Openbare terechtzitting van Vrijdag 31 December 1920.
De zitting is geopend te elf uur;
De deurwaarder roept de volgende zaken uit:
De Hooge Raad der Nederlanden in de zaak (nº. 5015) van:
de Naamlooze Vennootschap Maatschappij tot exploitatie van Limburgsche Steenkolenmijnen, gevestigd te Heerlen, eischeres tot cassatie tegen een arrest door het Gerechtshof te s'Hertogenbosch op 20 Januari 1920 tusschen partijen gewezen, vertegenwoordigd door Mr J. van Kuyk, advocaat bij den Hoogen Raad.
Tegen:
1º. [verweerster 1], weduwe van wijlen [erflater], zonder beroep,
2°. [verweerster 2], zonder beroep,
3º. [verweerster 3], zonder beroep,
4º. [verweerster 4a], en [verweerder 4b], echtelieden, laatstgenoemde om zijne vrouw bij te staan en te machtigen en voor zooveel noodig in eigen naam;
5°. [verweeerder 5], Amtsgerichtsrat a. D., in zijne hoedanigheid van voogd van de door wijlen [betrokkene 1], in zijn huwelijk met [betrokkene 2] verwekte twee minderjarige kinderen: [kind 1] en [kind 2], ----------------------------------
wonende nrs. 1, 2, 3 en 5 te Aken, nº. 4 te Düsseldorf, verweerders vertegenwoordigd door Mr. A.F. Telders, advocaat bij den Hoogen Raad.
Partijen gehoord;
Gehoord den Advocaat-Generaal Ledeboer, namens den Procureur-Generaal, in zijne conclusie, strekkende tot verwerping van het beroep, met veroordeeling van de eischeres in de kosten van cassatie;
Gezien de stukken;
Overwegende dat blijkens het bestreden arrest en het daarin, voor wat de feiten betreft, overgenomene uit de vonnissen der Arrondissements-Rechtbank te Maastricht van 25 Februari 1915 en 23 Mei 1918 de verweerders in cassatie, de Naamlooze Vennootschap Maatschappij tot Exploitatie van Limburgsche Steenkolenmijnen, thans eischeres in cassatie, hebben aangesproken tot schadevergoeding, omdat hun kasteel Strijthagen c.a. verzakt is en schade geleden heeft tengevolge van de exploitatie van de mijn Carl, waarvoor zij de genoemde Naamlooze Vennootschap aansprakelijk stellen, op grond, zoowel van de Mijnwet van 21 April 1810 als van de artikelen 1401- 1403 van het Burgerlijk Wetboek, vermits de Naamlooze Vennootschap die exploitatie onrechtmatig, althans onvoorzichtig gedreven heeft;
dat, nadat de gedaagde Naamlooze Vennootschap bij antwoord, met ontkentenis van de gestelde feiten, had aangevoerd, dat zij bij de exploitatie der mijn Carl nooit onrechtmatig of onvoorzichtig gehandeld heeft en dat uit het enkele feit van een verzakking hare verplichting tot schadevergoeding niet voortvloeit, de Rechtbank bij haar vonnis van 25 Februari 1915, overwegende, dat volgens de Mijnwet 1810, de Naamlooze Vennootschap absoluut aansprakelijk is voor elke schade door hare exploitatie aan den bovengrond toegebracht, de toenmalige eischers heeft toegelaten tot het bewijs der verzakking, zoomede een deskundigen-onderzoek bevolen omtrent de vraag of de verzakking haar oorzaak had in de exploitatie van de mijn Carl, en vervolgens, bij haar vonnis van 23 Mei 1918, de vordering heeft toegewezen;
dat de Naamlooze Vennootschap van dit laatste vonnis in hooger beroep is gekomen, als grief onder meer aanvoerende dat de Rechtbank de Mijnwet van 1810 onjuist had uitgelegd;
dat het Hof die grief gegrond heeft geoordeeld en alzoo beslist, dat de genoemde wet niet, zooals de Rechtbank had aangenomen, den mijnexploitant aansprakelijk stelt voor elke schade, ook buiten eenige schuld, aan den bovengrond toegebracht;
dat het Hof echter verder, overwegende, dat de vordering mede berustte op de artikelen 1401-1403 van het Burgerlijk Wetboek en dat de te dien aanzien gestelde feiten in het geding waren komen vast te staan, het beroepen vonnis, waarbij de eisch was toegewezen, zij 't ook op andere gronden heeft bevestigd;
dat tegen 's Hofs beslissing door de eischeres wordt opgekomen met het volgend middel van cassatie:
Schending of verkeerde toepassing van de artikelen 1902, 1903, 1952, 1953, 1958 en 1959 van het Burgerlijk Wetboek, in verband met de artikelen 1401 en 1402 van dat Wetboek en artikel 48 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, door ten onrechte, de vraag der verantwoordelijkheid en die van het bewijs van schuld of nalatigheid verwarrend, met een beroep op artikel 1959 van het Burgerlijk Wetboek een vermoeden aan te nemen voor de schuld of nalatigheid der eischeres en op haar den last te leggen van het bewijs dat de verzakking aan haar niet toerekenbaar is; en vervolgens, - op grond dat dit bewijs niet geleverd of aangeboden is - de eerste grief in appel ongegrond te oordeelen, waardoor in strijd met het eerstaangehaalde wetsartikel de bewijslast ten nadeele van eischeres is omgekeerd;
dat verweerders, subsidiair, namelijk voor het geval, dat het principaal beroep gegrond mocht worden geacht, incidenteel beroep in cassatie hebben ingesteld en als middel van cassatie hebben voorgedragen:
Schending of verkeerde toepassing der artikelen 6, 10, 11, 15, 43 en 45 der wet van 21 April 1810 concernant les mines (Bulletins des Lois nº 285), artikel 1382 van den Code Civil en de artikelen 625, 626, 1401, 1402 en 1403 van het Burgerlijk Wetboek, doordat het Hof beslist, dat naar de Mijnwet de mijnexploitant slechts aansprakelijk is voor schade den eigenaar van den bovengrond toegebracht door onrechtmatige daad of schuldige nalatigheid; - ten onrechte daar de mijnexploitant aansprakelijk is voor alle zoodanige schade ook buiten het geval van onrechtmatige daad, schuld of verzuim;
Overwegende ten aanzien van het principaal beroep:
dat blijkens den inhoud van het bestreden arrest het Hof op den voorgrond heeft gesteld, dat de bijzondere aard van het mijnbedrijf en het daaraan verbonden ernstig gevaar voor de omgeving der mijnen, van den mijnexploitant een zoo groote mate van voorzichtigheid vordert, dat iedere tekortkoming op dit punt als "schuld" is aan te merken;
dat het Hof daarna feitelijk als vaststaand heeft aangenomen, vooreerst, dat de schade, welker vergoeding in het onderhavige geval was gevraagd, het gevolg was van een verzakking, veroorzaakt door de kolenwinning in de mijn Carl, voorts, dat aan het Hof uit eigen wetenschap bekend was - zulks kennelijk op grond van een ervaringsregel, die zelf feitelijk karakter heeft en waaraan vermoedens kunnen worden ontleend -, dat elke verzakking in den regel bij "voldoende" voorzorgen, dat wil zeggen: met voorzorgen, die met alle aanwezige omstandigheden rekening houden, is te vermijden, eindelijk, dat in de mijn Carl die voorzorgen alleen konden worden genomen door de tegenwoordige eischeres;
dat het Hof op grond van die omstandigheden, welke feitelijk karakter hebben en waaraan vermoedens kunnen worden ontleend, de aansprakelijkheid van de eischeres voor de ontstane schade heeft aangenomen en het daartegenover door haar gedaan beroep op de omstandigheid, dat "zij steeds op de gebruikelijke wijze had gewerkt" heeft afgewezen;
dat hieruit blijkt, dat het voorgestelde middel, hetwelk hierover klaagt, dat het Hof de vraag der verantwoordelijkheid en die van het bewijs der schuld heeft verward, waarmede, blijkens de toelichting is bedoeld, dat - met verwaarloozing van het vereischte van schuld - alleen is onderzocht of de oorspronkelijke eischers een juiste keuze hebben gedaan, toen zij deze Naamlooze Vennootschap voor de geleden schade hebben aangesproken, en dat het dientengevolge den bewijslast heeft omgekeerd, in beiderlei opzicht feitelijken grondslag mist;
dat immers het Hof niet alleen heeft onderzocht, wie, in geval van schuld aansprakelijk moest worden gesteld, maar evenzeer of hier schuld aanwezig was, en evenmin de eischeres in cassatie met bewijs heeft belast, doch enkel - na, op grond van de door het Hof als vaststaand aangenomen feitelijke gegevens, het door de oorspronkelijke eischers bij dagvaarding gestelde als bewezen te hebben aangenomen, heeft beslist, dat, in verband met de bijzondere zorg, die de mijnexploitant heeft in acht te nemen, de feiten, door de Naamlooze Vennootschap te bewijzen aangeboden, ook al kwamen zij vast te staan, het reeds van de andere zijde geleverde bewijs niet zouden vermogen te ontzenuwen;
dat dus het middel is onaannemelijk;
dat dientengevolge een onderzoek van het, subsidiair voorgestelde incidenteele beroep komt te vervallen;
Verwerpt het beroep;
Veroordeelt de eischeres in de kosten op de cassatie gevallen, tot op de uitspraak van dit arrest, aan zijde van de verweerders begroot op twee gulden veertig cent aan verschot en op tweehonderd vijftig gulden voor salaris.
Gedaan bij de Heeren Mrs. Gratama, President, Fentener van Vlissingen, Jhr. Feith, Visscher en Jhr. van Meeuwen, Raden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van den een en dertigsten December 1900 en Twintig, in bijzijn van Mr. Ledeboer, Advocaat-Generaal.