Conclusie van den Proc .- Gen. Besier.
Als middel tot cassatie is in deze zaak aangevoerd:
"S., althans v. t. van artt. 20 R. O., 1356, 1371, 1372, 1373, 1374, 1493, 1494, 1495, 1902, 1903, 1932, 1935, 1941, 1943, 1945 B. W., 48, 59, 103, 109, 200, 332, 347, 348, 349, 355 Rv., omdat het Gerechtshof rechtdoende in hooger beroep zijn arrest niet naar den eisch der wet met redenen heeft omkleed, waar het Hof overweegt, dat wat er zij van de tweede in appèl aangevoerde grief, zijnde dat de Rechtbank het in eersten aanleg aangeboden getuigenbewijs heeft gepasseerd, deze den appellant niet kan baten nu hij in hooger beroep geen getuigenbewijs heeft aangeboden, waar al ware inderdaad geen bewijs aangeboden, quod non, dan nog het simpele feit van een dergelijk gebrek aan aanbod het Hof niet kon weerhouden een dergelijk bewijs op te dragen kunnende deze overweging dus niet strekken tot motiveering van de genomen beslissing terwijl daarenboven volgens requirants meening een dergelijk aanbod wel is geschied, daar de zinsnede in de memorie van grieven "In ieder geval had het aangeboden bewijs moeten worden toegelaten" een dergelijk aanbod behelst".
De aangehaalde wetsvoorschriften betrekking hebbende op de omkleeding van de beslissing met redenen kunnen niet zijn geschonden of verkeerd toegepast, daar deze omkleeding niet geheel ontbreekt.
Doch het komt mij voor, dat inderdaad in verband met art. 48 Rv. art. 103 mede in verband met de artt. 200 en 355, alle van hetzelfde Wetboek, wel verkeerd is toegepast, zij het niet hierdoor - voor zoover dit in het middel mocht zijn bedoeld - dat het Hof niet ambtshalve het bewijs door getuigen aan den eischer heeft opgelegd, waaromtrent de rechter immers vrij is, noch ook omdat eischers aanbod van bewijs door getuigen in hooger beroep wel zou zijn herhaald, waaromtrent het Hof immers feitelijk anders heeft beslist. Doch ik acht op dezen grond de genoemde wetsvoorschriften door het Hof verkeerd te zijn toegepast, dat het aanbod van bewijs door getuigen in hooger beroep niet meer noodig was, daar het door eischer in eersten aanleg was gedaan en diens tweede grief in hooger beroep juist was, dat de Rechtbank ten onrechte dit bewijs niet had toegelaten. Deze grief had het Hof aan dit aanbod te toetsen om bij ongegrondbevinding haar te verwerpen, doch bij gegrondbevinding het vonnis in eersten aanleg te vernietigen en dan niet zelf het getuigenverhoor te houden - wat alleen te pas zou komen bij een voor het eerst in hooger beroep gedaan aanbod - doch de zaak hiertoe naar dezelfde (of een andere) Rechtbank te verwijzen.
De overweging van het Hof, dat de tweede grief den appellant niet kan baten, omdat hij in hooger beroep geen bewijs heeft aangeboden, kan dus deze beslissing niet dragen.
Ik concludeer, dat het bestreden arrest zal worden vernietigd, dat de zaak zal worden verwezen naar het Gerechtshof om met inachtneming van het door den H. R. te wijzen arrest verder te worden behandeld en beslist en dat de verweerster onder 1 zal worden veroordeeld in de kosten in cassatie gevallen.