No 30685.
DE HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN,
Op het beroep van [requirant], 31 jaren, landbouwer, geboren te [geboorteplaats] en wonende te [woonplaats], requirant van cassatie tegen een arrest van het. Gerechtshof te Arnhem van den drie en twintigsten September 1926, houdende bevestiging in hooger beroep van een vonnis der Arrondissements-Rechtbank te Almelo van 16 Mei 1926, waarbij hij wegens wederspannigheid, met toepassing van artikel 180 van het Wetboek van Strafrecht, is veroordeeld tot gevangenisstraf van ééne maand;
Gehoord het verslag van den Raadsheer Jhr. Feith;
Gezien de insinuatie, namens den Procureur-Generaal aan den requirant beteekend, ter kennisgeving van den dag voor de behandeling dezer zaak bepaald;
Gelet op de middelen van cassatie door den requirant voorgesteld bij schriftuur:
1. Schending immers verkeerde toepassing van de artikelen 348,350,358 en 359 in verband met artikel 423 van het Wetboek van Strafvordering, omdat:
a.) de redegevende feiten en omstandigheden, waarop de beslissing, dat het feit door den verdachte is begaan, steunt, als zoodanig niet in het vonnis zijn aangewezen;
b. ) in de dagvaarding uitdrukkelijk is gesteld en ook uit de bewijsmiddelen blijkt, dat de inbeslagname voltooid was en het geweer derhalve een in beslaggenomen voorwerp was geworden, waarmede de inbeslagnemer zich reeds had verwijderd, zoodat - afgezien van de onlogische tenlastelegging - nimmer kon worden bewezen verklaard, dat verdachte handelde ter verijdeling van die inbeslagname, omdat die inbeslagname als voltooid niet meer te verijdelen was, terwijl een inbeslaggenomen voorwerp zijn karakter als zoodanig niet verliest, wanneer het uit de macht van den bewaarder geraakt;
2. Schending immers verkeerde toepassing van artikel 180 van het Wetboek van Strafrecht, en wel omdat: a. )uit het tenlastegelegde en bewezenverklaarde blijkt, dat de handelingen van den verdachte zich niet richtten tegen den persoon van den ambtenaar, maar betroffen het inbeslaggenomen voorwerp en zich derhalve enkel richtten tegen de handeling, welke die ambtenaar had verricht, zoodat nimmer dit artikel maar wel artikel 184 van dat Wet- boek toepasselijk zoude kunnen zijn;
b. ) de bewezenverklaarde handelingen zoowel taalkundig als juridisch geen "verzet" uitmaken, daar toch de verdachte op den inbeslagnemer, die zich reeds had verwijderd, is toegeloopen en alleen en zelfstandig handelende heeft getracht het inbeslaggenomen voorwerp aan den bewaarder te onttrekken, een poging tot het misdrijf van artikel 198 van het Wetboek van Strafrecht, terwijl het juist de bewaarder was, die zich tegen deze handeling "verzette";
Gehoord den Advocaat-Generaal Tak, namens den Procureur-Generaal, in zijne conclusie, strekkende tot verwerping van het beroep;
Overwegende dat bij het in hooger beroep bevestigde vonnis der Rechtbank van het den requirant bij de dagvaarding telastegelegde - met qualificatie en strafoplegging als voorzegd - bewezen is verklaard, dat hij te [woonplaats], in den namiddag van 4 December 1925 opzettelijk zich in het jachtveld met geweld heeft verzet tegen den aldaar surveilleerenden en dienstdoender brigadier-titulair der Rijksveldwacht [betrokkene 1], die met den veldwachter der gemeente Losser, [betrokkene 2], hem destijds op heeterdaad had betrapt en bekeurd ter zake van een door hem gepleegde overtreding der Jachtwet en in verband daarmee het dubbelloops schietgeweer, waarmede hij, verdachte, die overtreding had gepleegd, in beslag en tot zich had genomen, door ter verijdeling van die inbeslagname genoemden Rijksveldwachter om den hals vast te houden en het genoemde geweer vast te grijpen en daaraan te rukken, te stooten en te draaien;
Overwegende aangaande onderdeel a.) van het eerste middel:
dat dit feitelijken grondslag mist, daar de Rechtbank, na vermelding der door requirant en een tweetal getuigen ter terechtzitting afgelegde verklaringen als bewezen aannam, dat verdachte het hem telastegelegde in voege als voorzegd heeft begaan, "steunende deze beslissing op voorzegde bewijsmiddelen, alle tezamen vormende de tot gemelde beslissing redengevende feiten en omstandigheden", en de Rechtbank de feiten of omstandigheden, waarop hare beslissing steunt, dat het feit door den verdachte is begaan, derhalve uitdrukkelijk als zoodanig in het vonnis heeft aangewezen;
Overwegende dat ook onderdeel b.) niet tot cassatie kan leiden, daar in de telastlegging en bewezenverklaring aan de uitdrukking "verijdeling" ,in overeenstemming met het taalgebruik, kenlijk de beteekenis toekomt van krachteloos maken of doen mislukken eener reeds volbrachte handeling door daaraan het daarmede beoogde gevolg te ontnemen, en de Rechtbank derhalve zonder schending der in het middel genoemde wetsartikelen bewezen kon verklaren, dat verdachte de hem telastegelegde handelingen ter verijdeling der inbeslagname van zijn geweer heeft verricht, nu die inbeslagname reeds tevoren was geschied en voltooid;
Overwegende ten aanzien van onderdeel b. ) van het tweede middel:
dat, wil van de in artikel 180 van het Wetboek van Strafrecht gestelde handeling van het zich met geweld tegen een ambtenaar, werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner bediening, verzetten sprake zijn, de ambtenaar niet slechts op het tijdstip dat geweld tegen hem wordt gepleegd in de rechtmatige uitoefening zijner bediening werkzaam moet zijn, doch het geweld tevens ten doel moet hebben de door dien ambtenaar ondernomen rechtmatige ambtshandeling te beletten of te belemmeren;
dat ten deze, - waaromtrent het verband tusschen de ambtshandelingen, door den rijksveldwachter [betrokkene 1] verricht, en de door requirant tegen dien ambtenaar gepleegde gewelddadige handelingen niet anders is bewezen verklaard dan dat eerstgenoemde, in het jachtveld surveilleerende en dienstdoende, den requirant ter zake van een door dezen gepleegde jachtwetsovertreding op heeterdaad had betrapt en bekeurd en in verband daarmede het schietgeweer, waarmede requirant die overtreding had gepleegd, inbeslag en tot zich had genomen en dat requirants geweld werd gepleegd om de voornoemde inbeslagname te verijdelen, alzoo slechts beoogde eene reeds voltooide ambtshandeling weder krachteloos te maken, - aan dezen eisch niet is voldaan;
dat requirant dan ook niet kan worden gezegd zich invoege als voorzegd tegen den voormelden ambtenaar te hebben verzet, en het bewezenverklaarde ten onrechte als wederspannigheid is gequalificeerd, terwijl het ook niet bij eenige andere wetsbepaling is strafbaar gesteld;
dat derhalve de Rechtbank, door instede van den requirant te dier zake van alle rechtsvervolging te ontslaan het bewezenverklaarde als voorzegd te qualificeeren en den requirant deswege tot straf te veroordeelen, artikel 180 van het Wetboek van Strafrecht verkeerd heeft toegepast, en het Hof, het beroepen vonnis bevestigende in plaats van dit te vernietigen, artikel 423 van het Wetboek van Strafvordering in verband met evengenoemd wetsartikel heeft geschonden;
dat, waar het voorgedragen onderdeel b. ) mitsdien in zoover gegrond is, een onderzoek naar onderdeel a. ) achterwege kan blijven;
Vernietigt het arrest van het Gerechtshof te Arnhem den 23sten September 1926, en het daarbij bevestigde vonnis der Arrondissements-Rechtbank te Almelo den 16den Mei 1926 in deze zaak gewezen, - beide voor wat betreft de aan het bewezenverklaarde gegeven qualificatie en requirants veroordeeling te dier zake;
En in zoover opnieuw rechtdoende ten principale krachtens artikel 105 der Wet op de Rechterlijke Organisatie:
Verklaart hetgeen bewezen is niet strafbaar;
Ontslaat den requirant te dier zake van alle rechtsvervolging.
Gewezen te 's-Gravenhage bij de Heeren Jhr. de Savornin Lohman, President, Savelberg, Jhr. Feith, Ort en Taverne, Raden, in bijzijn van den Griffier Prager, die dit arrest hebben ondertekend, en door den President voornoemd uitgesproken ter openbare terechtzitting van den twintigsten December 1900 Zes en Twintig, in tegenwoordigheid van de genoemde Heeren alsmede van den Advocaat-Generaal Tak.