ECLI:NL:GHSHE:2026:912

ECLI:NL:GHSHE:2026:912

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 07-04-2026
Datum publicatie 07-04-2026
Zaaknummer 20-001760-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:GHSHE:2026:911

Samenvatting

Veroordeling ter zake van het samen met anderen opzettelijk invoeren van ongeveer 450 kilogram cocaïne (artikel 2 onder A van de Opiumwet) tot een gevangenisstraf van 38 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk.

Uitspraak

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 25 juni 2024, in de strafzaak met parketnummer 03-141540-21 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] [in het jaar] 1954,

wonende te [België] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod (kort gezegd: het samen met anderen opzettelijk invoeren van ongeveer 450 kilogram cocaïne), zoals primair tenlastegelegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden, met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen, met uitzondering van de strafoplegging en – te dien aanzien opnieuw rechtdoende – de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 50 maanden, met aftrek van voorarrest.

De verdediging heeft vrijspraak van het primair en subsidiair tenlastegelegde bepleit en aangevoerd dat het hof – indien al sprake is van een voltooide invoer van cocaïne in Nederland – slechts zou kunnen komen tot een partiële bewezenverklaring van het meer subsidiair tenlastegelegde. In geval van een veroordeling, is verzocht om de strafoplegging te beperken tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 16 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en een geldboete ten bedrage van € 50.000,00.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, met verbetering en aanvulling van de gronden waarop dit berust en met uitzondering van de strafoplegging. Gelet daarop, zal het hof tevens de toepasselijke wettelijke voorschriften opnieuw opnemen.

Verbetering en aanvulling van de bewijsmiddelen

De door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen, zoals uitgewerkt opgenomen in bijlage II op pagina’s 9 tot en met 15 van het vonnis, worden door het hof bevestigd, doch met verbetering en aanvulling daarvan als volgt:

Op pagina 9 van het vonnis, met betrekking tot de verklaring van [verbalisant 1] , proces-verbaal van bevindingen van 9 maart 2021, dossierpagina 16:

Het hof schrapt de volgende alinea (bevattende TCI-informatie):

Op 8 maart 2021 werd door het Team Criminele Inlichtingen een afschermproces-verbaal verstrekt. Het proces-verbaal bevatte de volgende informatie: “Er is op dit moment een boot onderweg naar Hamburg met een container met [containernummer] . In de container worden vermoedelijk verdovende middelen vervoerd.”

Op pagina 9 van het vonnis, met betrekking tot de verklaring van [verbalisant 2] , (los) proces-verbaal van bevindingen met proces-verbaalnummer LEFDC21001-5, van 12 oktober 2021:

Het hof verbetert de zin “Ik heb de historische gegevens van 6 maart 2021 tot en met 14 maart 2021 opgevraagd.” als volgt:

Ik heb de historische reisgegevens van het [schip] van 6 maart 2021 tot en met 14 maart 2021 opgevraagd. De reisgegevens betreffen historische signalen die het schip heeft uitgezonden via het Automatisch Identificatie Systeem (AIS) waarbij de geografische positie wordt bekendgemaakt op het moment van uitzenden.

Op pagina 9 van het vonnis, met betrekking tot de geschriften op dossierpagina’s 58 tot en met 74, te weten documenten afkomstig van de douane in Hamburg (Duitsland):

Het hof vult de bevindingen van de rechtbank omtrent hetgeen uit die documenten blijkt met betrekking tot de container met [containernummer] op het [schip] , aan met de volgende informatie, afkomstig van dossierpagina 60:

388 Stück – pakete a 1150 Gramm mit Kokaingebinde

Op pagina 10 van het vonnis, met betrekking tot de verklaring van de [verdachte] ter terechtzitting van 28 mei 2024:

Het hof schrapt de door de rechtbank samengevatte weergave van de verklaring van de [verdachte] en stelt de letterlijke weergave van die verklaring, zoals afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 28 mei 2024, hiervoor in de plaats, als volgt:

U, voorzitter, vraagt of ik de persoon ben achter het [SkyECC-account] . Of die

accountnaam klopt weet ik niet, maar ik heb wel de berichten verzonden die zijn verbonden aan dat account.

Het enige wat ik deed is bananen bestellen die in Antwerpen uitgeladen moesten worden. Ik wist wel de reden waarom ik die bananen bestelde (...). Ik heb € 20.000,- verdiend aan mijn medewerking.

Ik bestelde op wekelijkse basis 8 of 10 pallets bananen van het [merk] bij [verkoopagent] . De bananen moesten afgeleverd worden bij [bedrijf] in Antwerpen. [verkoopagent] is een verkoopagent van [merk] . Die leveren vervolgens aan [bedrijf] in de haven van Antwerpen waar de bananen opgehaald moesten worden. Ik wist dat het om drugshandel ging. Het moest in Antwerpen worden geleverd en dan zorgde ik

ervoor dat het in Barendrecht terecht kwam. Daarom regelde ik altijd de transporteur. “Tp” betekent Transporteur. Ik wist (...) dat ik [merk] moest bestellen. Als ik de transporteur (...) niet hoefde te regelen, wist ik dat er drugs in de lading zat.

Het hof vult de bewijsmiddelen aan met de ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 24 maart 2026 afgelegde verklaring van de [verdachte] , voor zover inhoudende:

Ik heb € 20.000,00 gekregen om ‘hen’ de mogelijkheid te geven om eventueel die drugs in te voeren.

Het was makkelijk: voor die €20.000,00 hoefde ik alleen maar te zorgen voor bananen, dat er de mogelijkheid was. Er moest dan een pallet tussen geschoven worden. Ik bestelde wekelijks 6 of 8 pallets met bananen bij de dealer van [merk] . Daarvan gingen er 7 naar mijn klant toe en die achtste pallet verdwijnt dan, die wordt door ‘hen’ omgeruild.

Aanvulling van de bewijsmotivering

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak van het primair (als ook van het subsidiair en gedeeltelijk van het meer subsidiair) tenlastegelegde bepleit. Daartoe is in de eerste plaats aangevoerd dat geen sprake is van een voltooide invoer van cocaïne in Nederland, omdat de cocaïne op geen enkel moment binnen het grondgebied van Nederland is gebracht. Het desbetreffende zeeschip voer immers onder de Singaporese vlag en aan boord is het recht van de vlaggenstaat van toepassing. De cocaïne heeft zich derhalve – tot het moment van uitladen op het grondgebied van Duitsland – telkens op het grondgebied van Singapore bevonden. Reeds daarom dient de verdachte te worden vrijgesproken.

Voorts is aangevoerd dat de verdachte weliswaar pallets met bananen heeft besteld, maar dat hij geen betrokkenheid heeft gehad bij de in Hamburg aangekomen deklading bananen waarin de cocaïne is aangetroffen. De verdachte heeft die specifieke bestelling bananen niet geplaatst. Hij dient derhalve van het medeplegen van de (poging tot) invoer te worden vrijgesproken.

Binnen het grondgebied van Nederland?

Uit het arrest van de Hoge Raad van 20 april 1948 (NJ 1948/344) volgt dat de Nederlandse strafwet toepasselijk is op feiten begaan aan boord van vreemde schepen die zich bevinden in Nederlandse havens of binnen de Nederlandse territoriale wateren. Uit de processtukken volgt dat het [schip] via de Westerschelde naar Antwerpen is gevaren en daarmee binnen de Nederlandse territoriale wateren heeft gevaren. Gelet op het voorgaande verwerpt het hof het verweer.

Medeplegen van opzettelijk invoeren van ongeveer 450 kilogram cocaïne

In aanvulling op hetgeen de rechtbank reeds heeft overwogen aangaande de door de verdediging gevoerde verweren, overweegt het hof nog als volgt.

Voor de kwalificatie ‘medeplegen’ is vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is alleen gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Eén en ander brengt mee dat wanneer het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, op de rechter de taak rust om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering – dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging – dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Uit de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen, met inbegrip van de verbeteringen en aanvullingen van het hof, volgt dat de verdachte door een medeverdachte van de organisatie werd benaderd om de deklading bananen voor het transport van cocaïne te regelen en dat hij daarvoor op voorhand al een forse betaling van € 20.000,00 heeft ontvangen. De verdachte bestelde daartoe wekelijks een aantal pallets met bananen, wetende dat daar, op het moment dat hij zelf geen transporteur hoefde te regelen, een grote hoeveelheid cocaïne tussen verstopt zou worden. Het hof wil de verdachte wel volgen in zijn stelling dat hij de desbetreffende pallets met bananen die in Hamburg zijn aangekomen en waarin ongeveer 450 kilogram cocaïne is aangetroffen niet specifiek heeft besteld, omdat hij daar nou eenmaal geen invloed op kan hebben en niet op voorhand weet uit welke container de bananen komen, maar hij heeft ten behoeve van het cocaïnetransport wel wekelijks meerdere pallets bananen van het [merk] voor de organisatie besteld, wetende dat daar een keer een grote hoeveelheid cocaïne in (mee) getransporteerd zou worden. Anderen in de organisatie waarmee hij samenwerkte waren daarentegen wel op de hoogte in welke pallets cocaïne verstopt zat en dat dit sowieso in de door de verdachte bestelde (dek)lading zou worden gestopt (dan wel dat die pallets zouden worden omgewisseld. De stelling van de verdachte dat de door hem bestelde pallets met [merk] bananen is achtergebleven in Antwerpen en dat hij dus niets te maken heeft met de pallets bananen waarin de cocaïne was verstopt, schuift het hof als onaannemelijk terzijde gelet op de communicatie op 8 maart 2021 die door verdachte met [medeverdachte] is gevoerd over de lading die in plaats van in Antwerpen in Hamburg terecht is gekomen.

Het hof overweegt daarbij voorts dat de verdachte gebruikmaakte van een pgp-telefoon (hof: een zwaarbeveiligde telefoon) en dat uit de daarin aangetroffen berichtenwisseling met [medeverdachte] volgt dat de verdachte ook op de hoogte was van het op 8 maart 2021 onderschepte transport waarin de cocaïne verstopt zat. De verdachte heeft bovendien verklaard dat hij wist dat er drugs in de deklading zou zitten wanneer hij niet zelf een transporteur hoefde te regelen, zoals bij dit transport het geval was. De verdachte wist zelfs het kenteken van de vrachtwagen die de lading moest ophalen en heeft deze informatie met [medeverdachte] gedeeld. Ook berichtte [medeverdachte] op 8 maart 2021 aan de verdachte dat Barendrecht er vandaag 6 (het hof begrijpt: pallets) moet verwachten en niet 8 want die 2 worden eruit gehaald. Dat was ook zo geregeld met de tp (het hof begrijpt: transporteur).

Het geheel van die omstandigheden – en niet de omstandigheden afzonderlijk – liggen ten grondslag van het oordeel van het hof dat de verdachte, minst genomen, voorwaardelijk opzet heeft gehad op het medeplegen van de invoer van een zeer grote hoeveelheid cocaïne in Nederland.

Ten slotte overweegt het hof dat uit het tot het bewijs gebezigde geschrift op dossierpagina 60 volgt dat in de container met [containernummer] in totaal 388 pakketten met elk 1.150 gram cocaïne zijn aangetroffen. Deze pakketten zijn met inbegrip van het verpakkingsmateriaal gewogen, zodat sprake is van een bruto gewicht van (388 x 1.150 gram =) 446,2 kilogram cocaïne. Uit het dossier volgt niet wat het nettogewicht van de aangetroffen cocaïne is. Het hof is derhalve, met de rechtbank, van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat “ongeveer 450 kilogram cocaïne” is ingevoerd. Het hof zal met de omstandigheid dat sprake is van een lager nettogewicht rekening houden bij de strafoplegging.

Het hof verwerpt het verweer van de verdediging in al zijn onderdelen en acht, met de rechtbank, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde feit.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het invoeren van een zeer grote hoeveelheid harddrugs binnen het grondgebied van Nederland. Het schip dat vanuit Colombia, via de Nederlandse wateren en Antwerpen, uiteindelijk in maart 2021 naar de haven van Hamburg voer, bleek ook een container te vervoeren die niet alleen met bananen was gevuld, maar tevens met ongeveer 450 kilogram cocaïne. De verdachte, eigenaar van een groente- en fruithandel, gebruikte zijn bedrijf om bananen van het [merk] in te laten voeren, opdat in de (dek)lading cocaïne kon worden verstopt. Hij is welbewust in zee gegaan met de organisatie waarbij ook de [medeverdachte] betrokken was, in de wetenschap dat als hij bananen van het [merk] vanuit Colombia of Ecuador bestelde, daarbij cocaïne kon worden getransporteerd. Hoewel de verdachte niet de initiator of financier was van dit cocaïnetransport, heeft hij wel een belangrijke rol gehad. Zonder (dek)lading kan immers geen cocaïne worden verstopt en getransporteerd. Bovendien is hij hierbij professioneel te werk gegaan door gebruik te maken van een zwaarbeveiligde telefoon en te communiceren met [medeverdachte] . Hij heeft ook innig contact gehad met [medeverdachte] over de verschillende soorten fruit die konden worden gebruikt als deklading en over de prijzen daarvan. Hij heeft zelfs het idee aangedragen om bestellingen te plaatsen met één van zijn lege B.V.’s. Zonder de bestellingen van bananen door de verdachte kon het cocaïnetransport simpelweg niet plaatsvinden. De verdachte had derhalve een sleutelrol bij het transport en vormde een onmisbare schakel in het geheel. De verdachte wist wat hij deed en dat hij bij grote en georganiseerde drugstransporten betrokken was.

Dat de verdachte zich hiermee schuldig heeft gemaakt aan een ernstig feit is evident. Door het medeplegen van de invoer van een dergelijke grote hoeveelheid cocaïne met een straatwaarde van vele miljoenen euro’s, heeft de verdachte zich begeven op het terrein van de internationale handel in harddrugs. Hij heeft daarmee een bijdrage geleverd aan het criminele drugscircuit. De handel in cocaïne gaat gepaard met vele vormen van criminaliteit en heeft een ontwrichtende werking op de samenleving. Niet alleen de gezondheid en het welzijn van de samenleving worden door deze handel nadelig beïnvloed; de verdiende miljoenen dienen witgewassen te worden (waarover [medeverdachte] ook spreekt in zijn berichten aan de verdachte), hetgeen zorgt voor een verweving van de onderwereld met de bovenwereld en een corrumperende invloed heeft op betrokken (financiële) functionarissen en instellingen. De verdachte heeft geen oog gehad voor deze ongewenste effecten op de samenleving en was enkel uit op zijn eigen financiële gewin.

Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, het georganiseerde verband en de enorme hoeveelheid cocaïne, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor aanzienlijke duur met zich brengt.

Het hof heeft daarbij ook acht geslagen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden. Hieruit volgt dat doorgaans voor de invoer van meer dan 20 kilogram harddrugs (de hoogste trede van het oriëntatiepunt) een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van minimaal 60 maanden als uitgangspunt wordt genomen en in georganiseerd verband zelfs een gevangenisstraf voor de duur van minimaal 72 maanden. Hoewel het nettogewicht van de in de onderhavige zaak ingevoerde cocaïne lager zal liggen dan 450 kilogram (vanwege het daarbij meegewogen verpakkingsmateriaal), is hoe dan ook sprake van een veelvoud van die 20 kilogram.

Het hof heeft tevens rekening gehouden met de inhoud van het de verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 8 december 2025. Daaruit blijkt dat de verdachte niet eerder ter zake van soortelijke feiten is veroordeeld en dat hij in zoverre als ‘first offender’ dient te worden beschouwd.

Ten slotte heeft het hof acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte. In dat kader is door de verdediging naar voren gebracht dat de verdachte (nog steeds) geen financiële problemen heeft. Zijn bedrijven floreren en hij reist veel. Hij is inmiddels gescheiden en heeft een nieuwe partner met wie hij een latrelatie heeft. Zijn gezondheid is wel een grote zorg: de verdachte is hartpatiënt, heeft diabetes en gebruikt een aanzienlijke hoeveelheid medicatie.

Uit het meest recente reclasseringsrapport van 23 mei 2024 volgt dat sprake is van stabiliteit op de algemene leefgebieden, nu hij beschikt over arbeid, inkomen en huisvesting. Ook heeft de reclassering geen problemen geconstateerd op het gebied van zijn relatie, sociaal-emotioneel functioneren of middelengebruik. De reclassering ziet derhalve geen noodzaak voor het inzetten van zorg, begeleiding of toezicht en heeft een afdoening zonder bijzondere voorwaarden geadviseerd.

Alles afwegende, is het hof – anders dan de advocaat-generaal – van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 44 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van voorarrest, in dit geval passend en geboden is. De door de verdediging verzochte strafafdoening doet daarentegen onvoldoende recht aan de aard en ernst van het feit, zodat het hof aan dat voorstel voorbij gaat.

Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Redelijke termijn

Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Het hof stelt in de onderhavige zaak vast dat de redelijke termijn in eerste aanleg, welke 16 maanden bedraagt gelet op de omstandigheid dat de verdachte een aanzienlijk periode in voorlopige hechtenis heeft verbleven, met bijna 21 maanden is overschreden. Het hof acht echter geen bijzondere omstandigheden aanwezig die een overschrijding van deze duur rechtvaardigen.

De redelijke termijn voor berechting in hoger beroep is niet overschreden, nu namens de verdachte hoger beroep is ingesteld op 4 juli 2024 en het hof op 7 april 2026 arrest wijst. Daarbij zij opgemerkt dat de verdachte het proces in hoger beroep in vrijheid heeft kunnen afwachten, waardoor de redelijke termijn in hoger beroep 2 jaren bedraagt.

Zonder schending van de redelijke termijn in eerste aanleg zou, zoals hiervoor overwogen, naar het oordeel van het hof een gevangenisstraf voor de duur van 44 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van voorarrest, passend zijn geweest. Nu de redelijke termijn is geschonden, zal worden volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur 38 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van voorarrest.

Tenuitvoerlegging

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de

penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname

aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet of tot het moment dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling aan de orde is, als

bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c en 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 38 (achtendertig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door:

mr. S.V. Pelsser, voorzitter,

mr. M.L.P. van Cruchten en mr. G.M. Goes, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. N.S. Willems Ettori-Oort, griffier,

en op 7 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. Van Cruchten is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. S.V. Pelsser
  • mr. M.L.P. van Cruchten
  • mr. G.M. Goes

Griffier

  • mr. N.S. Willems Ettori-Oort

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?