerd onder punt 22-23, subsidiair punt 25, meer subsidiair 24 van zijn conclusie verwoord, althans dat de rechtbank een zorgregeling vaststelt die de rechtbank juist acht.

Bij het bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – vonnis heeft de voorzieningenrechter onder compensatie van de proceskosten:

aan de man, ter vervanging van de toestemming van de vrouw, vervangende toestemming verleend om [XX] in te schrijven op een door partijen in onderling overleg aan te wijzen basisschool in [D] of [C] en voor zover partijen hierover uiterlijk 5 januari 2026 geen overeenstemming hebben bereikt, om [XX] in te schrijven op [school C] te [D] ;

in afwijking van de door partijen bij ouderschapsplan van 13 juli 2025 overeengekomen zorgregeling, een voorlopige, in afwachting van een te voeren bodemprocedure, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen vastgesteld volgens het navolgende tweewekelijkse schema, conform het primair door de man gevorderde onder 22 en 23:

Week 1:

[XX] verblijft op maandag, dinsdag en woensdag bij de man. Vervolgens zal [XX] op donderdag door de man naar school worden gebracht en na school door de man naar de vrouw worden gebracht. Op donderdag, vrijdag en zaterdag verblijft [XX] bij de vrouw. De man haalt [XX] op zaterdagavond of zondagochtend op bij de vrouw, waarna [XX] op de zondag bij de man zal verblijven;

Week 2:

[XX] verblijft op maandag, dinsdag en woensdag bij de man. Vervolgens zal [XX] op donderdag door de man naar school worden gebracht en na school door de man naar de vrouw worden gebracht. Op donderdag, vrijdag, zaterdag en zondag verblijft [XX] bij de vrouw en brengt de vrouw [XX] op maandagochtend naar school;

Bij het hof

De vrouw vordert in hoger beroep vernietiging van het bestreden vonnis, en opnieuw rechtdoende, toewijzing van haar conventionele vorderingen in eerste aanleg en afwijzing van de reconventionele vorderingen van de man, althans dat het hof een zodanige beslissing neemt die het hof juist acht.

 Standpunt van de vrouw in hoger beroep

Om haar stellingen te onderbouwen, heeft de vrouw in totaal 9 grieven aangevoerd (zie de memorie van grieven) waarvan ze op de mondelinge behandeling heeft verklaard dat deze grieven onderverdeeld kunnen worden in de volgende drie groepen, welke grieven zij – samengevat – als volgt toelicht:

1. de man kan zijn toezeggingen over de tijdsinvulling toch niet waarmaken (grieven I en II);

De man is de zanger van een vijfkoppige band en toert hiermee door Nederland in verschillende theaters. Daarnaast is de man een graag geziene gast bij diverse televisieprogramma’s. Tijdens de relatie van partijen, was de man vaak weg (dit zal de komende jaren niet veranderen) en dan zorgde de vrouw voor [XX] . De rechtbank mocht niet afgaan op de enkele blote stelling van de man dat hij per eind januari 2026 wél rekening kan houden met het zorgschema, zonder dat de rechtbank daarvan enig bewijs heeft gekregen. Het afgelopen half jaar is duidelijk geworden dat de man op meerdere momenten niet in staat is gebleken om de zorg voor [XX] te combineren met zijn werkverplichtingen en dat hij (tegen de afspraken van het ouderschapsplan in) een oppas heeft ingeschakeld, zonder dat de vrouw dat te horen kreeg. De vrouw werkt 4 dagen per week (maandag tot en met donderdag) en zij kan de meeste dagen thuiswerken, zodat [XX] niet naar de buitenschoolse opvang hoeft.

2) de rechtbank heeft onjuiste criteria aangehouden bij het nemen van de beslissing, althans deze criteria onjuist gewogen (de grieven III tot en met VII);

In het voorgestelde zorgschema van de vrouw wordt voor [XX] de meeste rust, stabiliteit en continuïteit gewaarborgd. Het schema van de rechtbank betekent dat [XX] in twee aparte werelden gaat opgroeien. Een brug slaan tussen deze twee werelden zal met een dergelijke opgeknipte weekregeling erg moeilijk worden. Waarom is de man niet in staat om één vol weekend per veertien dagen vrij te houden, maar wel toe te zeggen om alle andere dagen vrij te houden?

3) de volgorde waarin de onderwerpen schoolkeuze en zorginvulling zijn afgehandeld is verkeerdom en bij een juiste volgorde was de uitkomst anders geweest (grieven VIII en IX).

De rechtbank heeft ten onrechte éérst beslist op de zorgregeling en daarna pas op de vervangende toestemming voor de school. De relevante wijziging van omstandigheden om te komen tot een spoedeisend belang bij wijziging van de zorgregeling ligt er uitsluitend in dat [XX] naar school gaat.

Op de mondelinge behandeling heeft de vrouw een alternatief voorstel gedaan in het geval het hof zou beslissen dat [XX] in [B] naar school gaat. De zorgregeling zou er dan ook zo uit kunnen zien;

de ene week van dinsdag na school tot en met zondag 12.00 uur bij de vrouw waarna de vrouw [XX] op zondag naar de man brengt, waarna [XX] tot dinsdag vóór school bij de man verblijft en de man [XX] op dinsdagochtend naar school brengt;

de andere week is [XX] dan van dinsdag na school tot en met vrijdag na school (korte schooldag) bij de vrouw, waarna ze tot dinsdag voor school bij de man verblijft.

In het geval het hof haar hoger beroep afwijst en [XX] in [D] naar school gaat, kan de vrouw instemmen met de voorlopige zorgregeling die de voorzieningenrechter heeft vastgesteld.

 Verweer van de man in hoger beroep;

De man vordert in hoger beroep bekrachtiging van het bestreden vonnis, al dan niet onder wijziging of aanvulling van gronden en verwerping van de grieven van de vrouw. Onder verwijzing naar de grievengroepen van de vrouw hierboven, verweert de man zich – samengevat – als volgt.

De man heeft al in de mediation toegezegd dat hij zijn carrière anders zou vormgeven aan het einde van de op dat moment reeds bestaande verplichtingen. Hij heeft dat ook gedaan. Hij heeft al een behoorlijk aantal nieuwe opdrachten niet aangenomen omdat die niet met de zorg voor [XX] te combineren vielen. De tour, waarvoor de man inderdaad veel weg was, eindigt in januari 2026. De man is volledig beschikbaar voor [XX] op de dagen die de voorzieningenrechter heeft beslist. Hij is zelfstandig ondernemer, kiest zijn eigen werktijden en hoeft nooit plotseling weg. De vrouw is vanwege haar baan in [E] afhankelijk van een baas en het openbaar vervoer.

Tussen partijen is onbetwist gebleven dat de concerten van de man vooral in de tweede helft van de week plaatsvinden en dat is dan ook waar de man zich aan heeft gecommitteerd. Hij kan zich daar ook aan committeren, omdat hij tijd en ruimte in zijn agenda heeft om in de eerste helft van de week voor [XX] te zorgen. Ten tijde van het ondertekenen van het ouderschapsplan was dit tussen partijen in consensus. Ten aanzien van de voorspelbaarheid en continuïteit van de zorgregeling is de door de voorzieningenrechter vastgelegde regeling het meest in het belang van [XX] , omdat de weken van [XX] er dan altijd hetzelfde uitzien.

De onderwerpen zorgregeling en school zijn niet los van elkaar te zien. Partijen hebben gezamenlijk aan de voorzieningenrechter laten weten dat zij graag zien dat beide beslissingen in één keer zouden worden genomen, omdat dat nu eenmaal in het belang van [XX] is.

 Advies van de raad aan het hof

De raad heeft op de mondelinge behandeling verklaard te zijn geschrokken van de gespannen sfeer tussen de ouders; dit moet belastend zijn voor [XX] . De raad adviseert dat het beter is voor [XX] om in [B] naar school te gaan, omdat dit minder gedoe tussen de ouders oplevert en dit de meeste structuur voor [XX] betekent. De raad snapt niet wat het voordeel zou zijn als [XX] in [D] naar school zou gaan; qua reisbewegingen voor partijen maakt dit geen verschil. Het zou meer rust brengen als [XX] in [B] op school zou zitten en de man, als hij vrij is, een lang weekend met [XX] kan doorbrengen. Dit kunnen partijen met elkaar afspreken als de agenda van de man het toelaat. De man zou bijvoorbeeld altijd op maandag en dinsdag voor [XX] kunnen zorgen en op de woensdag zouden de ouders dit flexibel op kunnen lossen (bv. om en om). Als er dan op schooldagen zich iets voordoet met [XX] , dan is de man in ieder geval op maandag, dinsdag en (mogelijk) woensdag echt beschikbaar voor haar en kan hij [XX] ophalen van school. De raad oppert als wisselmoment in de andere week zondag om 12.00 uur. De raad vreest dat als de man financiële druk voelt, hij toch bepaalde klussen gaat aannemen in de tijd dat hij voor [XX] dient te zorgen. Al met al is het gecompliceerder als [XX] in [D] naar school gaat en daarom is [B] beter. Op vragen van het hof wat de doorslag geeft om tot dit advies te komen, heeft de raad verklaard dat dit “minder gedoe” geeft.

Het hof overweegt als volgt.

Evenals de voorzieningenrechter in hoger beroep in zijn oordeel in de beschikking van 29 december 2025, is het hof van oordeel dat de voorliggende vorderingen naar hun aard spoedeisend zijn, temeer nu [XX] op 28 december jl. de 4-jarige leeftijd heeft bereikt waarmee het moment is aangebroken dat zij naar een basisschool mag gaan. Het hof gaat daarom over tot een inhoudelijke beoordeling daarvan.

Het hof stelt voorop dat een kort geding een ordemaatregel betreft: een tijdelijke oplossing voor een dreigende noodsituatie in afwachting van de beslissing van de bodemrechter. Op de mondelinge behandeling van het hof hebben partijen verklaard dat zij allebei nog geen bodemprocedure hebben gestart om tot wijziging van het ouderschapsplan te komen. Het hof wijst partijen erop dat de bedoeling van een beslissing in kort geding niet is om een definitieve wijziging aan te brengen in een bestaande situatie, maar dat dat slechts het geven van een ordemaatregel is, vooruitlopend op een definitieve uitspraak of nieuwe afspraak tussen partijen. Het hof constateert dat zowel het vonnis van de voorzieningenrechter als de grieven van de vrouw én het verweer van de man hierop omvangrijker zijn en dieper gaan dan gebruikelijk in een kortgedingprocedure. Voor een grondig onderzoek naar de feiten is geen plaats. De kortgedingprocedure leent zich niet voor een bewijsprocedure. Partijen procederen over en weer op een dergelijk detailniveau waarvoor binnen een kortgedingprocedure in beginsel geen plaats is; daarvoor is nu juist de bodemprocedure bedoeld. Het hof doelt hiermee op onder andere de (ook op de mondelinge behandeling bij het hof) steeds terugkerende discussie tussen partijen over hun afspraak in het ouderschapsplan (onder 3.5) over derden die voor [XX] zorgen als de verzorgende ouder afwezig is en, in het verlengde daarvan, op de door beide ouders overgelegde Whatsapp-gesprekken waarmee zij het hof willen overtuigen van zijn/haar gelijk met daarin gedetailleerde discussies over bepaalde dagen/omstandigheden binnen de uitvoering van de zorgregeling. Dit soort kwesties zijn niet spoedeisend en het kort geding is hier niet voor bedoeld. Het hof zal daarom niet ingaan op alle stellingen van partijen. Voor nu dient er een tijdelijke ordemaatregel te worden genomen omdat [XX] in december 2025 de basisschoolleeftijd heeft bereikt en de voorzieningenrechter het met partijen eens was dat het in het belang van [XX] is dat zij zo snel mogelijk naar een basisschool gaat. Met deze achtergrondinformatie, overweegt het hof het volgende.

Het hof kan het betoog van de vrouw over de volgorde waarop de voorzieningenrechter heeft beslist op de geschilpunten, niet volgen. Beide geschilpunten, de zorgregeling en de school, zijn immers ten nauwste met elkaar verbonden. Het is voorts aan de voorzieningenrechter om de volgorde te bepalen waarop hij op de vorderingen van partijen gaat beslissen. Net als de voorzieningenrechter, stelt het hof de beschikbaarheid van de ouders voor [XX] voorop en overweegt daartoe het volgende.

Partijen hebben meer dan 20 jaar een relatie met elkaar gehad; in al die jaren is de man artiest geweest en was het voor partijen niet meer dan normaal dat de man op andere tijden en dagen werkte dan iemand met een kantoorbaan. Het hof kan het standpunt van de vrouw – waarom de man niet in staat zou zijn om één weekend per veertien dagen vrij te houden voor [XX] , maar wel de doordeweekse dagen – daarom niet volgen. Het is nooit anders geweest dan dat de man in de weekenden werkte en doordeweeks minder of niet. De vrouw kan niet van de man vergen om daarin een dergelijke vergaande ommekeer te maken. Dit zou betekenen dat de man zijn carrière niet meer kan vormgeven op de manier waarop hij dat altijd heeft gedaan en tevens dat hij ernstig wordt beperkt in het genereren van inkomsten. Toen partijen hun relatie verbraken, hebben zij bovendien zelf de zorg voor [XX] op basis van dit gegeven ingedeeld, zodat de man – net als de vrouw – ongeveer de helft van de tijd met [XX] kon doorbrengen. Partijen hebben op de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat feitelijk de man sinds hun relatiebreuk (augustus 2024) van zondagmiddag tot en met donderdagmiddag voor [XX] zorgde en de vrouw van donderdagmiddag tot zondagmiddag, waarna de man het op zondagmiddag weer overnam. Dit deden zij in het kader van ‘birdnesting’ vanuit hun toenmalige gezamenlijke woning in [A] . Het hof constateert dat deze regeling circa één jaar lang goed heeft gewerkt. Dit veranderde na de verkoop van de gezamenlijk woning (mei 2025) ten gevolge van de keuzes die beide partijen vervolgens hebben gemaakt voor respectievelijk [B] (de vrouw in augustus 2025) en [D] (de man verblijft na verkoop van de echtelijke woning bij een bevriend gezin in [C] (vlak bij [D] ) en kocht in mei 2025 een woning in [D] waar hij gaat wonen in maart 2026). Door deze keuzes zagen partijen zich ineens voor het ‘schoolprobleem’ geplaatst toen de basisschoolleeftijd van [XX] steeds dichterbij kwam en hun afspraak hierover in het ouderschapsplan om samen een school uit te kiezen, niet langer houdbaar bleek. Nu partijen ieder hun eigen woonkeuzes hebben laten prevaleren boven een onderlinge afstemming van de schoolkeuze en zorgregeling voor [XX] , is de afstand en het heen en weer rijden een gegeven.

Evenals de voorzieningenrechter, gaat het hof er – in onderhavige procedure – vanuit dat de man beschikbaar is voor [XX] op maandag, dinsdag en woensdag, ofwel het grootste gedeelte van een reguliere schoolweek. De aanname van de raad dat de man onder financiële druk zal bezwijken en toch klussen aan zal nemen op deze dagen, is een aanname die niet gesteund wordt door feiten. Hetzelfde geldt voor de zorg van de vrouw – kennelijk gedeeld door de raad – dat de man zijn toezeggingen over de tijdsinvulling toch niet zal waarmaken. De man heeft, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, de stellingen van de vrouw gemotiveerd weersproken. Hij heeft daarnaast voldoende aannemelijk gemaakt dat zijn huidige tournee, die circa twee jaar heeft geduurd, eindigt in januari 2026. Dit wordt bevestigd door de verklaring van zijn artiestmanager (van 7 januari 2026), waarin tevens staat dat de man al meerdere klussen heeft afgewezen omdat hij op die momenten voor [XX] moest zorgen. De artiestmanager, die al vijftien jaar professioneel aan de man is verbonden, bevestigt bovendien dat het werk van de man verenigbaar is met een zorgregeling waarbij de man van zondag tot en met donderdagmiddag na school (waarna hij [XX] naar de vrouw brengt) voor [XX] zorgt. Het hof heeft op dit moment onvoldoende aanleiding om de toekomstige beschikbaarheid van de man in twijfel te trekken, zodat het hof ervan uitgaat dat de man daadwerkelijk op maandag, dinsdag, woensdag en donderdag tot einde schooltijd volledig beschikbaar is om voor [XX] te kunnen zorgen. De vrouw heeft weliswaar verklaard op de mondelinge behandeling dat zij vaker thuis kan werken, zodat [XX] niet naar de BSO hoeft, maar dit neemt niet weg dat de vrouw nog steeds vier dagen per week moet werken (hetzij grotendeels thuis) en zij dan niet volledig beschikbaar is voor [XX] .

Het hof zal nu ingaan op de voorstellen die de vrouw en de raad hebben gedaan in het kader van de zorgregeling in de situatie waarin [XX] in [B] op school zou zitten. Het primaire voorstel van de vrouw (in dit arrest uitgeschreven onder 3.4.1.) acht het hof niet in het belang van [XX] . Voor zover de man dit al zou kunnen waarmaken (waarover later meer) zou dit een dermate grote vermindering van het contact tussen hem en [XX] opleveren dat hij zijn rol als ouder – afgezet tegen de tijd die hij eerst met [XX] doorbracht – niet meer volwaardig kan vervullen.

- Alternatief voorstel van de vrouw gedaan op de mondelinge behandeling: situatie [B]

maandag

dinsdag

woensdag

donderdag

vrijdag

zaterdag

zondag

Wk 1

man

man-vrouw

vrouw

vrouw

vrouw

vrouw

vrouw-man

Wk 2

man

man-vrouw

vrouw

vrouw

vrouw-man

man

man

- Advies van de raad: situatie [B]

maandag

dinsdag

woensdag

donderdag

vrijdag

zaterdag

zondag

Wk 1

man

man

man of vrouw

vrouw

vrouw

vrouw

vrouw-man

Wk 2

man

man

man of vrouw

vrouw

vrouw-man

man

man

Het hof acht deze voorstellen evenmin in het belang van [XX] . Ten eerste omdat het alternatieve voorstel van de vrouw – nog steeds – te veel afbreuk doet aan de tijd die [XX] met haar vader kan doorbrengen (en wat [XX] van jongs af aan is gewend) en ten tweede omdat de man nu eenmaal artiest is en hij voornamelijk in de weekenden werkt, zoals het altijd is geweest. Ook vanuit financieel oogpunt kan niet van de man worden gevergd dat hij om het weekend de volledige zorg voor [XX] draagt, terwijl hij doordeweeks wél beschikbaar is voor haar. Het voorstel van de raad betekent weliswaar dat de man meer tijd met [XX] kan doorbrengen en maakt – afgezet tegen het vonnis van de rechtbank – qua reisbewegingen voor partijen weinig of geen verschil, maar de raad gaat echter voorbij aan de reisbewegingen die [XX] dan moet maken. Zij moet dan iedere week op maandag, dinsdag en soms op woensdag vanuit [D] naar haar school [B] worden gebracht en naderhand weer terug naar [D] . [XX] wordt hiermee niet in staat gesteld om af te spreken met klasgenootjes en zij zit een groot deel van de schoolweek relatief lang in de auto om van en naar school te gaan. Het spreekt voor zich dat het voor [XX] fijner is als zij te voet of op de fiets naar een school kan gaan die dichtbij haar woning is, zodat het hof ook het voorstel van de raad afwijst vanwege strijd met het belang van [XX] .

Conclusie

Op grond van het vorenstaande is het hof, evenals de voorzieningenrechter, van oordeel dat het, onder de huidige omstandigheden voor [XX] het meest in haar belang is als zij in [D] naar school gaat. Het staat vast dat de vrouw maandag, dinsdag, woensdag en donderdag werkt. Van de man is gebleken dat hij die dagen juist (tot donderdag na school) volledig beschikbaar is voor [XX] . De beschikbaarheid van de ouders was bovendien één van de kernwaarden waarover beide ouders het samen eens waren. Na hun relatiebreuk in augustus 2024 hebben partijen ieders beschikbaarheid ook zelf feitelijk tot uitgangspunt genomen bij de uitvoering van een birdnestingsregeling die gedurende een jaar heeft plaatsgevonden. Het hof acht de beschikbaarheid van de ouders van doorslaggevende betekenis. Om deze reden zal het hof de beslissing van de voorzieningenrechter in stand laten. Dit geeft [XX] de meeste structuur, de minste reisbewegingen, is het contact met haar beide ouders het meeste in balans en verblijft ze steeds bij de desbetreffende ouder die op die dag volledig beschikbaar is voor haar. Het hof zal daarom het bestreden vonnis bekrachtigen inclusief de voorlopige zorgregeling; de vrouw heeft immers expliciet verklaard geen bezwaar te hebben hiertegen als het hof beslist dat [XX] in [D] naar school gaat.

4. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

compenseert de proceskosten van dit geding, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.C.E. Ackermans-Wijn, E.M.D.M. van der Linden en W. de Weijer, bijgestaan door mr. D. van der Horst als griffier, en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 29 januari 2026.

griffier rolraadsheer

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. D. van der Horst

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?