DE HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN, in de zaak (No.6993) van:
[eischer] , wonende te [woonplaats], eischer tot cassatie van een tusschen partijen gewezen arrest van het Gerechtshof aldaar van den 6den December 1934, vertegenwoordigd door Mejuffrouw Mr. J.B.A. Marcus, advocaat bij den Hoogen Raad;
tegen:
1o. [verweerster 1], van tafel en bed gescheiden echtgenoote van [verweerder 2], wonende te [woonplaats],
- kosteloos procedeerende ingevolge beschikking van het Gerechtshof te Amsterdam van 15 Mei 1930 - verweerster in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. E.Hertzberger, advocaat bij den Hoogen Raad, en
2o. [verweerder 2] voornoemd, wonende te [woonplaats], mede-verweerder, niet verschenen;
Gehoord den Procureur-Generaal in zijne conclusie, hiertoe strekkende dat het bestreden arrest zal worden vernietigd, dat de zaak zal worden verwezen naar het Gerechtshof om met inachtneming van het door den Hoogen Raad te wijzen arrest verder te worden behandeld en beslist en dat de verweerster onder 1 zal worden veroordeeld in de kosten in cassatie gevallen;
Gezien de stukken;
Overwegende dat uit het bestreden arrest, voor zooveel in cassatie van belang, blijkt :
dat de eischer tot cassatie [eischer], stellende eigenaar te zijn van roerende goederen, welke de verweerster [verweerster 1] ten laste van den mede-verweerder [verweerder 2] in executoriaal beslag heeft genomen, zich tegen den verkoop dier goederen heeft verzet en opheffing van het gelegde beslag heeft gevorderd;
dat de Arrondissements-Rechtbank te Amsterdam bij vonnis van 26 Juni 1934 de ingestelde vordering heeft ontzegd, na te hebben beslist, dat de aankoop van de goederen, waarop eischer zich heeft beroepen, slechts een schijnhandeling was om executorialen verkoop te voorkomen, en dat het door eischer aangeboden bewijs moet worden voorbijgegaan als niet tot beeindiging van het geschil kunnende leiden;
dat eischer van dit vonnis der Rechtbank in hooger beroep is gekomen en onder meer als grief heeft aangevoerd, dat de Rechtbank hem niet tot de aangeboden bewijslevering heeft toegelaten;
dat echter het Gerechtshof te Amsterdam bij het bestreden arrest heeft overwogen, dat wat er zij van genoemde grief, deze den eischer niet kan baten, nu hij in hooger beroep geen bewijs heeft aangeboden, en het vonnis der Rechtbank heeft bekrachtigd;
Overwegende dat tegen het bestreden arrest als middel van cassatie wordt opgeworpen:
Schending althans verkeerde toepassing van de artikelen 162 der Grondwet, 20 der Wet op de Rechterlijke Organisatie, 1356, 1371, 1372, 1373, 1374, 1493, 1494, 1495, 1902, 1903, 1932, 1935, 1941,1943, 1945 van het Burgerlijk Wetboek, jo.artikelen 48, 59,103,109, 199, 200, 332, 347, 348, 349, 353 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, omdat het Gerechtshof rechtdoende in hooger beroep zijn arrest niet naar den eisch der wet met redenen heeft omkleed, waar het Hof overweegt dat wat er zij van de tweede in appel aangevoerde grief, zijnde dat de Rechtbank het in eerste aanleg aangeboden getuigenbewijs heeft gepasseerd, deze den appellant niet kan baten nu hij in hooger beroep geen getuigenbewijs heeft aangeboden, waar al ware inderdaad geen bewijs aangeboden, quod non, dan nog het simpele feit van een dergelijk gebrek aan aanbod het Hof niet kon weerhouden een dergelijk bewijs op te dragen kunnende deze overweging dus niet strekken tot motiveering van de genomen beslissing terwijl daarenboven volgens requirants meening een dergelijk aanbod wel is geschied, daar de zinsnede in de memorie van grieven "In ieder geval had het aangeboden getuigenbewijs moeten worden toegelaten" een dergelijk aanbod behelst;
Overwegende dienaangaande:
dat de klacht, dat het Hof zijn arrest niet naar den eisch der wet met redenen heeft omkleed, feitelijken grondslag mist, aangezien het Hof den grond vermeldt, waarom de boven weergegeven grief van eischer aan dezen niet kan baten;
dat voorts bij het middel wordt voorbijgezien, dat het Hof, nu eischer in hooger beroep geen getuigenbewijs had aangeboden, niet gehouden was ambtshalve het leveren van getuigen bewijs te bevelen;
dat ten slotte bij het middel nog wordt beweerd, dat in hooger beroep wel is aangeboden bewijs door getuigen te leveren, daar dit in de aangevoerde grief tegen het vonnis der Rechtbank ligt opgesloten, doch dat hiermede tevergeefs wordt opgekomen tegen de in cassatie te eerbiedigen feitelijke vaststelling van het Hof, dat eischer in hooger beroep geen bewijs heeft aangeboden;
dat mitsdien het aangevoerde middel niet tot cassatie kan leiden;
Verwerpt het beroep.
Veroordeelt eischer in de kosten van het geding in cassatie, tot de uitspraak van dit arrest aan zijde van verweerster [verweerster 1] begroot op tien gulden aan verschotten en op twee honderd vijf en twintig gulden voor salaris, en aan zijde van den mede-verweerder [eischer] op nihil.
Gedaan bij de Heeren Visser, Vice-President, van den Dries, van Gelein Vitringa, de Menthon Bake en Servatius, Raden, en door voornoemden Vice-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van den Een en Dertigsten Mei 1900 vijf en dertig, in bijzijn van den Procureur-Generaal.