Teregtzitting van den 10 December 1869. De zitting is geopend ten elf ure. De Deurwaarder roept de navolgende zaken op. Nº 1563. [eischer], landbouwer, wonende in de Gemeente [woonplaats], Eischer in cassatie van een arrest van het Provinciaal Geregtshof in Overijssel, d.dº 11 Januarij 1869, hebbende tot Procureur Mr Cornelis Joseph François, Tegen: 1º [verweerster 1], Weduwe van [echtgenoot], boerin, 2º [verweerder 2], landbouwer, - 3º [verweerder 3], landbouwer; - 4º [verweerster 4], boerin, - en 5º [verweerster 5], boerin, - allen wonende in de Gemeente [woonplaats], verweerders in cassatie; - vertegenwoordigd door den Procureur Mr. Jan van der Jagt.
De Hooge Raad der Nederlanden, Partijen gehoord;
Gehoord den Procureur-Generaal, in zijne conclusie, strekkende tot toewijzing de conclusie van den Eischer in cassatie;
Gezien de stukken;
Overwegende, dat als eenig middel van cassatie is voorgesteld Schending en verkeerde toepassing van de artikelen 719, 625, 1401, 1402 en 1337 van het Burgerlijk Wetboek in verband met artikel 129 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering: omdat het Hof, den Eischer in cassatie verklarende niet ontvankelijk in zijne vordering, op grond dat deze zoude zijn eene zakelijke, en zij mitsdien had behooren te zijn ingesteld tegen al de eigenaren van den gemeenen weg,
1º heeft miskend den aard der ingestelde vordering, als zijnde deze niet eene zakelijke, maar eene persoonlijke, en 2º al ware zij eene zakelijke, dan nog ten onregte daaruit heeft afgeleid, dat hij met instelling der vordering, tegen al de eigenaars van dien weg, de Eischer behoort te worden verklaard niet-ontvankelijk;
Overwegende, dat het Hof bij het beklaagde arrest, na opgave van het slot der conclusie der dagvaarding, feitelijk beslist: "dat de eisch tegen de gedaagden, als naburen of eigenaren van landerijen in de buurt, ingesteld, in de eerste plaats strekt, om den Eischer in het gebruik van den gemeenen weg te handhaven en voor dezen, als eigenaar van andere landerijen, den weg open en vrij te laten, en om dezen weg niet in strijd met het daarbij aangehaald artikel 719 van het Burgerlijk Wetboek te vernietigen; en dat slechts als gevolg van zoodanige vernietiging van den gemeenen weg, door het plaatsen van een beletsel in de tweede plaats volgt de accessoire eisch tot vergoeding van schade, hierdoor aan den Eischer zullende zijn veroorzaakt;"
Overwegende, dat het Hof, - deze vordering qualificeerende en haar alzoo regtskundig waarderende, heeft geoordeeld, dat zij (als hoofdzakelijk vorderende de vervulling van een zakelijk regt, waarmede der verweerders erve zoude zijn bezwaard, en slechts als accessoir daarbij voegende eene persoonlijke vordering) moet worden beschouwd als eene zakelijke, - daaruit heeft afgeleid dat zij niet met vrucht tegen slechts eenigen dier eigenaars zoude kunnen worden ingesteld; en op dien regtskundigen grond heeft bevestigd de door den eersten regter uitgesproken niet ontvankelijkverklaring;
Overwegende wat betreft het daartegen aangevoerde middel van cassatie, dat de ingestelde vordering niet strekt tot handhaving eener erfdienstbaarheid of van eenigen anderen op eens anders grond rustenden last, maar berust op artikel 719 van het Burgerlijk Wetboek, waarbij is verboden het verleggen, vernietigen, of tot een ander gebruik bezigen van een aan verscheiden geburen gemeenen, hun tot uitweg dienenden weg; dat zij dus niet strekt tot opvordering van een regt klevende op het eigendom van een ander of (zoo als het Hof dit uitdrukt) "Tot voldoening van een last waarmede de aangesproken eigenaars als naburen zouden zijn bezwaard"; maar tot wegneming van een beletsel door de verweerders, in strijd met artikel 719 van het Burgerlijk Wetboek, geplaatst op eenen aan den Eischer en zijne naburen gemeenen en hun allen tot uitweg dienenden weg;
Overwegende, dat zij derhalve als gegrond op handelingen, welke de verweerders zich zouden hebben veroorloofd in strijd met de wet, en als strekkende tot wegruiming van de gevolgen dier wederregtelijke handelingen alsmede tot vergoeding der daardoor veroorzaakte schade is niet eene zakelijke, dat is dezoodanige, waarbij (naar artikel 129, tweede zinsnede, van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering), de eigendom van eene zekere en bepaalde zaak of wel eenig ander zakelijk regt geëischt wordt;" maar eene zuiver persoonlijke, dezoodanige namelijk, welke (naar de eerste zinsnede van dat artikel) "tot onderwerp heeft de vervulling eener persoonlijke verbindtenis uit overeenkomst of uit de wet voortvloeijende;"
Overwegende, dat het Hof, des niettemin de ingestelde vordering qualificerende als eene zakelijke, en daarop hoofdzakelijk grondende hare nietontvankelijkheid, daardoor heeft geschonden artikel 719 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 129 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering;
Overwegende, dat daarmede vervalt het onderzoek en de beslissing der geheel subordinate, bij dit middel van cassatie gestelde bewering, dat, al ware de ingestelde vordering eene zakelijke, dan nog daaruit niet zoude volgen, dat al de eigenaars van den grond, waarvoor de gemeene weg tot uitweg dient, door den Eischer mede in het geding hadden moeten zijn geroepen, maar alleen dat de Verweerders hen daarin hadden kunnen oproepen, of dat zij uit eigen hoofde daarin hadden kunnen intervenieren;
Overwegende, dat alzoo het eenig aangevoerde middel van cassatie is gegrond; Vernietigt het in hooger beroep tusschen partijen gewezen arrest van het Provinciaal Geregtshof in Overijssel van den 11 Januarij 1869;
En doende wat het Hof had behooren te doen:
Doet te niet het vonnis der Arrondissements Regtbank te Deventer van den 15 Januarij 1868;
En op nieuw regtdoende: Verwerpt de voorgestelde Exceptie van niet ontvankelijkheid; Wijst de zaak terug naar de Arrondissements Regtbank te Deventer, ten einde, met in achtneming der uitspraak van den Hoogen Raad voort te procederen;
Veroordeelt de Verweerders in de kosten van het incident in eersten aanleg en in hooger beroep, alsmede in Cassatie gevallen.
Aldus gearresteerd bij de Heeren Mrs de Greve, president, Geradts, Pape, Voorduin en Donker Curtius, Raden, en door den President uitgesproken ter openbare teregtzitting van den 10 December 1869, in tegenwoordigheid van de genoemde Heeren, behalve van den Raadsheer Geradts, die verhinderd is geworden bij de uitspraak tegenwoordig te zijn, mitsgaders ten overstaan van den Advocaat Generaal Smits, en in bijzijn van den Substituut Griffier Vosmaer.