ECLI:NL:GHSHE:2026:911

ECLI:NL:GHSHE:2026:911

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 07-04-2026
Datum publicatie 07-04-2026
Zaaknummer 20-001775-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:GHSHE:2026:912

Samenvatting

Veroordeling ter zake van het samen met anderen opzettelijk invoeren van ongeveer 450 kilogram cocaïne (artikel 2 onder A van de Opiumwet) tot een gevangenisstraf van 42 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk.

Uitspraak

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 25 juni 2024, in de strafzaak met parketnummer 03-136449-21 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] [in het jaar] 1964,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod (kort gezegd: het samen met anderen opzettelijk invoeren van ongeveer 450 kilogram cocaïne), zoals primair tenlastegelegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 maanden, met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.

De verdediging heeft integrale vrijspraak van het primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde bepleit. In geval van een veroordeling, is verzocht om de strafoplegging te beperken tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden, waarvan 24 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest. Uiterst subsidiair is verzocht een modaliteit te vinden waarbij de verdachte, na aftrek van voorarrest, nog een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van maximaal één jaar moet uitzitten.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, met verbetering en aanvulling van de gronden waarop dit berust en met uitzondering van de strafoplegging. Gelet daarop, zal het hof tevens de toepasselijke wettelijke voorschriften opnieuw opnemen.

Verbetering en aanvulling van de bewijsmiddelen

De door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen, zoals uitgewerkt opgenomen in bijlage II op pagina’s 9 tot en met 18 van het vonnis, worden door het hof bevestigd, doch met verbetering en aanvulling daarvan als volgt:

Op pagina 9 van het vonnis, met betrekking tot de verklaring van [verbalisant 1] , proces-verbaal van bevindingen van 9 maart 2021, dossierpagina 16:

Het hof schrapt de volgende alinea (bevattende TCI-informatie):

Op 8 maart 2021 werd door het Team Criminele Inlichtingen een afschermproces-verbaal verstrekt. Het proces-verbaal bevatte de volgende informatie: “Er is op dit moment een boot onderweg naar Hamburg met een container met [containernummer] . In de container worden vermoedelijk verdovende middelen vervoerd.”

Op pagina 9 van het vonnis, met betrekking tot de verklaring van [verbalisant 2] , (los) proces-verbaal van bevindingen met proces-verbaalnummer LEFDC21001-5, van 12 oktober 2021:

Het hof verbetert de zin “Ik heb de historische gegevens van 6 maart 2021 tot en met 14 maart 2021 opgevraagd.” als volgt:

Ik heb de historische reisgegevens van het [schip] van 6 maart 2021 tot en met 14 maart 2021 opgevraagd. De reisgegevens betreffen historische signalen die het schip heeft uitgezonden via het Automatisch Identificatie Systeem (AIS) waarbij de geografische positie wordt bekendgemaakt op het moment van uitzenden.

Op pagina 9 van het vonnis, met betrekking tot de geschriften op dossierpagina’s 58 tot en met 74, te weten documenten afkomstig van de douane in Hamburg (Duitsland):

Het hof vult de bevindingen van de rechtbank omtrent hetgeen uit die documenten blijkt met betrekking tot de container met [containernummer] op het [schip] , aan met de volgende informatie, afkomstig van dossierpagina 60:

388 Stück – pakete a 1150 Gramm mit Kokaingebinde

Op pagina 10 van het vonnis, met betrekking tot de verklaring van de [verdachte] ter terechtzitting van 28 mei 2024:

Het hof schrapt de door de rechtbank samengevatte weergave van de verklaring van de [verdachte] en stelt de letterlijke weergave van die verklaring, zoals afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 28 mei 2024, hiervoor in de plaats, als volgt:

U, voorzitter, vraagt of ik de persoon ben achter het [SkyECC-account] . Dat is juist. Ik ken [medeverdachte 1] al heel lang. Ik kreeg toen te horen dat er een fruitbedrijf was dat dekladingen kon regelen voor drugshandel. Ik heb toen afgesproken met [medeverdachte 2] en alles besproken.

Ik weet niet wie achter het [SkyECC-account 2] zit. Ik zat wel in een groepsapp. Ik kreeg informatie van [medeverdachte 1] die ik moest doorgeven aan [medeverdachte 2] . U houdt een bericht (het hof begrijpt: van 20 juli 2020) voor waarin wordt aangegeven dat het specifiek bananen moeten zijn van het [merk] . Dat bericht is (...) van mij. Ik wist dat het om dekladingen ging. U houdt mij voordat ik op 8 maart 2021 contact heb gehad met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] over een transport in Hamburg en dat ik moet hebben geweten dat iets is misgegaan. Dat zal wel het geval zijn geweest. Ik kreeg van [medeverdachte 1] door dat er verkeerd geladen was en dat gaf ik weer door aan [medeverdachte 2] . Ik zou aan [medeverdachte 1] hebben uitgelegd hoe het allemaal gegaan is en dat de fout bij “de overkant” ligt. Dat klopt.

Op pagina 10 van het vonnis, met betrekking tot het proces-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris van de getuige [medeverdachte 2] op 15 maart 2023:

Het hof vult dit bewijsmiddel aan met de navolgende verklaring van de [medeverdachte 2] :

U vraagt mij of ik wist dat er drugs mee zouden gaan met de pallets. Ja dat wist ik, snoepjes. Ik wist dat het om verdovende middelen ging.

Aanvulling van de bewijsmotivering

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak van het primair (als ook van het subsidiair en meer subsidiair) tenlastegelegde bepleit. Daartoe is in de eerste plaats aangevoerd dat geen sprake is van een voltooide invoer van cocaïne in Nederland, omdat de cocaïne op geen enkel moment binnen het grondgebied van Nederland is gebracht. Het desbetreffende zeeschip voer immers onder de Singaporese vlag en aan boord is het recht van de vlaggenstaat van toepassing. De cocaïne heeft zich derhalve – tot het moment van uitladen op het grondgebied van Duitsland – telkens op het grondgebied van Singapore bevonden. Reeds daarom dient de verdachte te worden vrijgesproken.

Voorts is aangevoerd dat de verdachte weliswaar op enig moment de gebruiker van het [SkyECC-account] is geweest, maar dat niet alle berichten door hem zijn verzonden. Dit is van belang voor het duiden van de rol van de verdachte. Hij was niet de initiator of financier van het transport. De verdachte moest er slechts voor zorgen dat de communicatie met de man van de deklading liep en dat die man precies wist op welke wijze één en ander geregeld moest worden, zodat de meegestuurde cocaïne uiteindelijk op de juiste plek terecht zou komen. Die faciliterende rol was slechts een klein onderdeel van de gehele invoer, terwijl de verdachte niet betrokken was bij de aankoop van de cocaïne, het ‘uithalen’ daarvan in de haven en de verdere distributie en verkoop. De rol van de verdachte was niet die van medepleger, maar dient te worden gekwalificeerd als medeplichtige. Nu die deelnemingsvorm niet is tenlastegelegd, dient de verdachte te worden vrijgesproken.

Binnen het grondgebied van Nederland?

Uit het arrest van de Hoge Raad van 20 april 1948 (NJ 1948/344) volgt dat de Nederlandse strafwet toepasselijk is op feiten begaan aan boord van vreemde schepen die zich bevinden in Nederlandse havens of binnen de Nederlandse territoriale wateren. Uit de processtukken volgt dat het [schip] via de Westerschelde naar Antwerpen is gevaren en daarmee binnen de Nederlandse territoriale wateren heeft gevaren. Gelet op het voorgaande verwerpt het hof het verweer.

Medeplegen van opzettelijk invoeren van ongeveer 450 kilogram cocaïne

In aanvulling op hetgeen de rechtbank reeds heeft overwogen aangaande de door de verdediging gevoerde verweren, overweegt het hof nog als volgt.

Voor de kwalificatie ‘medeplegen’ is vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is alleen gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Eén en ander brengt mee dat wanneer het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, op de rechter de taak rust om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering – dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging – dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Uit de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen, met inbegrip van de verbeteringen en aanvullingen van het hof, volgt dat de verdachte een fruithandelaar, te weten [medeverdachte 2] , heeft benaderd en binnen de organisatie heeft gehaald om de deklading bananen voor de ‘drugshandel’ te regelen. Hij heeft [medeverdachte 2] instructies gegeven en regelde diens betaling. Daarnaast hield de verdachte het overzicht over de voortgang van het transport en nam hij, via een pgp-telefoon (hof: een zwaarbeveiligde telefoon), actief deel aan groeps-chats met onder andere [medeverdachte 1] en het [SkyECC-account 2] dat kennelijk bij de ‘grote man’ achter het drugstransport in gebruik was. Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte aldus een coördinerende rol bij het transport had, dat hij daarover cruciale informatie deelde met anderen en dat hij de overige deelnemers in de groeps-chats adviseerde over het transport. Dat de verdachte daarmee ‘slechts’ een kleine schakel in het geheel was, zoals door de verdediging is bepleit, maakt niet dat die schakel onbelangrijk is. Integendeel, de verdachte was, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, een onmisbare schakel in het geheel.

Het geheel van die omstandigheden – en niet de omstandigheden afzonderlijk – liggen ten grondslag aan het oordeel van het hof dat de verdachte, minst genomen, voorwaardelijk opzet heeft gehad op het medeplegen van de invoer van een zeer grote hoeveelheid cocaïne in Nederland.

Ten slotte overweegt het hof dat uit het tot het bewijs gebezigde geschrift op dossierpagina 60 volgt dat in de container met [containernummer] in totaal 388 pakketten met elk 1.150 gram cocaïne zijn aangetroffen. Deze pakketten zijn met inbegrip van het verpakkingsmateriaal gewogen, zodat sprake is van een bruto gewicht van (388 x 1.150 gram =) 446,2 kilogram cocaïne. Uit het dossier volgt niet wat het nettogewicht van de aangetroffen cocaïne is. Het hof is derhalve, met de rechtbank, van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat “ongeveer 450 kilogram cocaïne” is ingevoerd. Dat de raadsvrouw ter terechtzitting in hoger beroep heeft opgemerkt dat cocaïne doorgaans in blokken van een kilo worden verkocht, zodat zij uitgaat van 388 kilogram cocaïne, maakt het oordeel van het hof over het bewezenverklaarde niet anders. Het hof zal met de omstandigheid dat sprake is van een lager nettogewicht wel rekening houden bij de strafoplegging.

Het hof verwerpt het verweer van de verdediging in al zijn onderdelen en acht, met de rechtbank, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde feit.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het invoeren van een zeer grote hoeveelheid harddrugs binnen het grondgebied van Nederland. Het schip dat vanuit Colombia, via de Nederlandse wateren en Antwerpen, uiteindelijk in maart 2021 naar de haven van Hamburg voer, bleek ook een container te vervoeren die niet alleen met bananen was gevuld, maar tevens met ongeveer 450 kilogram cocaïne. Hoewel de verdachte niet de initiator of financier was van dit cocaïnetransport, heeft hij wel een belangrijke coördinerende en faciliterende rol gehad. Bovendien is hij hierbij professioneel te werk gegaan door gebruik te maken van een zwaarbeveiligde telefoon en te communiceren met diverse tussenpersonen, waaronder ook grote spelers binnen de organisatie.

Dat de verdachte zich hiermee schuldig heeft gemaakt aan een ernstig feit is evident. Door het medeplegen van de invoer van een dergelijke grote hoeveelheid cocaïne met een straatwaarde van vele miljoenen euro’s, heeft de verdachte zich begeven op het terrein van de internationale handel in harddrugs. Hij heeft daarmee een bijdrage geleverd aan het criminele drugscircuit. De handel in cocaïne gaat gepaard met vele vormen van criminaliteit en heeft een ontwrichtende werking op de samenleving. Niet alleen de gezondheid en het welzijn van de samenleving worden door deze handel nadelig beïnvloed; de verdiende miljoenen dienen witgewassen te worden (waarover de verdachte ook spreekt in zijn berichten aan [medeverdachte 2] ), hetgeen zorgt voor een verweving van de onderwereld met de bovenwereld en een corrumperende invloed heeft op betrokken (financiële) functionarissen en instellingen. De verdachte heeft geen oog gehad voor deze ongewenste effecten op de samenleving en was enkel uit op zijn eigen financiële gewin.

Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, het georganiseerde verband en de enorme hoeveelheid cocaïne, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor aanzienlijke duur met zich brengt. Hierbij houdt het hof ook rekening met het tijdsverloop. Het bewezenverklaarde vond immers plaats in maart 2021.

Het hof heeft daarbij ook acht geslagen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden. Hieruit volgt dat doorgaans voor de invoer van meer dan 20 kilogram harddrugs (de hoogste trede van het oriëntatiepunt) een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van minimaal 60 maanden als uitgangspunt wordt genomen en in georganiseerd verband zelfs een gevangenisstraf voor de duur van minimaal 72 maanden. Hoewel het nettogewicht van de in de onderhavige zaak ingevoerde cocaïne lager zal liggen dan 450 kilogram (vanwege het daarbij meegewogen verpakkingsmateriaal), is hoe dan ook sprake van een veelvoud van die 20 kilogram.

Het hof heeft tevens rekening gehouden met de inhoud van het de verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 8 december 2025. Daaruit blijkt dat de verdachte eerder, in 2014, voor een Opiumwetdelict (eveneens harddrugs) onherroepelijk is veroordeeld. Hoewel dit een gedateerde veroordeling betreft, volgt hieruit dat de verdachte geen ‘first offender’ is.

Ten slotte heeft het hof acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte. In dat kader is door de verdediging naar voren gebracht dat de verdachte, sinds zijn invrijheidstelling, zijn leven op alle onderdelen weer op orde heeft gekregen. Hij heeft een stabiele relatie en de klantenkring en omzet van zijn bedrijf zijn behoorlijk toegenomen. De verdachte heeft wel een zakelijke lening voor een bedrag van € 30.000,00 moeten afsluiten, maar hij hoopt, door het verhogen van het afbetalingsbedrag, aan het eind van 2026 volledig schuldenvrij te zijn. De gezondheidstoestand van de verdachte is minder rooskleurig: hij heeft een amyotrofische schouderneuralgie en oogproblematiek.

Uit het meest recente reclasseringsrapport van 25 april 2024 volgt eveneens dat de verdachte zijn leven inmiddels op orde heeft en dat het recidiverisico laag wordt inschat. De reclassering is van oordeel dat derhalve geen interventies zijn geïndiceerd en heeft een afdoening zonder bijzondere voorwaarden geadviseerd.

Alles afwegende, is het hof – anders dan de advocaat-generaal – van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van voorarrest, in dit geval passend en geboden is. De door de verdediging verzochte strafafdoening doet daarentegen onvoldoende recht aan de aard en ernst van het feit, zodat het hof aan dat voorstel voorbij gaat.

Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Redelijke termijn

Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Het hof stelt in de onderhavige zaak vast dat de redelijke termijn in eerste aanleg, welke 16 maanden bedraagt gelet op de omstandigheid dat de verdachte een aanzienlijk periode in voorlopige hechtenis heeft verbleven, met 21 maanden is overschreden. Het hof acht echter geen bijzondere omstandigheden aanwezig die een overschrijding van deze duur rechtvaardigen.

De redelijke termijn voor berechting in hoger beroep is niet overschreden, nu namens de verdachte hoger beroep is ingesteld op 4 juli 2024 en het hof op 7 april 2026 arrest wijst. Daarbij zij opgemerkt dat de verdachte het proces in hoger beroep in vrijheid heeft kunnen afwachten, waardoor de redelijke termijn in hoger beroep 2 jaren bedraagt.

Zonder schending van de redelijke termijn in eerste aanleg zou, zoals hiervoor overwogen, naar het oordeel van het hof een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van voorarrest, passend zijn geweest. Nu de redelijke termijn is geschonden, zal worden volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur 42 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van voorarrest.

Tenuitvoerlegging

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de

penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname

aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet of tot het moment dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling aan de orde is, als

bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c en 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 (tweeënveertig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door:

mr. S.V. Pelsser, voorzitter,

mr. M.L.P. van Cruchten en mr. G.M. Goes, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. N.S. Willems Ettori-Oort, griffier,

en op 7 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. Van Cruchten is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. S.V. Pelsser
  • mr. M.L.P. van Cruchten
  • mr. G.M. Goes

Griffier

  • mr. N.S. Willems Ettori-Oort

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?