Uitgetypte versie van de HR-conclusie in de strafzaak met HR-zaaknummer 30685 aan de hand van de in NJ 1927, p. 72 opgenomen tekst daarvan. De originele HR-conclusie is niet meer voorhanden.
Conclusie van den Advocaat-Generaal Mr. Tak.
Ten aanzien van requirant werd bij door het Hof te Arnhem bevestigd vonnis der Arr .- Rechtbank te Almelo bewezen verklaard: "dat hij te [plaats], in den namiddag van 4 December 1925 zich in het jachtveld heeft verzet tegen den aldaar surveilleerenden en dienstdoenden brigadier-titulair der rijksveldwacht [betrokkene 1] , die met den veldwachter der gemeente Losser, [betrokkene 2] , hem destijds aldaar op heeterdaad had betrapt en bekeurd ter zake van een door hem gepleegde overtreding der Jachtwet en in verband daarmee het dubbelloops schietgeweer, waarmee hij, verdachte, die overtreding had gepleegd, in beslag en tot zich had genomen, door ter verijdeling van die inbeslagname, genoemden rijksveldwachter om den hals vast te houden en het genoemde geweer vast te grijpen en daaraan te rukken, te stooten en te draaien."
Die uitspraak steunt op de erkentenis van verdachte en de verklaringen van een tweetal getuigen, welke bewijsmiddelen "alle te zamen vormen de tot gemelde beslissing redegevende feiten en omstandigheden".
Waar nu dit bewezene werd gequalificeerd als "wederspannigheid"en deswege eene gemotiveerde veroordeeling werd uitgesproken in eene gevangenisstraf van één maand, heeft hij gemeend zich van cassatie tegen 's Hofs arrest te moeten voorzien en bij schriftuur de navolgende middelen voorgedragen: "I. Schending, immers verkeerde toepassing, van de artt. 348, 350, 358 en 359, in verband met artikel 423 Sv., omdat:
a. de redegevende feiten en omstandigheden, waarop de beslissing, dat het feit door den verdachte is begaan, steunt, als zoodanig niet in het vonnis zijn aangewezen;
b. in de dagvaarding uitdrukkelijk is gesteld en ook uit de bewijsmiddelen blijkt, dat de inbeslagname voltooid was en het geweer derhalve een inbeslaggenomen voorwerp was geworden, waarmede de inbeslagnemer zich reeds had verwijderd, zoodat - afgezien van de onlogische telastelegging - nimmer kon worden bewezen verklaard, dat verdachte handelde ter verijdeling van die inbeslagname, omdat die inbeslagname als voltooid niet meer te verijdelen was, terwijl een inbeslaggenomen voorwerp zijn karakter als zoodanig niet verliest, wanneer het uit de macht van den bewaarder geraakt".
"II. Schending, immers verkeerde toepassing van art. 180 Sr. omdat:
a. uit het telastegelegde en bewezenverklaarde blijkt, dat de handelingen van den verdachte zich niet richten tegen den persoon van den ambtenaar, maar betroffen het inbeslaggenomen voorwerp en zich derhalve enkel richten tegen de handeling, welke die ambtenaar had verricht, zoodat nimmer dit artikel, maar wel art. 184 van dat Wetboek toepasselijk zou kunnen zijn;
b. de bewezenverklaarde handelingen zoowel taalkundig als juridisch geen "verzet" uitmaken, daar toch de verdachte op den inbeslagnemer, die zich reeds had verwijderd, is toegeloopen en alleen en zelfstandig handelende, heeft getracht het inbeslaggenomen voorwerp aan den bewaarder te onttrekken - een poging tot het misdrijf van art. 198 Sr. - terwijl het juist de bewaarder was, die zich tegen deze handeling "verzette".
Ik acht ze ongegrond. Voor het onderdeel sub a der eerste grief zij verwezen naar Uw arrest van 21 Juni 1926, W. 11517, N.J. 1926, 725, waarin eene motiveering als de onderwerpelijke, zij het dan ook met andere bewoordingen, terecht werd goedgekeurd en voor dat sub b naar Uw arrest van 2 December 1901, W. 7694, waarin aan verijdelen de beteekenis wordt gehecht van het krachteloos maken of doen mislukken eener voltooide handeling.
Dat de handelingen van verdachte zich niet richtten tegen den persoon van den ambtenaar, gelijk in onderdeel a van het tweede middel beweerd wordt, leeren dagvaarding en bewezenverklaring niet. Immers beide bevatten, dat hij den rijksveldwachter om den hals vast hield en het geweer, dat deze in beslag en tot zich had genomen, "vasthield en daaraan rukte, trok en draaide."
Ten slotte zij nog opgemerkt, dat de inbeslagname van het geweer veroorloofd wordt in art. 49 der Jachtwet 1923.
Zij is dus eene rechtmatige ambtshandeling en de poging tot gewelddadige verijdeling daarvan mocht derhalve als wederspannigheid worden gequalificeerd.
Ik concludeer mitsdien tot verwerping van het beroep.