Conclusie van den Advocaat-Generaal Mr. Ledeboer.
Als cassatiemiddel is door de eischeres „de Maatschappij" gesteld:
„Schending of verkeerde toepassing van de artikelen 1902, 1903, 1952, 1953, 1958 B. W., in verband met de artikelen 1401 en 1402 van dat Wetboek en artikel 48 Rv., door ten onrechte, de vraag der verantwoordelijkheid en die van het bewijs van schuld of nalatigheid verwarrend, met een beroep op artikel 1959 B. W., een vermoeden aan te nemen voor de schuld of nalatigheid der eischeres en op haar den last te leggen van het bewijs, dat de verzakking aan haar niet toerekenbaar is, en vervolgens - op grond dat dit bewijs niet geleverd of aangeboden is - de eerste grief in appèl ongegrond te oordeelen, waardoor in strijd met het eerst aangehaald wetsartikel de bewijslast ten nadeele van eischeres is omgekeerd".
Naar mijn oordeel is van omkeering der bewijslast in dit geval geen sprake. Het Hof gaat blijkens de zevende rechtsoverweging er van uit dat de mijnexploitant, indien door zijn bedrijf schade is veroorzaakt, aansprakelijk is voor elk verzuim.
Als vaststaand neemt het aan, dat de verzakking te wijten is aan de kolenwinning in de mijn Carl, met welke redelijkerwijze, in verband met het onmiddellijk voorafgaande, wordt te kennen gegeven, dat door het mijnbouwbedrijf van de Maatschappij in de mijn Carl de schade is veroorzaakt. Dan blijft in 's Hofs gedachtengang slechts over de vraag, of aan de Maatschappij eenig verzuim kan worden telastegelegd.
Te dien aanzien stelt het Hof nu vast, dat in de mijn Carl alleen „,de Maatschappij" het beheer voert en zij alleen alles, zoowel werkwijze als toezicht, regelt,- waarmede ongetwijfeld eene feitelijkheid is vastgesteld. Voorts wordt - mede feitelijk - geconstateerd, dat in den regel elke verzakking te voorkomen is, mits de exploitant de noodige voorzorgen neemt en daarop voortdurend toezicht houdt. In den regel. Het Hof sluit dus niet de mogelijkheid uit, dat het bij uitzondering eene hoogst enkele maal anders zoude zijn en dus ook niet, dat zulks hier het geval zou kunnen wezen, maar het Hof maakt uit de omstandig- beid, dat bij het nemen van de noodige voorzorgen en het voortdurend daarop toezicht houden door den exploitant, als regel verzakking wordt voorkomen, de gevolgtrekking, dat ook in dit geval de verzakking gevolg is van verzuim van voorzorgen nemen en toezicht uitoefenen en dan wel van verzuim bij de maatschappij, omdat deze en deze alleen de noodige voorzorgen kon en dus moest nemen en het noodige voortdurend toezicht daarop kon en moest uitoefenen.
Van verwarring van verantwoordelijkheid en van bewijs van schuld of nalatigheid is daarbij geen sprake. Immers het feit van de verzakking bewijst in 's Hofs gedachtengang, in verband met den regel, de schuld en de daardoor veroorzaakte schade komt ten laste van de Maatschappij, omdat die schuld bestaat in verzuimen, door haar gepleegd, in gebrek aan diligentie, bij haar bevonden.
En nu zou het Hof ruimte laten voor de „Maatschappij" om alsnog daartegenover te bewijzen, dat de verzakking aan haar niet toerekenbaar was, doch in een en ander ligt naar mijne meening niet eene omkeering van de bewijslast, zooals die in artikel 1902 zou zijn neergelegd.
Aan de uit de ervaring gekende natuurlijke gevolgen van bepaalde oorzaken heeft het Hof zoodanig gewicht gehecht, dat het de schuld van de „Maatschappij" bewezen acht. Nu het besliste, dat het tot de taak van de wederpartij zou behooren, daartegenover eventueel te bewijzen, dat bij uitzondering op den regel, die gevolgen waren ontstaan uit andere oorzaken, ontlast het de „Maatschappij" niet van haar plicht, het door haar gestelde te bewijzen, doch drukte het slechts uit, dat de wederpartij tot tegenbewijs zou kunnen zijn
toegelaten geworden.
Ik acht het middel dus ongegrond.
Het incidenteel beroep in cassatie is slechts ingesteld voor het geval het middel gegrond zou worden geacht. Voor dat geval is als cassatiemiddel gesteld:
„Schending of verkeerde toepassing der artikelen 6, 10, 11, 15, 43 en 45 der Wet van 21 Avril 1810, concernant les mines (Bulletin des Lois n°. 285) artikel 1382 van den Code Civil en artikelen 625, 626, 1401, 1402, 1403 B. W., doordat het Hof beslist, dat naar de Mijnwet de mijnexploitant slechts aansprakelijk is voor schade, den eigenaar van den bovengrond toegebracht door onrechtmatige daad of schuldige nalatigheid; ten onrechte, daar de mijnexploitant aansprakelijk is voor alle zoodanige schade, ook buiten het bewijs van onrechtmatige daad, schuld of verzuim."
Blijkens de toelichting bij pleidooi, stelt de geachte raadsman van de familie [familienaam], zich op het standpunt, dat de juistheid van het door hem verdedigde stelsel van onbeperkte aansprakelijkheid van den mijnexploitant, zoodra er causaal verband is tusschen exploitatie der mijn en schade van den eigenaar van den bovengrond, volgt uit den geest van de Mijnwet 1810, zooals die uit de verschillende artikelen blijkt, waarbij dan de in het middel aangehaalde speciaal naar voren moeten worden gebracht en onder deze zouden dan vooral de artt. 15, 43 en 45 in onderling verband beschouwd, in aanmerking moeten komen. Hij vindt krachtigen steun in de Fransche en Belgische jurisprudentie, welke men geresumeerd vindt bij Bréchignac en Michel, Resumé de la doctrine et de la jurisprudence de mines, nº. 158 blz. 209 vgl. Terecht echter werd door den geëerden pleiter voor de wederpartij aangevoerd, dat men deze jurisprudentie moet beschouwen in het licht der Fransche rechtspraak in het algemeen genomen, welke in tal van gevallen aansprakelijkheid aanneemt; op grond van causaal verband, zonder schuldverband.
Gaat men de geschiedenis na van het tot stand komen der Mijnwet, dan komt uit de beraadslagingen en rapporten, naar mijn oordeel, zeer sterk naar voren, dat men - waar niet uitdrukkelijk uitzonderingen worden gemaakt - het gemeene recht toepasselijk heeft willen laten.
En nu kan ik ook in den tekst der wet, die wet in haar geheel genomen, geen andere strekking waarnemen, dan bij die schriftelijke en mondelinge gedachtenwisseling is uitgedrukt.
Wel hebben, ook naar mijne meening, de bij de toelichting tot het middel bizonder aangewezen artikelen 43 en 45 - en ik voeg er bij artikel 44 - eene van het gewone recht afwijkende strekking, maar ik zie daarin speciale uitzonderingen om redenen van praktijk, die niet den geest der wet mede bepalen, doch juist daarvan afbuigen.
Wat artikel 15 betreft, dient allereerst te worden opgemerkt, dat dit artikel is geplaatst in den Titel (III) handelende „des actes qui précèdent la demande en consession des Mines."
De eerste sectie van dien Titel handelt over het eigenlijke exploreeren, de tweede gaat echter m. i. verder. Men moet artikel 15 lezen in verband met artikel 14. Daarin zie ik uitgedrukt, dat moet blijken, dat de concessieaanvrager is een in elk opzicht reëel reflectant, toegerust met de noodige intellectueele en kapitaal-kracht om eene zoodanige belangrijke onderneming als mijnbouw, te kunnen ondernemen.
II doit justifier des facultés nécessaires pour entreprendre et conduire les travaux et des moyens de satisfaire aux redevances, indemnités qui lui seront imposés par l'acte de concession. (Art. 14).
Men denkt daarbij dus niet alleen aan opsporingswerk, maar wel degelijk ook aan exploitatie. En als dan art. 15 zegt, dat de concessieaanvrager ook „le cas arrivant de travaux à faire sous les maisons ou lieux d'habitation etc. doit donner caution de payer toute indemnité, en cas d'accident", dan zie ik geen reden, die verplichting te beperken tot het tijdperk dat aan het verleenen der concessie vooraf gaat, integendeel, dan lijkt mij het verband er op te wijzen, dat ook bij artikel 15 mede is gedacht aan het tijdvak van de eigenlijke mijnontginning. Maar met het Hof zou ik op de in de 4de en 5de rechtsoverweging aangegeven gronden meenen, dat onder „toute indemnité" te verstaan is elke schadevergoeding, krachtens het bestaande recht verschuldigd.
De artikelen 43 en 44 betreffen noodzakelijke werken, waardoor noodwendig schade aan den bovengrond wordt toegebracht, althans den eigenaar noodwendig in dat bezit schade wordt toegebracht. Dat daarbij van geene schuld sprake kan zijn is duidelijk. En ook artikel 45 treft eene regeling voor een geval, dat door de natuurlijke gesteldheid van den aardbodem zich noodwendig, of althans bijkans noodzakelijk, volkomen buiten schuld van den exploitant zal voordoen en waarvoor men dus eens voor altijd regel gesteld heeft. Maar het eigenaardig karakter van de drie laatstgenoemde artikelen, belet dan ook juist deze als aanwijzing te doen gelden voor den geest der wet in hunne richting.
Waar nu, zooals ik reeds opmerkte, de geschiedenis der wet volstrekt geen steun biedt aan het stelsel in het middel neergelegd en ook de wet zelf geene enkele eenigszins stellige aanduiding heeft, die daarvoor pleit, is het middel naar mijne meening ongegrond.
Op grond van het bij het principaal middel betoogde, concludeer ik tot verwerping van het beroep met veroordeeling van de eischeres in de kosten van cassatie.